Het is al weer acht jaar geleden dat ik een ik een mail stuurde naar Anna-Gaëlle Brault. Dat was op zichzelf niet zo bijzonder. Ik stuur wel vaker mails naar mensen die ik niet ken, meestal omdat ik ergens iets over gelezen heb wat mijn nieuwsgierigheid heeft gewekt. Maar deze keer was er iets vreemds aan de hand. Anna-Gaëlle Brault is een Franse journaliste die het programma Invitation au voyage verzorgde voor Arte-tv, en bezig was met een documentaire over Albert Camus in Amsterdam. Via enkele blogs die ik in de loop der jaren over Camus en Amsterdam heb geschreven, was ze bij mij terechtgekomen. Ze vroeg of ik belangstelling had voor haar project en of ik misschien iets kon bijdragen aan de inhoud van de documentaire. Zo’n verzoek komt niet iedere dag uit de lucht vallen. Zeker niet wanneer het onderwerp een boek betreft dat ik op mijn zeventiende las en dat sindsdien op de een of andere manier met mij is meegereisd.
Ik antwoordde haar dat de combinatie van Camus en Amsterdam mij onmiddellijk nieuwsgierig maakte. Ik vertelde dat ik in Amsterdam geboren ben en er dertig jaar heb gewoond. En ik schreef haar dat ik La chute voor het eerst las toen ik zeventien was. Dat laatste klinkt inmiddels als een gebeurtenis uit een ander leven, maar sommige boeken trekken zich niets aan van de kalender. Je leest ze op een bepaalde leeftijd en daarna blijven ze op je nachtkastje liggen. Soms verdwijnen ze jaren uit beeld, om plotseling weer op te duiken alsof ze alleen maar even de kamer hadden verlaten. La chute is voor mij zo’n boek. Ik heb het in mijn puberteit verslonden, erover geschreven, er later opnieuw over geschreven en ben het blijven herlezen. La chute est mon livre de chevet, schreef ik aan Anna-Gaëlle.
De volgende avond mailde ze opnieuw. Nu met veel meer vragen. Waarom was juist La chute mijn lievelingsboek? Wat vond ik van de manier waarop Camus Amsterdam beschrijft? En waarom vergeleek ik Albert Camus eigenlijk met Jacques Brel? De dag daarop zou ze mij opnieuw bellen. Ik was benieuwd wat er dan zou gebeuren. Het is wonderlijk hoe een boek dat je op je zeventiende las, tientallen jaren later ineens een telefoonverbinding tot stand kan brengen met een Franse journaliste die bezig is aan een documentaire voor Arte-tv. Alsof de tijd geen rechte lijn is, maar een soort kronkelende Amsterdamse gracht waarin oude verhalen af en toe weer boven komen drijven. Misschien is dat ook wel een passende metafoor voor La chute. Alles wat je dacht achter je gelaten te hebben, komt vroeg of laat weer langs.
Ik moest meteen denken aan een gebeurtenis van enige tijd daarvoor. De Leeuwarder advocaat Pieter Tuinman sprak mij eens aan omdat hij De val van Camus had gelezen en vervolgens was gaan googelen. Tot zijn verbazing ontdekte hij dat ik op mijn twaalfde jaar dat boek gelezen zou hebben. Ik moest hem teleurstellen. Ik was geen twaalf toen ik La chute las, maar zeventien. Toch had hij iets gevonden wat inderdaad bestond: een tekst die ik als jongen voor het schoolblad De Harpoen van het Sint Ignatius College had geschreven. Het was een persiflage op La chute. Het merkwaardige was dat ik die tekst zelf jarenlang kwijt ben geweest. Jaren later dook hij ineens weer op doordat een oud-ignatiaan hem, meer dan veertig jaar na dato, naar aanleiding van een blogbericht aan mij toestuurde. Een verloren tekst uit mijn jeugd kwam zo terug, precies zoals het hoort bij een boek over schuld, herinnering en terugkeer.
