The sky is the limit

Soms denk ik dat je voor de toekomst van Friesland beter naar Amsterdam kunt kijken dan naar Friesland zelf. Dat klinkt ongeveer even logisch als een Elfstedentocht organiseren op de Zuidas, maar toch zit er iets in. Ik doel vooral ook op de Zuidas, dat merkwaardige stukje Amsterdam waar de toekomst al jaren bezig is zich voor te doen alsof hij gisteren is begonnen. Torens, glazen gevels, treinen, snelwegen, voetgangers, fietsen, bouwkranen en overal de belofte dat het straks nóg beter wordt. Vooral dat laatste intrigeert me: straks. The sky is the limit.

Overigens is de Zuidas is helemaal niet zo nieuw als zij eruitziet. Al in 1914 tekende Berlage zijn Plan Zuid. Later kwam het Algemeen Uitbreidingsplan van Cornelis van Eesteren en schoof Amsterdam steeds verder naar het zuiden op. De VU, de RAI, de A10 en het station Amsterdam Zuid maakten van deze stadsrand een knooppunt van infrastructuur. In de jaren negentig kwam ABN AMRO erbij. De bank besloot er haar nieuwe hoofdkantoor te bouwen en daarmee was de toon gezet. In 1997 werd de Zuidas een Nieuw Sleutelproject en in 1998 kwam het Masterplan van Pi de Bruijn. De ambitie was niet gering: in dertig tot veertig jaar moest hier een internationale toplocatie voor wonen en werken ontstaan.

Dertig tot veertig jaar. Dat is een prachtige termijn voor een stedenbouwkundige droom. Lang genoeg om grootse plannen te maken en lang genoeg ook om niet persoonlijk verantwoordelijk te hoeven zijn voor het eindresultaat. Het mooiste idee was het dokmodel: de A10 en de spoorlijnen zouden onder de grond verdwijnen en boven de tunnels zou een nieuwe stad ontstaan. Auto’s en treinen beneden, mensen, gebouwen en pleinen boven. Het was een typisch Nederlands idee: eerst een enorme infrastructuur aanleggen en vervolgens ontdekken dat het toch prettiger zou zijn als die infrastructuur uit het zicht verdween.

Het merkwaardige is dat de Zuidas ondertussen gewoon werd gebouwd. Mahler, Gershwin, Beethoven, Vivaldi en al die andere componisten verschenen in de straatnamen en de plattegronden. Het werd letterlijk een wijk vol toekomstmuziek. Kantoren, woningen, pleinen en woontorens kwamen erbij, terwijl het grote dok nog altijd letterlijk toekomstmuziek was. Het voorlopige kreeg een huisnummer en de tijdelijke toestand kreeg een parkeergarage. De stad ontstond dus al voordat het definitieve plan was uitgevoerd. Dat is ook wat mij in de Zuidas het meest fascineert: de toekomst werd gebouwd terwijl men er voortdurend nog over discussieerde.

In de ‘Visie Zuidas’ van 2016 werd het toekomstbeeld opnieuw aangepast. De Zuidas moest niet alleen een internationale kantorenwijk zijn, maar een gemengde stadswijk met wonen, werken, voorzieningen, groen, voetgangers en fietsers. De A10 moest onder de grond, het station moest groeien en rond de VU en Amsterdam UMC moest een nieuw stedelijk kennisgebied ontstaan. Daarmee werd de Zuidas steeds minder een verzameling kantoren en steeds meer een stad. De toekomst had zich opnieuw vergist in wat hij wilde worden.

En nu, in 2026, is de volgende toekomst volop in aanbouw. De Brittenpassage van station Amsterdam Zuid wordt geopend, het station wordt uitgebreid, er wordt gewerkt aan De Nieuwe Meer en aan de verbreding en ondertunneling van de A10. Boven de tunnels ontstaat ruimte voor een nieuwe openbare stad. Tegelijkertijd blijkt ook hier dat de toekomst een prijskaartje heeft. Zuidasdok kampt met een tekort van meer dan een miljard euro. Zelfs de toekomst blijkt uiteindelijk gewoon een begroting te hebben. En ook voor zulk soort begrotingen is the sky doorgaana the limit.

Zo komen ijn gedachten bij de toekomst van Leeuwarden. Niet omdat ik vind dat wij hier ook zonodig een Zuidas nodig hebben. Ik zou niet graag op een ochtend wakker worden en ontdekken dat de Oldehove is vervangen door de Fryslân International Business Tower. Wat mij interesseert is de manier waarop Amsterdam met de toekomst omgaat. Daar wordt een plan gemaakt voor dertig of veertig jaar. Vervolgens blijkt het plan niet helemaal uitvoerbaar. Het wordt aangepast. Er wordt toch gebouwd. En twintig jaar later blijkt de aangepaste versie alweer achterhaald. Dat is kennelijk wat stedenbouw heet: dromen met een schop in de grond.

