Friesland tussen hoop en vrees

Toen ik mij de afgelopen tijd bezighield met al die plannen die in Friesland ooit zijn gemaakt en die uiteindelijk niet zijn gebouwd, begon mij iets op te vallen. Aanvankelijk leek het vooral te gaan om architectuur. Om gebouwen die op tekentafels waren verschenen, maquettes die ooit ergens op een vergadertafel hadden gestaan, stedenbouwkundige plannen die met veel enthousiasme waren gepresenteerd en daarna ergens in een la waren verdwenen. Een Friesland dat had kunnen bestaan, maar dat nooit werkelijkheid werd. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik het gevoel krijg dat het verhaal eigenlijk veel groter is. Achter al die nooit gebouwde gebouwen schuilt een ander verhaal, het verhaal van een Friesland dat na de oorlog zelf aan het veranderen was. Misschien waren die gebouwen slechts de zichtbare dromen van een veel omvangrijker verlangen: de droom om Friesland te moderniseren zonder het te verliezen.

De econoom J.H. Zoon publiceerde in 1969 zijn dissertatie Friesland tussen hoop en vrees over de industrialisatie van Friesland in de periode 1950-1964. Daarin heeft hij een beslissend omslagpunt aangewezen. In 1964 waren er voor het eerst in Friesland meer mensen werkzaam in de industrie en aanverwante sectoren dan in de agrarische sector. Het is maar één statistisch gegeven, maar soms kan een getal een heel landschap veranderen. Vanaf dat moment was Friesland economisch niet meer in de eerste plaats een boerenprovincie. Dat betekende natuurlijk niet dat de koeien onmiddellijk hun biezen pakten en dat de weilanden werden volgebouwd met fabrieken. Zo snel gaat geschiedenis gelukkig niet. Maar onder het oppervlak had zich wel degelijk iets fundamenteels voltrokken. De economische structuur van Friesland was veranderd en daarmee veranderde ook de samenleving die bij die structuur hoorde.

De industrialisatie was na de oorlog niet zomaar een autonoom proces. Rijk en provincie wilden haar nadrukkelijk bevorderen. Friesland moest uit zijn economische achterstand worden gehaald. Er moesten arbeidsplaatsen komen, zodat jonge Friezen niet allemaal naar de Randstad hoefden te vertrekken. Er moest een moderne economie ontstaan, met industrie, infrastructuur, woningbouw en betere verbindingen. De toekomst lag niet meer vanzelfsprekend op de boerderij. De toekomst lag in de fabriek, op kantoor, in de nieuwe woonwijk en misschien ook wel in de auto waarmee men daar naartoe kon rijden. Het oude Friesland moest worden opgetild naar een modern niveau. Dat was geen nostalgische droom, maar een tamelijk rationeel ontwikkelingsprogramma. Alleen heeft de geschiedenis de eigenaardige gewoonte dat rationele programma’s vaak irrationele bijwerkingen hebben.

Want terwijl Friesland economisch werd gemoderniseerd, veranderde ook de manier waarop Friezen naar hun eigen omgeving keken. De oude tegenstelling tussen stad en platteland begon langzaam te vervagen. De boer werd stedelijker en de stedeling kreeg belangstelling voor het platteland. Mensen gingen wonen op plaatsen waar zij vroeger alleen kwamen om koeien te melken, wandelen of schaatsen. De stad groeide naar buiten en het platteland werd naar binnen gezogen. Er ontstond een merkwaardige tussenvorm die noch helemaal stad noch helemaal platteland was. Zoon spreekt in dit verband over een proces van demografische en mentale verstedelijking. Dat vind ik een veel interessanter begrip dan alleen maar ‘industrialisatie’. Het gaat immers niet alleen om waar mensen werken, maar ook om hoe zij wonen, denken, kijken en verlangen.

