Pardon mijnheer, mag ik misschien even storen? Ach let u niet op die circusartiest van een barkeeper naast mij; hij spreekt alleen Frans en schenkt de wijn wat eigenaardig in het glas. Wat mijzelf betreft, ik ben Jean-Baptiste Clamous. Ik stam uit een kleinburgerlijk Frans gezin. Over mijn ouders kan ik kort zijn: beiden stierven toen ik nog nauwelijks uit de wieg was. Mijn vader was, meen ik, postbode en van mijn moeder weet ik alleen nog dat ze altijd op vrijdag mijn luiers waste. Wat zegt u? Ja, inderdaad, mijn observatievermogen was al vroeg ontwikkeld. Interessanter was overigens die lange rij van maar liefst twaalf oudere zussen van me, die allemaal zo’n beetje aan maatschappelijk werk deden en het altijd hadden over ‘casework’ en ‘gesprekstechniek’, terwijl ze zich daar voortdurend Freudiaans bij vergisten.
Zelf sta ik soms voor een diepe afgrond. Mijn zondeval heb ik nooit verwerkt, en een Laatste Oordeel zal er nooit komen. Dat oordeel vel ik nu elke dag over mijzelf. Onderwijl volgt de ene schanddaad de andere op, en ik voel er zelfs een sadistisch genoegen bij. Maar wat zegt u? Wat voor schanddaden? Wel, als u dat interesseert, kan ik u zeggen dat ik al mijn hele volwassen leven het lijk van Hitler in mijn badkuip heb liggen. Het is een relikwie van mijn idealistische jeugd. Thans echter ben ik in Canada beter bekend als ‘de wurger van Boston’, maar nu hoop ik dat u niet van de politie bent. Misschien vraagt u zich af wat zulke boetvaardige confessies voor mijzelf betekenen. Wel, ik heb ze me opgelegd als penitentie, een boetedoening niet voor mijn misdaden, maar voor u. U mijnheer, ik ken u niet, maar u bent in feite dezelfde als ik.
Tu étais formidable! Nee, dat zei je niet in de jaren zestig. Dan zei je hooguit dat iemand een klootzak was. Of een fascist. Of een sukkel. Dat waren overzichtelijke tijden. Ik was achttien, woonde in Amsterdam en verkeerde in de veronderstelling dat de wereld dringend op mijn oordeel zat te wachten. De jaren zestig waren nog jong en ikzelf ook. Alles had betekenis, vooral als ik die betekenis zelf had bedacht. Achteraf denk ik wel eens: wat een zelfverzekerde kwal was ik toen. Ik wist nog niets en had daar opmerkelijk weinig last van. Ik voelde mij eenzaam maar nooit alleen. Non, non, je ne suis jamais seul avec ma solitude. Prachtig vond ik dat.
Op mijn achttiende kreeg ik bovendien een psychose. Achteraf klinkt dat nogal ernstig, maar op het moment zelf viel het eigenlijk reuze mee. Je denkt immers niet: kijk aan, daar heb je mijn psychose. Je denkt dat je eindelijk iets formidabels ontdekt hebt. De wereld wordt ineens doorzichtig, alles hangt met alles samen en de mensen om je heen blijken, zonder dat ze het zelf weten, uitstekend bewijsmateriaal te leveren. Je hoeft alleen nog maar goed op te letten.
Daarna kwam ik in een gesticht terecht, waar andere mensen gelukkig precies wisten wat er met mij aan de hand was. Zelf had ik daar nog geen naam voor, maar daar waren formulieren voor. ‘Puberteitsdesintegratie’ stond er in het dossier. Een prachtige term, vond ik later. Alsof ik op mijn achttiende niet even de werkelijkheid was kwijtgeraakt, maar als een bouwpakket uit elkaar was gevallen. Een paar pillen, wat gesprekken, hier en daar een deskundig oordeel, en dan kon het menselijk apparaat weer worden teruggezet. Schroefje aandraaien, kapje erop en klaar. Je was weer bovenjan.
Jaren later ben ik gaan schrijven over waanzin, kunstenaars en psychotische ervaringen. Dat is natuurlijk ook een vorm van beroepsdeformatie: eerst zelf iets meemaken en daarna altijd doen alsof jij degene bent die daar een intellectueel probleem van heeft gemaakt. Ik schreef boeken over psychiatrie, Reve, Mulisch, waan en creativiteit. Het voordeel van schrijven is dat je van alles een onderwerp kunt maken. Ook van jezelf, mits je maar lang genoeg doet alsof het over iemand anders gaat. De schrijver heeft daardoor een merkwaardige beroepsziekte: hij kan zelfs zijn eigen grandioze mislukkingen nog als materiaal voor een boek beschouwen.
