
Een AI-simulatie van het plan van Hans Heijdeman uit 1994
Spanjaardslaan
Al had je er ook verder niets te zoeken
het loonde wel naar Leeuwarden te gaan
alleen om de begraafplaats te bezoeken
de dodenakkers aan de SpanjaardslaanAchter het hek met schedels op de hoeken
en het pedante middeleeuws vermaan
verzakte zerken, zuilen, stenen boeken,
steun zoekende tegen elkander aanDe meeste teksten zijn niet meer te lezen
maar alles is je blindelings bekend
wat ik nu ben zul jij ook eenmaal wezen
zoals ik eenmaal was wat jij nu bentDoch al die dood wordt door een eeuwig leven
zacht ruisend overgroeid en overgroend
zozeer, dat wie hier rondgaat zich weer even
zelfs met het onverzoenlijke verzoent.
Zo luidt het gedicht Spanjaardslaan van Jean-Pierre Rawie, dat bij de ingang van de begraafplaats aan het einde van de Spanjaardslaan in Leeuwarden te lezen is. Ik ben er deze week nog even langs gelopen, op weg naar het dodenhuisje op de begraafplaats. Niet om een opgebaarde dode te bekijken, maar om een vervlogen droom op het spoor te komen. Toch is het moeilijk om op zo’n plek niet even aan de dood te denken. Je loopt langs de graven, leest de namen en data, en voor je het weet loop je daar niet meer alleen over een begraafplaats, maar ook een beetje door de literatuur.
Ik moest denken aan Hamlet en Horatio, die in Shakespeare’s toneelstuk eveneens over een begraafplaats wandelen. Ook zij zijn daar vooral bezig met de dood en de vergankelijkheid van het menselijk bestaan. Hamlet raakt in gesprek met de grafdelver, die zijn werk op een merkwaardig luchtige en ironische manier verricht. Hij gooit schedels uit het graf en vertelt ondertussen allerlei grappen over de doden. Het is alsof de dood hem niet meer kan verbazen, juist omdat hij er iedere dag mee te maken heeft.
Dan neemt Hamlet een van de schedels op. Daarin herkent hij – zo zegt hij althans – de schedel van Yorick, de hofnar die Hamlet als kind heeft gekend. Op dat moment valt alles even samen: koning en nar, rijk en arm, levend en dood eindigen uiteindelijk allemaal als botten in de grond. Kort daarna komt de begrafenisstoet van Ophelia voorbij. Hamlet begrijpt pas dan dat het om haar begrafenis gaat. Hij treedt naar voren en raakt verwikkeld in een confrontatie met Laertes, Ophelia’s broer, die zich wanhopig in haar graf werpt. Hamlet verklaart vervolgens dat hij meer van Ophelia heeft gehouden dan Laertes ooit kan bevatten.
Zo’n begraafplaats is dus nooit alleen een plaats waar de doden liggen. Er spoken ook ideeën rond. Dat bleek althans bij mijn eigen zoektocht naar het dodenhuisje aan de Spanjaardslaan. De werkelijke reden voor die zoektocht behoeft enige nadere toelichting. Bij de voorbereiding van mijn lezing Vervlogen dromen in Friesland stuitte ik op de Schatkamer. Niet op een echte schatkamer, althans niet een met een zware deur en een sleutelbos, maar op de Schatkamer van Beeld & Geluid. Sinds mei 2026 is dit een gratis online toegangspoort tot het audiovisuele archief van het Nederlands Instituut voor Beeld & Geluid.
Honderdduizenden radio- en televisieprogramma’s zijn daar te bekijken en te beluisteren. Het materiaal loopt grofweg van 1920 tot 2020, naast oudere collecties zoals Polygoon. Je kunt zoeken op personen, programma’s, onderwerpen, omroepen en jaartallen. Er zijn ook amateurfilms, animaties en ander historisch filmmateriaal te vinden. Gratis bovendien en zonder reclame. De collectie wordt voortdurend uitgebreid. Het is een merkwaardige ervaring om zo door het verleden te kunnen lopen. Je hoeft geen grafsteen op te tillen. Een paar woorden in een zoekvenster zijn voldoende.
Dat vond ik bijzonder interessant. Ik zocht op Friesland en kreeg honderden resultaten. Oude stemmen en oude beelden, maar vooral oude ideeën die nooit gerealiseerd zijn. Tussen al die beelden van het verleden vond ik ook iets dat rechtstreeks naar mijn eigen onderwerp leek te wijzen: een aflevering van het VPRO-radioprogramma Michelangelo van 20 juli 1994. Bijna een uur lang werd de toenmalige stadsarchitect van Leeuwarden, Hans Heijdeman, geïnterviewd. Het ging over zijn vak, over de problemen die een stadsarchitect tegenkomt en vooral over het merkwaardige keurslijf waarin iemand terechtkomt die geacht wordt de stad vorm te geven. Er ontspint zich een boeiend gesprek dat af en toe onderbroken wordt door minimalmusic van Philip Glass.
