
Ruimtelijke ordening was in Nederland van oudsher een taak van gemeente- en provinciebesturen. Maar na de Tweede Wereldoorlog kwam daar verandering in, een ontwikkeling die mede door de Duitse bezetting op gang was gekomen. De term Raumordnung was in het Duitsland van Hitler ontstaan en al in 1941 stelden de Duitse bezetters de Rijksdienst voor het Nationaal Plan in. Ook na de oorlog nam het Rijk de regie in handen als het ging om de indeling van de ruimte. Daarnaast kreeg elke provincie een planologische dienst. De overheid moest de indeling van de ruimte zelf gaan sturen en de wetgeving werd daarop afgestemd, bijvoorbeeld door de invoering Wederopbouwwet die in 1950 werd aangenomen en de Wet op de Ruimtelijke Ordening die in 1962 van kracht werd. Er ontstond een toenemende zorg over de concentratie in de Randstad die door de oververhitte economie dicht dreigde te groeien tot één grote stedelijke agglomeratie. De Rijksoverheid wilde die ontwikkeling in goede banen leiden en dat beleid is goed af te lezen in de opeenvolgende Nota’s Ruimtelijke Ordening die het Rijk in de naoorlogse periode het licht deed zien.
Dat scheef ik in mijn boek De Fries die in de toekomst sprong dat al weer tien jaar geleden verscheen. Van de week heb ik het nog eens doorgelezen met het oog op de lezing die ik vanmiddag mag houden in het HCL. Wie de nooit gebouwde plannen van Friesland bekijkt, kijkt eigenlijk naar de toekomst zoals die er vroeger uitzag. Dat is een merkwaardige ervaring. Ik heb de afgelopen dagen heel wat van die toekomstbeelden voorbij zien komen: nieuwe stadswijken, verkeersdoorbraken, culturele paleizen, musea aan het water, snelwegen die dwars door het landschap zouden lopen en pleinen die een omvang kregen alsof Leeuwarden op het punt stond Amsterdam in te halen. Op oude tekeningen ziet alles er bovendien verrassend overtuigend uit. De toekomst staat er al. Alleen moet hij nog even gebouwd worden. En juist daar ging het meestal mis.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Nederland een merkwaardige belangstelling voor de toekomst. De overheid begon zich er steeds nadrukkelijker mee te bemoeien. In 1960 verscheen de Eerste Nota inzake de ruimtelijke ordening. Nederland moest worden gespreid. De Randstad raakte te vol en het Noorden had nog ruimte. Dat leek een eenvoudig probleem met een eenvoudige oplossing. Als Amsterdam te veel mensen had, konden er misschien wat naar Friesland. Als daar vervolgens nieuwe fabrieken bij kwamen, zouden er vanzelf nieuwe woningen nodig zijn. En als er nieuwe woningen kwamen, moesten er wegen komen. En als er wegen kwamen, kwamen er weer mensen. Zo ongeveer werkte het denkmodel. Nederland als een enorme rekensom waarin de uitkomst van tevoren al op de kaart kon worden ingetekend.
Friesland kreeg in dat verhaal plotseling een andere status. Het was niet meer alleen de provincie van landbouw, schaatsen en mensen die de Randstad nogal ver weg vonden. Het werd een ontwikkelingsgebied. Leeuwarden, Drachten, Heerenveen en Sneek konden stedelijke centra worden in een nationaal systeem van groei en spreiding. Ik stel me de planologen van toen soms voor boven een enorme kaart van Nederland, met potloden in de hand. Hier een stad, daar een industriegebied, hier een recreatiegebied. Misschien nog een snelweg ertussen. En als er ergens een dorp in de weg lag, kon men daar altijd nog een streekplan overheen leggen. Het was de tijd waarin men geloofde dat je de toekomst kon organiseren zolang je maar over voldoende papier beschikte.
De Tweede Nota van 1966 maakte dat geloof nog sterker. Het sleutelwoord was ‘gebundelde deconcentratie’. Dat klinkt als iets wat alleen een planoloog kan bedenken, maar het betekende eigenlijk: wel spreiden, maar niet te veel. Groei moest worden geconcentreerd rond een aantal stedelijke kernen. Ook dat is typisch Nederlands. Zelfs de chaos moest netjes worden gebundeld. Voor Friesland was het een belangrijke gedachte. Leeuwarden en Drachten, maar ook Heerenveen en Sneek, konden profiteren van het idee dat Nederland niet alleen in het Westen gebouwd moest worden. Er ontstond ruimte voor grote plannen. Niet alleen voor wat de stad nodig had, maar vooral voor wat men dacht dat de stad later nodig zou hebben.