Het Friese landschap kreeg daardoor geleidelijk iets van een parklandschap. Dat klinkt vriendelijker dan het misschien is. Een park is immers natuur die al enigszins door mensen is bedacht. Er zijn paden, zichtlijnen, parkeerplaatsen en plekken waar je geacht wordt van het uitzicht te genieten. Het Friese landschap bleef natuurlijk grotendeels hetzelfde landschap, maar de betekenis ervan veranderde. Het was niet meer uitsluitend productieruimte voor boeren. Het werd tegelijk woonomgeving, recreatiegebied, decor en identiteitsdrager. Men wilde er wonen, werken, fietsen, varen en naar kijken. Het landschap werd steeds meer iets wat men wilde behouden juist omdat het veranderde.

Daar zit een merkwaardige paradox in. De modernisering van Friesland bracht niet alleen het einde van het oude Friesland dichterbij, maar ook een sterkere behoefte om dat oude Friesland als identiteit vast te houden. De cultuur van de boer en die van de stedeling begonnen in elkaar over te lopen. Er ontstond een soort culturele osmose. Het was niet meer zo eenvoudig om te zeggen waar het ene Friesland ophield en het andere begon. Misschien was dat ook de reden waarom de taal steeds belangrijker werd. Wanneer het landschap, de beroepen, de sociale verhoudingen en de manier van leven allemaal veranderen, blijft er altijd nog één ding over waarvan men kan zeggen: dit is van ons. Het Fries werd zo niet alleen een taal, maar ook een bewijsstuk.

Ik moet daarbij denken aan de merkwaardige positie van de Friese identiteit in de tweede helft van de twintigste eeuw. Juist toen Friesland steeds meer op Nederland begon te lijken, werd het noodzakelijker om te benadrukken waarin Friesland van Nederland verschilde. De industrie kwam, de televisie kwam, de auto kwam, de bungalow kwam, de supermarkt kwam en uiteindelijk ook de uniforme architectuur van de wederopbouw. Maar de Friese vlag bleef wapperen. Misschien was dat helemaal geen tegenstelling. Misschien werkt identiteit juist zo. Zij wordt het sterkst op het moment dat zij niet meer vanzelf spreekt.

De televisie heeft in dit proces waarschijnlijk meer gedaan dan menig fabriek. De industrie veranderde de economie, maar de televisie veranderde de verbeelding. ’s Avonds keek men in een Friese huiskamer naar dezelfde programma’s als in Amsterdam, Rotterdam of Eindhoven. De wereld kwam de woonkamer binnen zonder dat daar een nieuwe weg voor hoefde te worden aangelegd. De mentale verstedelijking kon daardoor sneller gaan dan de fysieke. Je kon midden in een weiland wonen en toch iedere avond deelnemen aan dezelfde nationale werkelijkheid. Het is een wonderlijk soort ontworteling: je hoeft nergens heen om ergens anders te belanden.

Toch heeft de industrialisatie het Friese landschap uiteindelijk veel minder ingrijpend veranderd dan in sommige andere delen van Nederland. Er kwam geen Rijnmond-achtige industriële gordel. Friesland werd geen provincie van rokende schoorstenen, raffinaderijen en eindeloze betonvlakten. De grote moderniseringsdroom bleef hier betrekkelijk bescheiden van schaal. Misschien is dat ook een van de redenen waarom wij achteraf zo gemakkelijk denken dat het Friese landschap altijd hetzelfde is gebleven. Wie vanuit de trein naar buiten kijkt, ziet weilanden, sloten, boerderijen en kerktorens en denkt: Friesland. Maar onder dat ogenschijnlijk onveranderde landschap heeft zich een complete maatschappelijke metamorfose voltrokken.

Ook de woningbouw vertelt dat verhaal. Na de oorlog moest er worden gebouwd en vooral in de steden kwamen nieuwe woonwijken van de grond. Flats voor de gewone woningzoekende, maar daarnaast ook nieuwe woonvormen voor mensen die het iets ruimer konden zoeken. Aan de randen van de stad en zelfs midden in het landschap verschenen bungalows. Het bungalowpark Woelwijk bij Tietjerk is daarvan een mooi voorbeeld. Ook It Merkelân bij Beetsterzwaag hoort in dat verhaal thuis. Heerenveen zocht ruimte aan de rand van Oranjewoud en Leeuwarden breidde zich naar noord en zuid uit. Het waren geen futuristische megaprojecten. Juist daarom zijn ze zo interessant. Zij laten zien hoe de moderne mens zijn ideale woonomgeving voor zich zag: modern genoeg om niet ouderwets te zijn, landelijk genoeg om niet in de stad te hoeven wonen.