Zo schreef ik ook De waan van het schrijven, Harry Mulisch en de creatieve psychose. Een boek waar ik uiteraard heel bescheiden over ben. Daarom ligt het al wekenlang pontificaal in de etalage van alle boekhandels. Dat is op zichzelf een mooi gezicht. Mijn boek ligt daar tussen andere boeken alsof het ergens bij hoort. Het heeft een kaft, een titel, een auteursnaam en zelfs een zekere dikte. Van buitenaf bezien is er geen enkel probleem. Het boek bestaat.
Binnen in de winkel is het een ander verhaal. Daar is tot op heden geen enkel exemplaar verkocht. Niks. Noppes. Nada. Het boek ligt dus wel in de etalage, maar het gaat kennelijk niet over tot de aankoop. Dat is een merkwaardige toestand voor een boek over waanzin. Het is zichtbaar aanwezig en toch wordt het genegeerd. Ik begin mij af te vragen of de etalage niet de meest volmaakte vorm van publicatie is. Je wordt bekeken zonder gelezen te worden. Dat is eigenlijk precies wat iedere schrijver diep van binnen verlangt, zolang hij maar niet hoeft te controleren wat er daarna gebeurt. Hij is altijd voor het leven op de vlucht.
In 1977 vertrok ik uit Amsterdam naar Friesland. Dat was in ieder geval een duidelijker migratieprogramma dan veel hedendaagse beleidsnota’s kunnen bieden. Ik kwam terecht in Leeuwarden, waar ik langzaam ontdekte dat een leven ook zonder grootstedelijke allure behoorlijk ingewikkeld kan zijn. De Randstad lag achter mij, maar mijn behoefte om overal iets van te vinden kwam gewoon mee. Friesland bleek geen eindstation maar een langdurige omweg. Inmiddels woon ik hier zo lang dat ik bijna kan zeggen: Amsterdam, tu étais formidable!
Dat is het vervelende van ouder worden: plaatsen krijgen een verleden voordat je er erg in hebt. Een straat waar je vroeger liep, bestaat nog en is nog dezelfde, alleen jij bent iemand geworden die totaal veranderd is. De stad doet alsof zij altijd dezelfde is gebleven. Dat is een brutale leugen. Ook Amsterdam is inmiddels een andere stad. Om over Leeuwarden maar te zwijgen. En ikzelf ben een andere wandelaar geworden. Ik kijk anders naar gebouwen, pleinen en plannen. Wat vroeger gewoon lelijk was, krijgt ineens historische betekenis. Het is een wonderlijk mechanisme: hoe ouder je wordt, hoe meer je verleden op cultureel erfgoed gaat lijken.
Hetzelfde gebeurt met je overtuigingen. In de jaren zestig wist ik nog tamelijk precies hoe de wereld in elkaar zat. Daarna werd het steeds ingewikkelder. De katholieke zekerheden verdwenen, de seculiere zekerheden volgden, en uiteindelijk bleef er vooral een ijverige scribent over die daar dagelijks ongeveer vijftienhonderd woorden over op zijn blog kon zetten. Dat is ook een talent, al is het niet veel. Niet noodzakelijk het talent om gelijk te hebben, maar wel het talent om al je vergissingen in je leven uit te smeren op het scherm van je computer zodat zij haast ongemerkt op een consistente gedachtegang gaan lijken.
Nogmaals, wie schrijft beschikt over de gave om alles achteraf een bijzondere betekenis te geven. Een mislukking wordt een ervaring en een omweg wordt een methode. Een jeugd waarin je werkelijk geen idee had wat je met je leven aan moest, wordt later een belangrijke fase in je ontwikkeling. Zo werkt de autobiografie: je neemt de chaos van vroeger en geeft hem achteraf hoofdstuktitels. Het leven zelf had die titels natuurlijk niet. Dat was juist het probleem.
En dan komt er een moment waarop je merkt dat zelfs het schrijven in de verleden tijd kan worden gezet. Je hebt boeken geschreven, artikelen, duizenden blogs. Je hebt lezingen gegeven en tentoonstellingen georganiseerd. Je hebt dingen bedacht die doorgingen en dingen bedacht die niet doorgingen. Sommige mensen vonden het belangrijk, andere mensen vonden het vooral veel. Je bleef schrijven omdat schrijven blijkbaar goedkoper was dan voortdurend uitleggen waarom je schreef. En zolang er nog één lezer is die reageert, kun je jezelf wijsmaken dat het allemaal ergens toe dient.