Want achter bijna iedere grote tekening uit die tijd zit een onzichtbare zin: straks wonen hier veel meer mensen. Dat stond natuurlijk niet altijd letterlijk op de tekening, maar je zag het aan de schaal ervan. Een plein werd groter, een weg breder, een gebouw monumentaler. De architect tekende niet alleen een gebouw. Hij tekende een verwachting. En hoe groter de verwachting, hoe groter het gebouw. Soms lijkt het alsof Friesland in die jaren te kapen had met een serieuze aanval van toekomst.
Drachten is misschien wel het mooiste voorbeeld. Een betrekkelijk kleine plaats kon uitgroeien tot een belangrijk industrieel en stedelijk centrum. Er kwamen bedrijven, woningen, wegen en voorzieningen. De groei moest worden gefaciliteerd voordat hij er was. Dat is achteraf gemakkelijk om vreemd te vinden, maar toen was het volkomen logisch. Als je ervan uitgaat dat de toekomst groter wordt, moet je groter bouwen. Het merkwaardige is alleen dat zo’n verwachting zichzelf ook kan gaan versterken. A self-fulfilling prophecy. Een nieuwe weg maakt groei mogelijk, groei maakt nieuwe woningen nodig, nieuwe woningen maken weer nieuwe wegen noodzakelijk. Voor je het weet heb je een toekomst gebouwd die zichzelf aan het bouwen is.
Ook Leeuwarden kreeg met dat optimisme te maken. De stad moest zich ontwikkelen tot een krachtig regionaal centrum. En dus ontstonden plannen die tegenwoordig bijna surrealistisch aandoen. Het Zaailand, het Wilhelminaplein, nieuwe verkeersstructuren, grote culturele voorzieningen: overal werd aan de stad getekend alsof Leeuwarden nog maar net aan zijn echte carrière moest beginnen. Ik vind vooral die plannen interessant die achteraf zo vreemd vertrouwd aandoen. Je herkent de plek, maar niet de toekomst die erop is geprojecteerd. Het is alsof je een oude foto van jezelf bekijkt waarop je een leven leidt dat je nooit hebt geleid.
Buiten de steden gebeurde hetzelfde. Neem het Lauwerszee-gebied. Toen de zee eenmaal was afgesloten, lag daar een enorm nieuw landschap dat nog alle kanten op kon. Landbouw, natuur, recreatie, waterstaat, defensie: iedereen had er wel een bestemming voor. De kaart werd een strijdtoneel van toekomstvisies. Het nieuwe gebied was nog niet eens goed en wel ontstaan of er waren al verschillende varianten van Friesland en Groningen overheen getekend. Ik vind dat misschien wel een van de mooiste eigenschappen van ruimtelijke ordening: zodra ergens ruimte ontstaat, ontstaat er onmiddellijk iemand die weet wat ermee moet gebeuren. Een planoloog is niet zozeer een planner van ruimte, maar een product daarvan.
Ook de Groene Ster bij Leeuwarden past mooi in dat verhaal. De moderne stad moest niet alleen woningen en wegen krijgen, maar ook recreatieruimte. De toekomstige burger moest kennelijk na zijn werk ergens kunnen ontspannen in een zorgvuldig ontworpen landschap. Zelfs de vrije tijd werd planologisch voorbereid. Achteraf bezien is dat een aandoenlijke gedachte. Men ontwierp een landschap voor mensen die nog geboren moesten worden, zodat die mensen later, wanneer ze eindelijk vrije tijd hadden, konden recreëren zoals het in het streekplan bedoeld was.
Maar toen begon de toekomst kuren te vertonen. In de jaren zeventig werd steeds duidelijker dat de werkelijkheid zich niet zomaar aan de prognoses hield. De economische situatie veranderde, de oliecrisis diende zich aan, bevolkingsverwachtingen werden bijgesteld en het geloof in de grootschalige maakbaarheid begon stilaan barsten te vertonen. De Derde Nota Ruimtelijke Ordening, waarvan de eerste delen vanaf 1973 verschenen, was daardoor veel minder zelfverzekerd. Het werd allemaal wat voorzichtiger. Niet meer één groot toekomstbeeld, maar voortdurend bijstellen, afwegen, beschermen, inspreken en opnieuw plannen. De toekomst was opeens niet meer zo goed te vertrouwen. Bij alles hield men een slag om de arm.