De bungalow is in dat opzicht bijna een monument van de naoorlogse dubbelzinnigheid. Men wilde vooruit, maar liefst met uitzicht op het verleden. Men wilde modern wonen, maar niet noodzakelijk stedelijk wonen. Men wilde comfort en privacy, maar ook bomen en weilanden. De natuur moest behouden blijven, mits zij bereikbaar was via een oprit en liefst voorzien van een parkeerplaats. De moderne mens had het platteland ontdekt als woonkwaliteit. Daarmee werd het platteland langzaam iets anders dan het ooit was geweest. De boer verdween niet onmiddellijk, maar hij kreeg wel nieuwe buren.

En op dat punt begint voor mij de betekenis van Nooit gebouwd Friesland een andere dimensie te krijgen. Het gaat dan niet meer uitsluitend om de vraag welke gebouwen er niet zijn gekomen. Het gaat om de toekomstbeelden die achter die plannen schuilgingen. Wat voor Friesland dacht men na 1945 eigenlijk te gaan bouwen? Een moderne provincie, zonder twijfel. Een economisch zelfstandige provincie, met goede verbindingen, nieuwe stedenbouw en een behoorlijk voorzieningenniveau. Maar tegelijkertijd moest het een herkenbaar Friesland blijven. Men wilde moderniteit zonder vervreemding, vooruitgang zonder verlies, groei zonder vernietiging van het landschap. Dat is een nogal ambitieuze combinatie. Je kunt ook zeggen: dat is een spagaat.

Misschien moeten we met dat perspectief voor ogen een ander onderscheid maken tussen wat nooit is gebouwd en wat wel is gebouwd. De nooit gebouwde projecten zijn in zekere zin de dromen die zijn mislukt. Maar de werkelijk gebouwde projecten vertellen een ander verhaal. Zij laten zien wat er van die dromen terechtkwam toen ze eenmaal door de werkelijkheid waren gehaald. Een nieuwe weg blijkt niet alleen een verbinding, maar brengt ook verkeer. Een nieuwe woonwijk brengt niet alleen woningen, maar ook een andere bevolking. Een industrieterrein brengt werkgelegenheid, maar verandert ook de verhouding tussen stad en landschap. Een bungalowpark brengt vrijheid en comfort, maar maakt het landschap tegelijk tot woondecor.

Het lijkt mij daarom te eenvoudig om Nooit gebouwd Friesland te beschouwen als een verzameling gemiste kansen. Een nooit gebouwd gebouw heeft geen geschiedenis van verval. Het kan zelfs mooier worden naarmate het langer op papier blijft bestaan. De werkelijkheid daarentegen is meedogenloos. Zij maakt van een droom een gebouw, van een gebouw een wijk en van een wijk uiteindelijk iets waar niemand meer over nadenkt. Misschien is dat wel de tragiek van de gerealiseerde utopie: zodra zij werkelijkheid wordt, valt zij nauwelijks nog als utopie te herkennen.

Wat mij bij dit alles vooral treft, is dat de modernisering van Friesland zelf ook een soort nooit voltooid bouwplan is geweest. Men heeft voortdurend geprobeerd Friesland opnieuw uit te vinden. Soms door industrie, soms door infrastructuur, soms door architectuur en soms ook alleen door de illusies van de cultuurpolitiek. Maar geen enkel plan kon voorkomen dat Friesland ondertussen ook gewoon verder veranderde. De schaalvergroting en mechanisering in de landbouw zorgden ervoor dat arbeidskrachten overbodig werden. De industrie ving een deel van die bevolking op. De steden groeiden. De dorpen veranderden. De televisie veranderde het wereldbeeld. De auto veranderde de afstanden. En het landschap bleef ogenschijnlijk hetzelfde terwijl de mensen die erin woonden steeds minder dezelfde mensen waren.

