
Is Jim van Os de Jan Foudraine van deze tijd? Het is een vraag die zich bijna vanzelf opdringt na de laatste uitzending van Zomergasten. Van Os liet daarin een fragment zien van Jan Foudraine uit diens glorietijd, de jaren zeventig, toen de psychiatrie hevig ter discussie stond en de antipsychiatrie opkwam. Het was een mooi fragment, misschien ook wel een betekenisvolle keuze. Want wie tegenwoordig naar Foudraine kijkt, ziet niet alleen een psychiater die kritiek had op zijn vak, maar ook iemand die zelf het onderwerp van die geschiedenis werd. Wat gebeurt er eigenlijk wanneer een psychiater beroemd wordt? Wat gebeurt er in het hoofd van iemand die eerst patiënten probeert te begrijpen, vervolgens de psychiatrie gaat bekritiseren en ten slotte zelf een publiek figuur wordt? Wordt zo iemand een goeroe, een profeet, een publieke intellectueel of uiteindelijk gewoon een bestsellerauteur die geregeld in talkshows mag verschijnen?
Die vraag is misschien nog interessanter dan de vraag of Van Os inhoudelijk de opvolger van Foudraine is. Natuurlijk zijn de tijden veranderd. De psychiatrie van de jaren zestig en zeventig is niet meer de psychiatrie van nu. Ook de maatschappelijke context is totaal anders. Toch is er een opvallende overeenkomst. Zowel bij Foudraine als bij Van Os staat de ervaring van de patiënt centraal en wordt er afstand genomen van een psychiatrie die mensen te gemakkelijk reduceert tot een diagnose. Van Os heeft zich sterk gemaakt voor een psychiatrie waarin de psychose niet uitsluitend als een hersenziekte wordt beschouwd, maar ook als een menselijke ervaring die begrepen moet worden vanuit de persoon en diens levensverhaal. Juist daarom is het veelzeggend dat hij in Zomergasten uitgerekend Foudraine tevoorschijn haalt. Het lijkt bijna alsof hij daarmee een voorganger aanwijst.
Foudraine was in zekere zin al een publieke figuur voordat hij werkelijk beroemd werd. Na zijn terugkeer uit de Verenigde Staten in 1965 werkte hij tweeënhalf jaar als chef de clinique van het psychotherapeutisch centrum van Stichting Veluweland in Ederveen. In Amerika had hij viereneenhalf jaar gewerkt en tegelijkertijd een opleiding tot psychoanalyticus gevolgd. In Ederveen begon hij te schrijven aan het boek dat later Wie is van hout… zou heten. Zelf beschreef hij het bijna terloops: hij had het manuscript na afloop in de kelder gegooid en haalde het er twee jaar later weer uit met de gedachte: waarom eigenlijk niet?
Dat ‘waarom eigenlijk niet?’ zou grote gevolgen hebben. Wie is van hout… verscheen in 1971 en werd een explosieve bestseller. Er werden in Nederland ongeveer 200.000 exemplaren van verkocht. Foudraine werd in één klap een nationale bekendheid en het gezicht van een nieuwe manier van denken over psychiatrie. Het boek was geen gewoon psychiatrisch handboek. Het was een persoonlijk verslag, een aanklacht en een poging om de werkelijkheid van mensen die als schizofreen werden aangeduid van binnenuit te begrijpen. Foudraine keerde zich tegen het gemak waarmee mensen tot ziektebeelden werden gereduceerd. Wie was er eigenlijk gek, vroeg hij zich af: de patiënt die beweerde van hout te zijn, of de psychiater die niet meer kon zien dat hij tegenover een mens zat?
Daarmee raakte Foudraine de zenuw van zijn tijd. Er was volgens velen iets grondig mis in de maatschappij, en misschien was de psychiatrische patiënt daar niet zozeer de oorzaak als wel het symptoom van. R.D. Laing had een vergelijkbare gedachte uitgesproken. In The politics of experience (1967) schreef hij: ‘Something is wrong somewhere, but it can no longer be seen exclusively or even primarily ‘in’ the diagnosed patient. Nor is it a matter of laying the blame at anyone’s door’. De psychiatrische patiënt werd zo een spiegel waarin de samenleving zichzelf kon herkennen. Het was een radicale omkering. Niet langer stond de vraag centraal: wat mankeert deze patiënt? De vraag werd: wat zegt deze patiënt over ons?
Maar met die omkering ontstond ook een nieuw probleem. Zodra de psychiater degene wordt die onthult dat de psychiatrie zelf gevangen zit in een waan van macht, krijgt hij gemakkelijk een nieuwe vorm van charismatische autoriteit. De man die zegt dat autoriteiten niet te vertrouwen zijn, kan zo zelf een autoriteit worden. De psychiater die de deskundigheid van de psychiater relativeert, wordt vervolgens de deskundige die ons vertelt hoe we de psychiatrie moeten begrijpen. De criticus van het systeem kan uitgroeien tot het nieuwe gezicht van het systeem. Dat is misschien wel de paradox die in het verhaal van Foudraine het meest intrigeert.