In Friesland zijn we daar ietwat voorzichtiger mee. Wij hebben een eerbiedwaardige traditie in het bedenken waarom iets niet kan. Een plan verschijnt, iemand rekent uit wat het kost, een ander vraagt wie het moet betalen, een derde vraagt of het wel past binnen het beleid en uiteindelijk ligt het plan keurig opgeborgen in een archief. Daar is niets mis mee. Het archief is zelfs een prachtige plek. Alleen hebben wij soms zoveel vertrouwen in het archief dat we ook de toekomst bij voorbaat daar maar in opbergen.

Juist daarom vind ik het idee van ‘nooit gebouwd Friesland’ zo interessant. Hoe langer ik mij met die geschiedenis bezighoud, hoe minder ik geneigd ben al die onuitgevoerde plannen als mislukkingen te zien. Een monument dat nooit is gebouwd, een museum dat nooit kwam, een brug die er nooit kwam, een andere inrichting van het Zaailand: het zijn documenten van een moment waarop iemand zich een andere toekomst van Friesland kon voorstellen. Een ontwerp hoeft niet te worden uitgevoerd om betekenis te hebben. Het laat zien wat op een bepaald moment wel degelijk denkbaar was.

Daarom zouden we die oude plannen niet alleen als curiositeiten moeten bekijken. Neem het Zaailand. In de loop der jaren zijn daar allerlei toekomstbeelden overheen gelegd: een monument voor Vredeman de Vries, ontwerpen van buitenlandse architecten, plannen voor een podium en andere vormen van openbare ruimte. Sommige ideeën schopten het ver, andere verdwenen vrijwel geruisloos weer in de la. Uiteindelijk won altijd de werkelijkheid. De werkelijkheid heeft in Leeuwarden nu eenmaal een indrukwekkend arsenaal: begrotingen, bestemmingsplannen, grondposities en raadsbesluiten. Tegen zo’n tegenstander heeft een maquette het moeilijk. The sky is hier nooit the limit, maar doorgaans slechts een projectiescherm voor bij voorbaat vervlogen dromen.

Toch zou ik graag eens een soort toekomstig ‘Nooit gebouwd Friesland’willen zien. Niet alleen een tentoonstelling over wat vroeger niet is uitgevoerd, maar een verzameling ontwerpen voor Friesland in 2050 of 2060. Geen beleidsnota’s en geen haalbaarheidsonderzoeken, maar architecten, kunstenaars, stedenbouwkundigen en schrijvers die de vrijheid krijgen om Friesland opnieuw te tekenen. From scratch, zoals dat heet. Een nieuw stationsgebied van Leeuwarden. Een andere relatie tussen stad en water. Een nieuwe bestemming voor oude industrieterreinen. Een andere betekenis van de Wâldwei. Een complexe verbinding tussen Leeuwarden en het landschap die nu nog ondenkbaar lijkt.

En laat er vooral één ontwerp tussen zitten waarvan iedereen zegt dat het volstrekt krankzinnig is. Dat zou ik waarschijnlijk het boeiendste ontwerp vinden. Want een toekomst wordt pas echt interessant wanneer zij iets verder gaat dan wat vandaag al haalbaar lijkt. De Zuidas laat zien dat de stad die uiteindelijk wordt gebouwd nooit precies de stad is die ooit werd getekend. Het oorspronkelijke plan van Pi de Bruijn is geschiedenis geworden, maar het leeft voort in gewijzigde vorm. De A10 ligt er nog, maar moet onder de grond. Het station is er, maar wordt opnieuw uitgevonden. Het zakencentrum wordt geleidelijk aan een echte stadswijk.

Dat is ook een bruikbare gedachte voor Friesland. Wat kunnen we ons nu voorstellen dat helemaal nog niet op papier staat? Wie nu naar Friesland kijkt, ziet vooral het landschap zoals het geworden is. Maar daaronder liggen tientallen andere Frieslanden verborgen: het Friesland van de plannen, de schetsen, de maquettes en de nooit gebouwde dromen. Dat is geen verloren geschiedenis. Het is een voorraadkamer van mogelijkheden. En als iemand dan vraagt of het betaalbaar en politiek haalbaar is, kunnen we altijd nog naar het archief. Maar eerst even dromen onder het motto: The sky is the limit...

*

Zondag 20 september – Mijn lezing over: Vervlogen dromen in Friesland. Plaats: HCL. Start: 14.00 uur. Toegang: gratis. Opgave zie: de site van HCL.