Dat is de kern in de betekenis van ‘vervlogen dromen’. Een droom hoeft namelijk niet noodzakelijk te mislukken om te vervliegen. Soms komt hij uit, maar anders dan gedacht of ingehaald door een andere droom. En soms blijkt pas achteraf dat het object van de droom helemaal niet gebouwd kon worden omdat het eigenlijk een verlangen was naar iets wat ¨überhaupt niet te bouwen valt. Een samenleving kan een fabriek bouwen, een woonwijk, een weg of een museum. Maar zij kan geen cultuur bouwen die onveranderd blijft, ook al zou zij dat nog zo graag willen

Daarom zou ik het verhaal van de nooit gebouwde architectuur primair in verband willen brengen met het Friesland dat in de jaren vijftig en zestig zelf op de tekentafel lag. De grote plannen voor een modern Friesland waren uiteindelijk niet minder utopisch dan de gebouwen die nooit van de grond kwamen. Zij waren gebaseerd op het geloof dat je met voldoende planning een samenleving een bepaalde richting op kunt sturen. Dat geloof was in die tijd heel begrijpelijk. Er moest immers veel worden ingehaald. Maar iedere ingreep bracht weer nieuwe veranderingen voort die niemand helemaal kon voorzien.

Zo bezien vormen de nooit gebouwde projecten geen voetnoten bij de geschiedenis van Friesland, maar spiegels ervan. Zij tonen de toekomst zoals men die zich ooit voorstelde. De gebouwde werkelijkheid toont vervolgens hoe weerbarstig die toekomst bleek te zijn. Tussen beide ligt het Friesland waarin wij nu leven: geen puur agrarisch Friesland meer, maar ook geen volledig verstedelijkt Friesland; geen museum van het verleden, maar evenmin een provincie die zich zonder meer heeft opgelost in Nederland. Eerder een merkwaardige mengvorm, precies zoals Zoon die beschreef.

Dat isn ook de reden waarom het tijdgebonden idee van een ‘parklandschap’ mij blijft intrigeren. Het klinkt bijna als een compliment. Friesland als een uitgestrekt park, waarin stad en land harmonieus in elkaar overlopen. Maar een park is ook een landschap dat ooit door iemand is ingericht. Er is een ontwerp aan voorafgegaan, een idee van wat mooi, nuttig en wenselijk is. In die zin is heel Friesland na 1945 steeds meer een ontwerp geworden. Niet één ontwerp, maar een opeenstapeling van plannen, verwachtingen, vergissingen, dromen en toevalligheden.

En ergens tussen al die plannen staat dan het Friesland dat nooit gebouwd is. Niet als een verloren paradijs, want ook dat zou weer te romantisch zijn, maar als een verzameling mogelijkheden die ooit werkelijk hebben bestaan. Een andere stad, een ander landschap, een andere architectuur, misschien zelfs een andere verhouding tussen stad en platteland. De maquettes en tekeningen zijn de fossielen van die mogelijke toekomst die nooit heeft plaatsgevonden. Of nóg nooit heeft plaatsgevonden

Daarom zou ik de titel Vervlogen dromen in Friesland uiteindelijk niet alleen willen laten slaan op gebouwen die nooit gerealiseerd zijn. Het gaat mij om iets dat veel ongrijpbaarder is: het Friesland dat men dacht te kunnen maken. Een Friesland dat modern en welvarend zou worden, maar ook herkenbaar en eigen zou blijven. Een Friesland waarin de industrie voor werk zou zorgen zonder het landschap te veranderen, waarin de steden konden groeien zonder het platteland te verdringen, waarin men modern kon wonen zonder werkelijk stedeling te worden. Het is een prachtige droom. Misschien zelfs een typisch Friese droom. Want uiteindelijk wilde men het onmogelijke: vooruitgang zonder afscheid te nemen. Dat is een spagaat waarvan de pijn nog altijd voelbaar is.

*

Zondag 20 september – Mijn lezing over: Vervlogen dromen in Friesland. Plaats: HCL. Start: 14.00 uur. Toegang: gratis. Opgave zie: de site van HCL.