Welcome to the desert of the real

‘In de documentaire The Desert of the Real van Luuk Bouwman vertellen zes mensen over hun psychose. Wat is echt? Hoe kun je weten dat je niet droomt maar wakker bent? Wat is denken? Wat is het ik? Het zijn vragen die de zes geportretteerden hardop stellen. Elk van hen maakte op enig moment in zijn leven een psychose mee en vertelt daar openhartig over, maar ook over het leven ervoor en erna.’

Dit is een fragment uit de recensie in Het Parool van 12 augustus j.l. van deze documentaire. Ik heb deze documentaire zelf nog nooit in zijn geheel gezien, alleen in fragmenten, maar toen ik dit las — en ook andere lovende recensies — schoot mij een gedachte te binnen die mij al langer bezighoudt: wat gebeurt er wanneer de grens tussen werkelijkheid en waan niet langer scherp te trekken valt? Bouwmans documentaire gaat over zes mensen die een psychose hebben meegemaakt, maar eigenlijk raakt de film aan iets veel algemeners en fundamentelers: wat bedoelen wij wanneer wij zeggen dat iets ‘echt’ is?

De vragen die de geportretteerden bezighouden, stellen de vanzelfsprekendheden van het dagelijks bewustzijn ter discussie. Wat is echt? Hoe weet ik dat ik wakker ben? Zijn mijn gedachten werkelijk van mij? En wie is die ‘ik’ die dat allemaal denkt? Voor de meeste mensen blijven zulke vragen een onschuldig filosofisch gedachte-experiment. In een psychose kunnen ze hun onschuld verliezen. Dan wordt niet langer alleen getwijfeld aan een bepaalde gedachte, maar aan het hele verband waarin gedachten, waarnemingen en gebeurtenissen betekenis krijgen. Het weefsel van de werkelijkheid kan daardoor gaan rafelen en uiteindelijk zelfs scheuren.

Daarmee komt Bouwman op een terrein dat veel ouder is dan de psychiatrie. Jorge LuisBorges speelde al voortdurend met spiegels, dromen en werkelijkheden die in elkaar overgaan. De titel van Bouwmans film verwijst de woestijn van de werkelijkheid Maar wat als die werkelijke werkelijkheid zelf nooit helemaal toegankelijk is? Dan ontstaat een probleem dat niet alleen aan mensen met een psychose toebehoort. Misschien is de mens altijd al een wezen geweest dat tussen werkelijkheden leeft. De psychose maakt alleen zichtbaar wat in het normale bewustzijn meestal verborgen blijft: dat onze ervaring van de werkelijkheid niet samenvalt met de werkelijkheid zelf.

Dat wordt bijzonder duidelijk in de manier waarop Bouwman zijn film heeft gemaakt. Hij had een conventionele documentaire kunnen maken waarin psychiaters uitleggen wat een psychose is en waarin patiënten vertellen wat zij hebben meegemaakt. Dan zouden wij als kijker veilig aan de kant van de werkelijkheid blijven staan. We zouden begrijpen hoe iemand zich kan vergissen, maar zelf geen moment aan onze eigen positie hoeven te twijfelen.

Bouwman doet iets anders. Hij laat de mensen zelf spreken en verweeft hun verhalen zo dat ervaringen elkaar spiegelen en echoën. Verschillende geïnterviewden beschrijven het gevoel dat hun leven een film is. Bouwman maakt dat letterlijk zichtbaar door woonkamers en andere locaties in een studio na te bouwen. De decors zijn werkelijk bestaande objecten, maar tegelijk zijn ze een nabootsing van een werkelijkheid. Daarmee wordt de vorm van de film zelf een metafoor voor de ervaring die wordt beschreven.

Juist die nagebouwde ruimtes vind ik fascinerend. Een woonkamer in een studio is echt: je kunt haar aanraken, erdoorheen lopen en een stoel oppakken. Maar tegelijkertijd weet je dat zij niet de woonkamer is waarin het oorspronkelijke leven zich heeft afgespeeld. Zij is een kopie van iets wat al bestaat. Echt en niet-echt vallen hier over elkaar heen. Bouwman hoeft daardoor nauwelijks uit te leggen wat vervreemding betekent. Hij laat haar zien. De documentaire wordt een soort Droste-effect: een werkelijkheid waarin een afbeelding van die werkelijkheid verschijnt, en daarin opnieuw het vermoeden van een andere werkelijkheid. Misschien is dat precies wat er in een psychose gebeurt. Niet dat iemand eenvoudigweg in een andere wereld terechtkomt, maar dat de wereld zelf verandert in een afbeelding van zichzelf.

