
Er zijn schrijvers die je bewondert, schrijvers die je verafschuwt en schrijvers die je vooral aanleiding geven om er jarenlang tegenaan te schoppen. Harry Mulisch behoorde duidelijk tot die laatste categorie. In 1987 verscheen Bestrijd het leed dat Mulisch heet, een inmiddels bekend geworden bundel met kritische en satirische stukken over de schrijver, zijn werk en zijn publieke optreden. De titel was ontleend aan een slogan van het Amsterdamse studentenweekblad Propria Cures, dat Mulisch decennialang met grote ijver en zichtbaar genoegen van zijn literaire voetstuk probeerde te trekken.
Mulisch had daar vermoedelijk minder last van dan zijn bestrijders hoopten. Negatieve aandacht was immers ook aandacht, en aandacht was voor Mulisch ongeveer wat zuurstof is voor een vuur. Hij wist bovendien als geen ander dat een schrijver niet alleen zijn boeken schrijft, maar ook zijn eigen legende. De pose van de schrijver, zijn publieke optreden, zijn ijdelheid en zijn vermogen om zichzelf tot hoofdpersonage van zijn eigen leven te maken: het hoorde allemaal bij het literaire bedrijf. Wie Mulisch wilde bestrijden, liep daardoor het risico ongewild mee te werken aan precies datgene wat hij wilde bestrijden: de mythe van Mulisch.
Ik moest daar weer eens aan denken toen ik mijn eigen boek De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose aan het promoten was. Want ook ik heb ooit een boek cadeau gekregen met een vergelijkbare titel als het pamflet tegen Mulisch. In 2014 verscheen Bestrijd het leed dat Huub drs. Mous heet, een verzameling mails en reacties van Fred van der Wal naar aanleiding van mijn weblog, mijn geschrijf over kunst en cultuur en mijn bemoeienissen met de Friese kunstwereld. (Het boek is nog altijd te koop- zie hier) De overeenkomst met Mulisch was uiteraard volkomen uit de lucht gegrepen. Mulisch had Propria Cures, ik had Fred van der Wal. Hij had een pamflet, ik had een verzameling mails. Hij was Mulisch, ik was Mous. Men moet de overeenkomsten vooral niet overdrijven.
Toch zit er iets merkwaardigs in die gelijkenis. Blijkbaar kan een schrijver zoveel ergernis oproepen dat er op een gegeven moment een apart boek nodig is om dat allemaal vast te leggen. Dat is op zichzelf al een vorm van onsterfelijkheid. Je kunt natuurlijk proberen iemand uit de geschiedenis weg te schrijven, maar het kan gebeuren dat je juist daardoor een extra hoofdstuk aan zijn geschiedenis toevoegt. Ook ik heb dus, zij het op een uiterst bescheiden schaal, die beperkt bleef tot de provincie Frieland, mijn eigen kleine literaire bestrijdingscampagne achter de rug. Het grote verschil is natuurlijk dat Mulisch wereldberoemd was en ik vooral bekend ben bij mensen die ooit op mijn weblog terecht zijn gekomen en daar vervolgens spijt van kregen.
Maar waarom dan nu opnieuw over Mulisch? Wat dacht u ? Promotie natuurlijk. Omdat ik op woensdag 9 september bij Tresoar in Leeuwarden een lezing geef over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose. Het wordt geen hagiografie en ook geen nieuwe poging om het leed dat Mulisch heet te bestrijden. Daar zijn inmiddels voldoende anderen in geslaagd. Ik probeer iets anders te begrijpen: wat gebeurt er wanneer een schrijver zijn eigen werkelijkheid begint te herscheppen? Waar ligt de grens tussen verbeelding en waan, tussen literaire genialiteit en zelfmythologie, tussen het schrijven van een boek en het schrijven van jezelf?
Mulisch is daarbij in meerdere opzichten een merkwaardig geval. Op jonge leeftijd maakte hij een psychotische ervaring door. Later werd hij een van de beroemdste Nederlandse schrijvers, een meester van de zelfenscenering en iemand die zijn eigen persoon bijna even zorgvuldig construeerde als zijn romans. Dat roept de ongemakkelijke vraag op of de waan en de verbeelding werkelijk zulke verschillende werelden zijn. Misschien is de schrijver wel iemand die geleerd heeft zijn eigen waan werkelijkheid te noemen zolang anderen bereid zijn die werkelijkheid ook als zodanig te ervaren.
Iedere schrijver die lang genoeg doorgaat, loopt het gevaar te gaan geloven in zijn eigen personage als beroemd schrijver. Eerst schrijf je een boek. Daarna schrijf je een tweede boek. Vervolgens schrijf je over het eerste boek. Daarna schrijf je over jezelf als schrijver van die boeken. En voor je het weet, ben je bezig een compleet universum te construeren waarin je eigen bestaan een literaire betekenis heeft gekregen. Het verschil tussen Mulisch en Mous is dan vooral een kwestie van oplage, bekendheid en het aantal mensen dat bereid is mee te doen aan deze illusie.
Daarom bij deze misschien wel mijn meest bescheiden oproep tot nu toe: kom op 9 september naar Tresoar. U hoeft Mulisch niet te bestrijden. U hoeft mij evenmin te bestrijden. U mag mij zelfs stronteigenwijze sodemieter vinden, hoewel ik daar verder geen verantwoordelijkheid voor kan nemen. Maar het zou mooi zijn als de zaal niet leeg is. Want een schrijver kan veel verdragen — kritiek, spot, slechte recensies, een boek van Fred van der Wal — maar een lege zaal blijft een tamelijk vernederende vorm van werkelijkheid. Dus: bestrijd het leed dat Mulisch heet, bestrijd desnoods het leed dat Huub drs. Mous heet, maar kom vooral luisteren naar het verhaal over de waan van het schrijven.
Reminder: Op woensdag 9 september om 20.00 uur geef ik in Tresoar (café De Gouden Leeuw) een lezing over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose.
Toegang gratis, inloop vanaf 19.30 uur. U bent van harte welkom! Opgave: zie hier.