Ik las in die laatste schooljaren alles van Camus wat ik te pakken kon krijgen. De pest, De vreemdeling, De mythe van Sisyphus, Keer en tegenkeer, De mens in opstand en natuurlijk De val. Camus kwam mijn leven binnen op een moment waarop het denken nog geen vaste vorm had gekregen. Ik was zeventien en bevond mij in die wonderlijke leeftijd waarop je nog kunt geloven dat een boek de wereld kan verklaren. Misschien is dat ook waarom Camus zo’n diepe indruk op mij heeft gemaakt. Hij gaf geen eenvoudige antwoorden, maar hij nam de vragen serieus. Het absurde was bij hem geen intellectueel spelletje. Het zat dicht op de huid van het bestaan. Later heb ik daarover geschreven in een blog met de titel Camus als spiegelbeeld. Camus was niet alleen een schrijver die ik bewonderde. Hij werd, zonder dat ik dat toen besefte, een soort gesprekspartner.
En nu kwam er ineens een Franse journaliste langs die mij vroeg waarom dat ene boek mij zo is bijgebleven. Dat is misschien nog lastiger te beantwoorden dan de vraag waarom je van iemand houdt. Je kunt een lijst maken met eigenschappen, maar daarmee verklaar je niets. Ik zou kunnen zeggen dat La chute een briljante roman is over schuld, ijdelheid, zelfbedrog en de onmogelijkheid om nog werkelijk vrij te zijn wanneer er geen God meer is die uiteindelijk het laatste oordeel velt. Maar daarmee vertel ik nog niet waarom ik het boek op mijn zeventiende nodig had. Misschien begreep ik er toen nauwelijks iets van. Misschien was dat juist de bedoeling. Sommige boeken moet je eerst ondergaan voordat je ze kunt begrijpen. De betekenis komt later, soms tientallen jaren later, wanneer je ineens merkt dat je eigen leven zich als een voetnoot bij een oud boek begint te gedragen.
Dat geldt zeker voor de Amsterdamse wereld van La chute. Camus beschrijft Amsterdam niet als de stad van grachtenpanden, tulpen en keurige Hollandse gezelligheid. Zijn Amsterdam is vochtig, donker en moreel dubbelzinnig. Het zijn de concentrische grachten die aan de cirkels van de hel doen denken zoals Dante die beschreven heeft. In het midden van al die cirkels ligt de rosse buurt met zijn verleidelijk amalgaam van lichamelijke schoonheid en de bloemen van het kwaad. Het is het ideale decor voor de bekentenissen van Jean-Baptiste Clamence, de advocaat die bij de gedachte aan een traumatische ervaring in zijn leven, zichzelf schaamteloos begint te ontleden. Deze advocaat is een acteur geworden die met zijn eigen ziel te koop loopt.
Hij is een man die aanvankelijk dacht dat hij deugdzaam was, maar gaandeweg ontdekte dat zijn deugdzaamheid ook een vorm van ijdelheid kon zijn. Hij hielp anderen, maar genoot ondertussen van het beeld dat hij daarmee van zichzelf kon bevestigen. Hij was bescheiden, maar zelfs zijn bescheidenheid bleek een manier om boven anderen uit te stijgen. Het is een genadeloos mechanisme, een soort tegengesteld effect van de doelbewuste wilsintentie. Wie de schijn van morele voortreffelijkheid in de ogen van anderen nastreeft, schiet niet zelden tekort, als het acuut op een morele handeling aankomt. Fatsoenlijk ben je, of je bent het niet. En als je het fatsoen gaat nastreven om daarmee goede sier te maken, kom je wel eens bij het tegendeel uit. Vooral mensen met een links georiënteerde maatschappijvisie hebben daar nog al eens last van – maar dat is een ander verhaal.