Maar soms valt er een zaal leeg. Dan blijkt hoe betrekkelijk dat allemaal was. Je kunt honderden mensen uitnodigen, een persbericht versturen, een boek meenemen en jezelf wijsmaken dat er iets staat te gebeuren. En dan gebeurt er vrijwel niets. Elf mensen misschien. Dan zit je daar met je zorgvuldig opgebouwde betekenis en denk je: tu étais formidable. Wat was je toch weer geweldig bezig. Je had alleen vergeten te controleren of iemand zat te wachten.
Maar de boekhandel is nog erger. Een lege zaal duurt hooguit twee uur. Daarna gaat iedereen naar huis en kan de zaal weer worden opgeruimd. Een boek in een etalage heeft daarentegen een veel langere vernedering voor zich. Het blijft daar liggen. Dag na dag. Week na week. Mensen lopen langs, kijken naar binnen, zien de kaft, zien de naam van de schrijver en lopen vervolgens door. Soms vraag ik mij af wat zij denken. Misschien niets. Dat is waarschijnlijk het ergste. Een boek kan nog worden afgewezen, uitgelachen of verfoeid. Maar genegeerd worden is een bijna metafysische ervaring. Het boek ligt er en niemand heeft er iets tegen.
Ik moet toegeven dat ik daar zelf ook medeplichtig aan ben. Ik heb immers mijn hele leven gedacht dat zichtbaar zijn ongeveer hetzelfde was als bestaan. Een artikel in de krant, een lezing, een tentoonstelling, een boek in een etalage. Kijk, daar ben ik. Hier is mijn bewijs. Maar een etalage is geen spiegel. Een etalage laat alleen zien wat er achter het glas staat. Wat daarbuiten gebeurt, gaat haar niets aan. En misschien is dat precies de les die ik al die jaren over het hoofd heb gezien: je kunt zichtbaar zijn zonder gezien te worden.
Op onze eigen nogal weerzinwekkende manier spelen we allemaal een beetje voor Christus. We worden aan ons eigen kruis genageld, meestal door onszelf, en doen vervolgens alsof we daar iets van begrijpen. Iedereen heeft zijn waarheid, maar uiteindelijk weet niemand natuurlijk precies hoe het zit. Zo zou de wereld er tenminste uitzien als ik, Jean-Baptiste Clamous, niet allang een oplossing had gevonden. En niet zomaar een oplossing. De enige juiste oplossing. Sterker nog: de waarheid. Dat is het mooie van een oplossing: zodra je haar gevonden hebt, hoef je niet meer te twijfelen of ze waar is.
Dus ja: tu étais formidable! Maar dan tegen die jongen van achttien. Tegen al die hoogmoedige versies van mezelf die met grote ernst hun eigen kleine geschiedenis tegemoet liepen. Jullie waren geweldig. Echt waar. Vooral omdat jullie nog niet wisten hoe weinig daarvan uiteindelijk nodig zou zijn. Dat is de enige vorm van mildheid die mij op mijn achtenzeventigste nog rest: Tu étais formidable! Het is geen compliment meer. Het is een afscheid. Een klein Frans kruisje achter alles wat voorbij is.
Maar neemt u nog een glas wijn van mij. En nogmaals, let vooral niet op die circusartiest die hier als barkeeper fungeert. Soms verkeert hij in de waan dat hij familie is van Manneken Pis. Ook voor hem geldt: tu étais formidable. Dat klinkt vriendelijker dan: ‘Je had het mis.’ Daarom zeg ik het ook zo vaak tegen mezelf. Het klinkt ook zo veel vriendelijker dan: het stelde niet zoveel voor. Je was geweldig, zolang niemand maar terugkomt om het te controleren.
Zelfrespect is een hachelijke zaak. Iets te veel en je bent onuitstaanbaar voor een ander. Iets te weinig en je bent onuitstaanbaar voor jezelf. In die spagaat heb ik nog altijd niet de juiste middenweg weten te vinden. En zolang ik die middenweg niet ken, blijf ik het telkens maar weer tegen mezelf herhalen: Tu étais formidable. Tu étais formidable…
Zo zit een mens nu eenmaal in elkaar: hij kan niet liefhebben zonder zichzelf te beminnen. En het is slechts een ongelukkig toeval om niet bemind te worden, maar een ramp om niet lief te hebben. Hoe vindt u dat? Mooi gezegd toch? Nee, dat zijn geen woorden van mijzelf. Maar ik maak me daar niet druk over. Absoluut niet! Het is mijn levensmotto. Ik praat nog altijd over mezelf, tegen mezelf. Gelukkig maar.
