
“Ik heb de oorlog niet zozeer meegemaakt, ik bén de Tweede Wereldoorlog.”
Dat is een een bekende uitspraak van Harry Mulisch, wiens vader tijdens de oorlog collaboreerde, en wiens moeder Joods was. Wat gebeurde er met Mulisch in de eerste jaren na de oorlog? Het antwoord begint misschien op een onverwachte plaats: niet bij de literatuur, maar bij de esoterie.
De naoorlogse wereld lag in puin. Oude zekerheden waren verdwenen en voor veel jonge kunstenaars en denkers leek de vertrouwde werkelijkheid haar vanzelfsprekendheid te hebben verloren. Juist daardoor ontstond een honger naar andere vormen van kennis: naar alchemie, occultisme, mystiek en theorieën over verborgen wetmatigheden achter de zichtbare wereld.
In 1947 kwam de jonge Mulisch in aanraking met het werk van Pjotr Ouspensky. Hij las diens Een nieuw model van het heelal vrijwel in één adem uit. Het moet een overweldigende ervaring zijn geweest. Achter de chaos van de werkelijkheid zou een verborgen orde schuilgaan. Maar tegelijk bevatte deze esoterische wereldbeschouwing een verontrustende gedachte: de mens is misschien veel minder vrij dan hij denkt.
Bij Gurdjieff, de leermeester van Ouspensky, verschijnt het beeld van de mens als een soort mechanisch wezen. Wij denken dat we handelen, kiezen en beslissen, terwijl we misschien grotendeels reageren op krachten waarvan we ons nauwelijks bewust zijn. De mens is wakker, maar tegelijk slaapt hij. Hij is een machine die denkt dat hij geen machine is.
Die gedachte zou Mulisch niet meer loslaten.
En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Wat eerst een filosofische en esoterische theorie lijkt, krijgt bij de jonge schrijver een persoonlijke en ontregelende lading. Rond 1949 belandt Mulisch in een toestand waarin werkelijkheid, verbeelding en openbaring door elkaar beginnen te lopen. Hij spreekt later over een soort sterrenregen van inzichten. De ideeën die hij had gelezen, lijken zich niet langer buiten hem te bevinden. Ze dringen zijn eigen bewustzijn binnen.
Daar ontstaat een fascinerende paradox. Wat een totale psychische ontregeling had kunnen worden, wordt uiteindelijk de grondstof voor zijn schrijverschap. Mulisch weet zijn ervaringen niet alleen te ondergaan, maar ook om te zetten in taal. De waan wordt literatuur. De machine in zijn hoofd wordt een machine van het schrijven.
Zijn eerste roman, archibald strohalm, kan vanuit dat perspectief gelezen worden als een soort laboratorium. Achter het verhaal schuilen ideeën over bewustzijn, kosmos, magie, mechanisering en de vraag of de mens werkelijk meester is over zichzelf. De romanfiguur draagt als het ware iets mee wat de schrijver zelf niet rechtstreeks kon vertellen.
Maar daarmee houdt het verhaal niet op.
Jaren later, bij het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem, zou Mulisch opnieuw geconfronteerd worden met het beeld van de mens als machine. In Eichmann zag hij iets terug van de mechanische mens waarover hij in zijn jeugd bij Gurdjieff en Ouspensky had gelezen: een mens die functioneert binnen een systeem, uitvoert wat hem wordt opgedragen en steeds verder lijkt te verdwijnen achter de machinerie waarvan hij deel is geworden.
Vanaf dat moment krijgt het oude esoterische idee een geheel nieuwe betekenis. Het gaat niet meer alleen over de individuele mens, maar over de moderne beschaving zelf.
En misschien ligt daar ook de verrassende actualiteit van Mulisch. Want wat gebeurt er wanneer de machine niet langer alleen buiten ons staat, maar ook onze taal begint over te nemen? Wanneer een machine teksten kan produceren zonder zelf een menselijk bewustzijn te bezitten? Wanneer het schrijven steeds meer een proces wordt dat vanzelf lijkt te gaan?
Dan keert, ruim zeventig jaar later, een oude vraag terug.
Wie schrijft er eigenlijk wanneer de taal begint te schrijven?
Op woensdag 9 september vertel ik in Tresoar in Leeuwarden het verhaal achter De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose. Niet als een biografische reconstructie, maar als een zoektocht naar een merkwaardige onderstroom in Mulisch’ werk: van Ouspensky en Gurdjieff via de psychose en Archibald Strohalm naar de machinemens van de moderne tijd.
Een laatste uitnodiging dus. Wie wil weten wat er werkelijk gebeurde toen Mulisch’ waan en zijn schrijverschap elkaar raakten, is van harte welkom.
Woensdag 9 september – Tresoar, Leeuwarden. 20.00 uur, inloop vanaf 19.30 uur. Opgave: zie hier.