Hoe dan ook. Zo ongeveer was het ook met deze advocaat vergaan. Als hij zichzelf daarna tot op het bot gaat ontleden, ontdekt hij uiteindelijk dat zelfs de deugd verdacht kan zijn. Misschien is dat ook de reden waarom Amsterdam zo’n geschikte stad voor Clamence was. De stad fungeert als een spiegel. Overdag kun je haar bewonderen, ’s nachts krijgt zij een andere gedaante. De grachten zijn mooi, maar het water is donker. Achter de ramen wordt naar je gekeken, terwijl jij denkt dat je degene bent die kijkt. Alles is zichtbaar en tegelijkertijd verborgen. Camus laat Clamence door die wereld dwalen alsof hij zich in een moreel doolhof bevindt. En ergens in dat doolhof staat een café dat inmiddels bijna mythische proporties heeft gekregen: Mexico City.., of misschien heette het in werkelijkheid toch anders. Zelfs daarover blijkt de geschiedenis niet helemaal betrouwbaar.
Ik heb zelf ooit geschreven over dit café waar Camus in 1954 gezeten zou hebben, vlak bij de Zeedijk. Een tijdje dacht ik dat café Mexico City op de Zeedijk zelf was gevestigd, zoals ook in de roman wordt aangegeven. Uit naspeuringen in het Amsterdamse Gemeentearchief bleek dat er een café met die naam zich op adres Warmoesstraat 91 heeft bevonden, vlak om de hoek van de Zeedijk.
Maar er is ook nog een andere versie van het verhaal. Willem van Toorn beschreef hoe de Camus-kenner Sem Dresden hem in Krasnapolsky toevertrouwde dat híj de Nederlandse geleerde was met wie Camus destijds in Amsterdam had gesproken. Sem Dresden (1914-2002) was literatuurwetenschapper en hoogleraar en onder meer de auteur van het boek Vervolging, vernietiging, literatuur, over de literaire verwerking van de Holocaust door de Joden. Zijn kennis van de Holocaust verklaart wellicht ook dat de hoofdpersoon in La chute het exacte aantal noemt van de Joden die in Amsterdam tijdens de oorlog zijn vermoord of weggevoerd: 75.000. Zo wordt een literair personage opeens een echte man en verandert een café in een getuigenis. De werkelijkheid begint zich te gedragen als fictie en omgekeerd.
Daar komt nog iets bij. In de herinnering aan dat café verschijnt ook Jacques Brel. Brel kwam later in Amsterdam en zou zich hebben laten inspireren door de stad die ook door Camus zo donker en zinnelijk werd beschreven. Zijn chanson Amsterdam heeft iets van dezelfde koortsachtige atmosfeer. Mannen, drank, vrouwen, de nabijen haven, begeerte en verval. Het is alsof Brel en Camus vanaf verschillende kanten dezelfde stad binnenlopen. Dat is de reden waarom ik die twee met elkaar ging vergelijken. Niet omdat Brel La chute letterlijk heeft vertaald in een chanson, maar omdat het Amsterdam dat zij beiden beschrijven een zekere verwantschap heeft. Het is niet de stad van de ansichtkaarten, maar een ruige stad die naar zichzelf kijkt en daar iets laat zien wat zij misschien liever niet aan de buitenwacht zou tonen.
Camus en Brel geven beiden een beschrijving van de rosse buurt, maar wel op verschillende wijze. Als Clamence samen met zijn gesprekspartner door de donkere stegen loopt en afscheid neemt voor de nacht, zegt hij het volgende: “Goedenacht. Wat zegt u? Wat die dames achter de ramen te betekenen hebben? Illusie mijnheer, illusie voor weinig geld. Die dames parfumeren zich met specerijen. Gaat u maar eens naar binnen . Zij doen de gordijnen wel dicht en de reis kan beginnen. Op het naakte lijf dalen de goden neer, de eilanden glijden als schimmen voorbij, de palmen in de wind lijken op en warrige haardos. Probeert u het eens. “
Brel verwoordt het minder subtiel als hij in zijn chanson Amsterdam de hier rondhangende zeelieden beschrijft. “Ze drinken op de gezondheid van de hoeren van Amsterdam, van Hamburg en van elders. Kortom, ze drinken op de vrouwen die hun mooie lichaam schenken, die hun deugd verkopen voor een gouden munt. En wanneer die zeelui genoeg hebben gedronken gooien ze hun gezicht naar de hemel, snuiten hun neus in de sterren en pissen, zoals ik mijn tranen vergiet, op de vrouwen die hen ontrouw zijn geweest.”