Voor Friesland kwam de klap duidelijk naar voren in de Verstedelijkingsnota van 1976. Leeuwarden wilde graag groeistad worden, maar kreeg die status niet. Groningen en Zwolle werden belangrijker geacht als nationale groeikernen. Vanuit Friesland werd daar natuurlijk tegen geprotesteerd. Achteraf bezien si dat ook wel begrijpelijk l. Eerst zegt Den Haag dat het Noorden moet groeien en wanneer Friesland vervolgens zegt: prima, waar kunnen we beginnen?, zegt Den Haag ineens: rustig aan. Leeuwarden mocht wel een belangrijke rol blijven spelen, en ook Drachten, Heerenveen en Sneek werden genoemd als plaatsen waar activiteiten konden worden gebundeld. Maar de grote droom van Leeuwarden als nationale groeistad was voorbij voordat hij goed en wel begonnen was.
Camminghaburen is vanuit die optiek achteraf bezien bijna een archeologische vindplaats. De wijk werd gerealiseerd in de overgang tussen twee verschillende toekomstbeelden. Aan de ene kant nog de grote naoorlogse overtuiging dat de stad zou groeien, en dat je daar ruimte voor moest maken. Aan de andere kant al het besef dat groei niet oneindig kon zijn, en dat het Rijk selectiever moest worden. Je zou kunnen zeggen dat Camminghaburen gebouwd werd op het moment dat de Nederlandse planologie langzaam haar geloof in de toekomst verloor. Dat klinkt zwaar, maar het heeft ook iets komisch. Je kunt een wijk tenslotte moeilijk alvast kleiner bouwen omdat de prognose misschien gaat tegenvallen.
En dan komen de plannen die mij misschien nog het meest intrigeren: de culturele dromen. Het museum voor moderne kunst dat Thom Mercuur samen met Aldo van Eyck voor het Tjeukemeer voor ogen had, is daar een prachtig voorbeeld van. Zo’n plan kwam niet rechtstreeks uit een Rijksnota, maar het kon wel ontstaan in het klimaat dat door die naoorlogse ruimtelijke ordening was geschapen. Friesland dacht na over nieuwe functies voor landschap, recreatie en cultuur. Waarom zou moderne kunst eigenlijk in een stad moeten staan? Waarom niet aan een meer? Waarom geen museum dat bijna uit het landschap lijkt op te stijgen? Zodra je zo begint te denken, ben je eigenlijk alweer aan het dromen.
En de droom verandert dan ook van karakter. In de jaren zestig was de vraag vooral: hoe maken we Friesland groter, moderner en economisch sterker? Later wordt de vraag steeds meer: hoe maken we Friesland bijzonder? Dat is een heel andere ambitie. Als Friesland niet de Randstad kan worden, hoeft het dat misschien ook niet te worden. Dan kunnen we net zo goed iets verzinnen wat de Randstad niet heeft. Een museum aan het Tjeukemeer bijvoorbeeld. Of een cultureel landschap. Of een stad waarin historische structuren en moderne architectuur elkaar ontmoeten. De grote economische droom maakt plaats voor een culturele droom. Het luchtkasteel krijgt een andere verdieping.
Wanneer je al die plannen naast elkaar legt , krijg je daarom steeds minder de neiging om ze mislukkingen te noemen. Wat mij vooral treft, is dat achter al die plannen steeds een bepaald idee van de toekomst schuilgaat. De Rijksnota’s zijn daarom veel meer dan saaie overheidsstukken met lange titels en nog langere zinnen. Ze vormden het decor waarin Friesland zichzelf opnieuw begon uit te vinden. Eerst moest Friesland groeien. Daarna moest de groei worden gebundeld. Vervolgens moest de groei worden afgeremd en het landschap beschermd. En toen de grote groeidromen minder geloofwaardig werden, kwam er ruimte voor een andere droom: Friesland als cultureel en bijzonder landschap.
Daarom vind ik die oude plannen zo intrigerend. Ze laten niet alleen zien wat Friesland had kunnen worden. Ze laten zien wat mensen op een bepaald moment dachten dat Friesland echt zou worden. Dat verschil is misschien wel belangrijker. Iedere generatie woont tenslotte in het heden, maar leeft ook een beetje in de toekomst die zij zichzelf heeft voorgesteld. Soms wordt die toekomst werkelijkheid. Soms wordt ze een ruïne. En soms bestaat ze alleen nog op een vergeelde tekening in een archiefdoos. Wie vandaag door Friesland rijdt, ziet dus niet alleen wat er gebouwd is. Onder het asfalt, tussen de huizen en achter de bestaande gevels liggen talloze andere Frieslanden verborgen. Maar al die andere Frieslanden gaan ook schuil in de eeuwigdurende toekomst. En hoe je het ook wendt of keert... the future is now!
*
Hedenmiddag 20 september – Mijn lezing over: Vervlogen dromen in Friesland. Plaats: HCL. Start: 14.00 uur. Toegang: gratis. Opgave zie: de site van HCL.