Aan het slot van het programma wandelen de interviewer en Heijdeman over de Leeuwarder begraafplaats aan het einde van de Spanjaardslaan. Zoals gezegd, daar staat een merkwaardig gebouwtje. Het is klein, neoclassicistisch en eigenlijk nauwelijks een gebouw te noemen. Ooit was het een dodenhuisje, een plaats waar de doden even konden wachten voordat ze definitief aan het zicht werden onttrokken. Nu staat het er nog altijd, alsof het zelf een beetje is blijven wachten. En juist daar vertelt Heijdeman over een ander leven dat het gebouwtje zou kunnen krijgen.
Volgens hem zou hier een Leeuwarder centrum voor architectuur moeten komen. Een ruimte voor architectuur in een gebouwtje dat zelf zijn oorspronkelijke functie allang had verloren. Het is bijna te mooi om waar te zijn. Een dodenhuisje dat een huis voor architectuur moest worden. De doden zouden er plaatsmaken voor maquettes, tekeningen, lezingen en nieuwe plannen. Het gebouw zou daarmee niet zozeer van functie veranderen, het zou een anjer soort droom worden, niet over wat voorgoed voorbij was, maar over alles wat ng zou kunnen komen als het nog ongebouwde Leeuwarden
Ik ben het verhaal vervolgens gaan natrekken. Het gebouwtje waarover Heijdeman sprak is inderdaad het lijken- en schijndodenhuis aan de Spanjaardslaan 74. Schijndoden waren doden waarvan men nog niet helemaal zeker was dat ze voorgoed uit het land der levenden vertrokken waren. Het gebouwtje werd ontworpen door Thomas Romein in 1874. Pas op 21 juli 1998 werd het als rijksmonument ingeschreven. In december 1993 verscheen Stichting Bouw/Kunst Leeuwarden, waarvan Hans Heijdeman voorzitter was, in het landelijke tijdschrift Architectuur Lokaal, in een overzicht van lokale architectuurcentra in Nederland. De stichting organiseerde onder meer de Nacht van de Architectuur. Bij de zesde editie, in 1993, kwamen in het in aanbouw zijnde stadskantoor maar liefst 1200 bezoekers opdagen.
In 1998 werd de organisatie aangeduid als Stichting De Bouw/Kunst – Fries Architectuurcentrum. Het centrum kreeg subsidie voor een onderzoek naar de Friese architectuur vanaf 1940. Daarmee krijgt dat kleine gebouwtje aan de rand van de begraafplaats opeens een veel grotere omgeving. Het ging kennelijk niet alleen om de vraag waar een paar architecten hun lezingen en tentoonstellingen konden houden. Er was een bredere poging gaande om architectuur in Friesland een eigen publieke plaats te geven. De stad moest niet alleen worden gebouwd, maar er moest ook over de stad worden gesproken. En liefst op een plek die daar zelf een beetje vreemd voor was.
Misschien was het plan daarom helemaal niet zo vreemd als het aanvankelijk lijkt. Het gebouwtje lag aan de rand van de stad, letterlijk tussen de openbare ruimte en het terrein van de doden. Het was klein genoeg om bijna niets te kunnen bevatten en daardoor juist geschikt om iets nieuws te verbeelden. Een architectuurcentrum hoefde in die tijd misschien ook niet groot te zijn. Het kon een plek worden voor gesprekken, tentoonstellingen, lezingen, maquettes en plannen. De stad hoefde er niet werkelijk groter van te worden. Alleen het denken over de stad. Dat kon daar, tussen de bomen en de zerken, in een gebouwtje dat ooit voor de dood was bedoeld.
Volgens het idee van Hans Heijdeman bleef het oude stenen gebouwtje staan zoals het was, als een soort neoclassicistische kern waar de tijd niet helemaal vat op had gekregen. Daarboven of daaromheen verscheen een lichte glazen constructie, misschien zelfs een grote ronde koepel. Het dodenhuisje werd dan geen museumstuk, maar een nieuw middelpunt. Rondom bleef ruimte voor activiteiten op het terrein van de architectuur. Binnen en buiten zouden in elkaar overlopen. Het oude gebouw hoefde niet te verdwijnen om plaats te maken voor iets nieuws; het werd juist zichtbaar gehouden.
Het dodenhuisje zou worden wakker gekust als een soort Sneeuwwitje, zoals Heijdeman het fraai formuleerde. De doden beneden, de plannen erboven. En daartussen de stad, die intussen gewoon doorging met bouwen en breken. Soms bleef er van een plan alleen een tekening over. Soms een verhaal op een oude geluidsband. En soms een klein gebouwtje aan het einde van een laan, waar de architectuur nog altijd wacht op haar tweede leven.
Het VPRO-radio interview uit 1994 met Hans Heijdeman is terug te vinden : HIER.