Het boek La chute gaat uiteindelijk niet alleen over Amsterdam en zelfs niet alleen over schuld. Het gaat over het onvermogen om jezelf nog als onschuldig te beschouwen wanneer de hemel leeg is. De oude christelijke structuur van zonde, berouw en vergeving is verdwenen, maar de behoefte aan een oordeel niet. Clamence wordt daarom een ‘boetedoend rechter’, maar dan wel zonder God. Hij bekent zijn eigen schuld, maar gebruikt die bekentenis tegelijkertijd om iedereen die naar hem luistert schuldig te verklaren. Dat is zijn uitweg. Als iedereen schuldig is, hoeft niemand zich nog werkelijk te schamen. De openbare biecht wordt een wapen. De nederigheid wordt een vorm van macht.
Dat idee is mij in de loop der jaren steeds meer gaan intrigeren. De moderne mens heeft de erfzonde afgeschaft, maar daarmee niet noodzakelijk het schuldgevoel. We geloven graag dat de mens maakbaar is, dat problemen opgelost kunnen worden en dat vooruitgang ons uiteindelijk zal bevrijden. Maar onder dat optimisme schuilt nog altijd een oude angst. Wat doen we met schuld wanneer er niemand meer is die die schuld uiteindelijk kan vergeven? Wat gebeurt er met rechtvaardigheid wanneer het Laatste Oordeel verdwenen is? Camus stelde die vragen kort na de oorlog, na Auschwitz, in een wereld waarin de oude zekerheden waren ingestort. La chute is daardoor veel meer dan een roman over een advocaat die in Amsterdam rondhangt. Het is een onderzoek naar de menselijke neiging om voortdurend zowel rechter als slachtoffer te zijn.
Zo komt een boek terug in mijn geheugen. Niet als een aangename herinnering, maar als een onverwachte gebeurtenis die nog altijd actueel is. Eerst was er een jongen van zeventien in Amsterdam die Camus las en dacht dat hij iets daarvan begreep. Daarna was er een verdwenen verhaal in een schoolblad. Vervolgens een oud-ignatiaan die na veertig jaar een exemplaar van dat schoolbad kreeg toegestuurd. Daarna een advocaat in Leeuwarden die ging googelen. op mij stuitte die als jongen La chute had gelzen. En tenslotte een Franse journaliste die voor Arte een documentaire over Camus in Amsterdam wilde makenen mij vroeg wat ik ervan vond. Alleen belden Anna-Gaëlle belde na haar laatste telefoontje niet meer terug. Onze wandeling door het Amsterdam van Camus en Brel heeft nooit plaats mogen vinden. Wat had ik graag – als Dante met zijn Beatrice – met haar afgedaald naar het inferno in het duistere hart van Amsterdam, op zoek naar Mexico City.
Maar het was misschien ook wel goed zo, want uiteindelijk vervaagt alles in de tijd: de boeken die je leest en de mensen die je ontmoet. Zelfs de grimassen en gebaren van Brel, zoals hij ooit vol overgave kon zingen over de zeelieden en de hoeren van Amsterdam – ze zijn verdwenen in de tijd. Om maar te zwijgen over de rimpels op het hoge voorhoofd van Camus. Wat overblijft is soms een gezicht dat heel even weer oplicht, om vervolgens opnieuw te verdwijnen in de nachtelijke stegen. In de rosse buurt van Amsterdam zongen die zeelieden ooit over de broeierige dromen die hen achtervolgden, ver weg op zee. Dat ruige hart van Amsterdam blijft nog altijd tot de verbeelding spreken, ook al bestaat haar zwarte romantiek allang niet meer.