Het succes van Wie is van hout… moet enorm zijn geweest. In een terugblik vertelde Foudraine dat het succes kwam op een moment dat hij alleen was, zonder gezin, met weinig vrienden en weinig groepssteun. Dat enorme succes kwam als het ware op hem af. Dat is een opmerkelijke bekentenis. Want beroemd worden is niet alleen een kwestie van meer erkenning krijgen. Het verandert ook de verhouding die iemand tot zichzelf heeft. De stem die eerst uit een persoonlijke overtuiging sprak, krijgt plotseling een publiek. Mensen gaannaar je luisteren. Journalisten bellen om een interview. Uitgevers willen nieuwe boeken. Televisieprogramma’s willen een optreden. De schrijver wordt een representant van een beweging. En voor je het weet ben je niet meer alleen iemand die iets zegt, maar iemand van wie men verwacht dat hij iets te zeggen hééft.
Daar begint het scenario waarover in een psychiatrische opleiding waarschijnlijk weinig wordt gesproken. Een jonge psychiater leert hoe hij een patiënt moet diagnosticeren, hoe hij een gesprek moet voeren, hoe hij wetenschappelijke literatuur moet beoordelen en hoe hij verantwoord moet omgaan met macht en afhankelijkheid. Maar wat leert hij over de macht die ontstaat wanneer hij zelf een publieke figuur wordt? Wat gebeurt er wanneer duizenden mensen zijn boeken gaan lezen Hoe bewaak je dan de grens tussen deskundigheid en charisma? Tussen een wetenschappelijke positie en een persoonlijke levensbeschouwing die zo zich gaandeweg boven de werkelijkheid gaat verheffen?
Bij Foudraine kreeg dat verhaal een opmerkelijke wending. Eind jaren zeventig vertrok hij naar India en werd hij leerling van Bhagwan Sri Rajneesh, de latere Osho. Hij kreeg de naam Swami Deva Amrito. De psychiater die eerst de traditionele psychiatrische autoriteit had bekritiseerd, kwam nu terecht in een wereld waarin een spirituele meester een geheel andere vorm van autoriteit belichaamde. Later schreef Foudraine over zijn spirituele ervaringen en verschoof zijn denken steeds meer in een mystiek-filosofische richting. De psychiatrische goeroe ontmaskerde, vond uiteindelijk zelf een goeroe. In in een interview met Vrij Nederland verklaarde Foudraine in 1981: ‘Bhagwan heeft de penis ivan zijn licht diep in mij gestoken.’
En daar begint voor mij de vergelijking met Jim van Os interessant te worden. Niet omdat Van Os een nieuwe Bhagwan zou zijn — ik zie niet zo dat hij dat in zich heeft – en ook niet omdat zijn ideeën identiek zouden zijn aan die van Foudraine. De vergelijking betreft vooral de positie die een psychiater kan gaan innemen in het publieke domein. Van Os is inmiddels veel meer dan alleen een hoogleraar of behandelaar. Hij is een bekende stem in het debat over psychose, psychiatrie en geestelijke gezondheid. Hij schrijft, spreekt, verschijnt in de media en wordt gevraagd om complexe onderwerpen voor een groot publiek begrijpelijk te maken. Daarmee ontstaat onvermijdelijk een tweede rol naast die van de psychiater: die van publieke intellectueel, een goeroe in de media.
Dat heeft voordelen. De psychiatrie heeft zulke stemmen wellicht nodig. Een vakgebied dat uitsluitend in medische vaktaal spreekt, kan zich zich al te zeer gaan afsluiten van de samenleving. Maar het gevaar is dan wel dat de persoon belangrijker kan worden dan de gedachte. Het publiek gaat niet alleen luisteren naar wat iemand zegt, maar ook naar wie het zegt. De psychiater wordt een merk. Zijn gezicht krijgt gezag. Zijn optreden wordt onderdeel van zijn boodschap.
Dat is het moment waarop de Foudraine van deze tijd kan ontstaan. Niet noodzakelijk iemand die naar India vertrekt of zich tot goeroe laat omdopen, maar iemand bij wie de kritiek op bestaande autoriteiten langzaam verandert in een eigen vorm van autoriteit. Hij wordt de gids in een landschap waarin iedereen onzeker is geworden. En juist in tijden van onzekerheid ontstaat de behoefte aan gidsen, profeten en goeroes.
Daarom had er in het fragment van Foudraine in Zomergasten veel kunnen zitten, maar dat kwam er niet uit. Het had een spiegel kunnen zijn. Van Os liet een psychiater zien die ooit de psychiatrie wakker wilde schudden en die uiteindelijk zelf een opmerkelijke levensweg aflegde. Wat in de uitzending van Zomergasten minder zichtbaar werd, is wat er tussen die twee momenten gebeurde: het proces waarin een mens verandert in een publieke figuur. Om dat proces te begrijpen zou wellicht een eigen psychiatrische studie nodig zijn. Wat doet roem met een psychiater? Misschien zou dat zelfs een nieuw vak in de opleiding tot psychiater kunnen zijn: niet alleen de psychopathologie van de patiënt bestuderen, maar ook de psychopathologie van het eigen gezag.
Reminder: Op woensdag 9 september om 20.00 uur geef ik in Tresoar (café De Gouden Leeuw) een lezing over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose.
Toegang gratis, inloop vanaf 19.30 uur. U bent van harte welkom! Opgave: zie hier.