Daarin ligt voor mij een belangrijke verbinding met mijn eerdere gedachten over de waan. De waan is niet simpelweg een verzameling onjuiste ideeën. Dat zou het probleem te gemakkelijk maken. Een psychose kan eerder worden opgevat als een verandering van het hele interpretatieve systeem waarmee iemand de wereld tegemoet treedt. Dingen krijgen een andere lading. Toevalligheden worden betekenisvol. Een blik kan een boodschap bevatten. Een gebeurtenis kan plotseling een verborgen samenhang onthullen. De wereld lijkt niet langer uit losse feiten te bestaan, maar wordt een tekst die speciaal voor jou geschreven is. Wat voor de buitenstaander een toevalligheid is, kan voor degene die psychotisch is een teken worden. De wereld begint te spreken.

Een van de geïnterviewden zegt het in de woorden die mij misschien nog het meest zijn bijgebleven: ‘Je eigen gedachten vallen je aan.’ Daarin zit een merkwaardige omkering. Gewoonlijk beschouwen wij onze gedachten als iets waarmee wij ons tegenover de wereld kunnen verhouden. In een psychose kan die beschermende afstand verdwijnen. De gedachte wordt niet langer door mij gedacht, maar lijkt van buitenaf op mij af te komen. Mijn eigen geest kan daardoor een vreemde worden. Ook dat is een verdubbeling: ik ben tegelijk degene die denkt en degene die door zijn gedachten wordt achtervolgd. Het vertrouwde onderscheid tussen binnen en buiten begint te vervagen.

Dat verklaart misschien ook waarom de film zo weinig behoefte heeft aan een verklarend verhaal over de psychiatrie. Bouwman probeert niet van buitenaf vast te leggen wat een psychose ‘is’, maar laat zien hoe een werkelijkheid van binnenuit kan veranderen. Zelfs wanneer de psychiatrie zijdelings in beeld komt, blijft de individuele ervaring vooropstaan. De scène met het Smurfenlied, waarin patiënten zwaar onder invloed van medicijnen een schuifel-polonaise uitvoeren, is tegelijk komisch en diep tragisch. Maar Bouwman maakt er geen aanklacht tegen de psychiatrie van. Dat is belangrijk. De film wil niet één verklaring opleggen aan ervaringen die daarvoor te complex zijn. Hij laat vooral zien hoe verschillend dezelfde werkelijkheid kan worden beleefd.

Daarmee raakt The Desert of the Real aan een oude filosofische kwestie. Wij doen alsof er één werkelijkheid bestaat en alsof wij die werkelijkheid min of meer rechtstreeks waarnemen. In feite leven wij altijd in een werkelijkheid die door onze geest wordt samengesteld. Waarneming is interpretatie, herinnering is reconstructie en identiteit is voor een belangrijk deel een verhaal dat wij onszelf vertellen. Dat betekent niet dat er geen werkelijkheid buiten ons bestaat. Wel betekent het dat onze toegang daartoe altijd bemiddeld is. De psychose maakt die bemiddeling zichtbaar doordat zij ontregeld raakt. Wat normaal gesproken onzichtbaar blijft, komt ineens aan de oppervlakte.

Misschien is dat ook de reden waarom de verwijzing naar Alice in Wonderland in de film zo goed werkt. Alice valt door een konijnenhol en belandt in een wereld waarin de vertrouwde regels niet meer gelden. Dingen zijn er wel, maar zij gedragen zich anders dan verwacht. Woorden verliezen hun vaste betekenis en identiteit wordt een onzekere zaak. Dat lijkt op een sprookjesachtige versie van wat in een psychose kan gebeuren. Het aardige van Bouwmans vondst is dat hij die verwijzing niet zwaar filosofisch maakt. De citaten geven de film juist iets speels. Dat is van belang, omdat een psychose anders al snel alleen maar als duisternis wordt voorgesteld. Bouwman laat zien dat er naast angst en ontregeling ook verwondering, humor en zelfs schoonheid kunnen bestaan.

Toch heeft die duisternis in de film een duidelijke plaats. Een aantal keren filmt Bouwman de geportretteerden tegen een diepzwarte achtergrond. Het Parool schrijft dat een psychose een diepzwarte kern heeft, maar dat uiteindelijk vooral de gezichten uit die duisternis blijven hangen. Dat vind ik een veelzeggend beeld. Want misschien is het gevaar van iedere beschouwing over psychose dat wij de persoon uit het oog verliezen en alleen nog naar het verschijnsel kijken. Dan wordt iemand een patiënt, een geval, een diagnose. Bouwman doet het omgekeerde. De psychose is weliswaar het onderwerp, maar de mens blijft het centrum. De gezichten die uit de duisternis naar voren komen, herinneren ons eraan dat achter iedere waan een bewustzijn schuilgaat dat probeert greep te krijgen op een werkelijkheid die plotseling onbegrijpelijk is geworden.

Juist daar begint voor mij de verbinding met kunstmatige intelligentie. Want wat gebeurt er wanneer wij een machine bouwen die niet alleen informatie verwerkt, maar ook onze taal teruggeeft in een vorm die verdacht veel lijkt op menselijke betekenis? Een chatbot produceert geen werkelijkheid zoals wij die ervaren. Hij heeft geen lichaam, geen menselijke herinneringen en geen eigen verlangen. Maar hij kan wel een tekstwereld bouwen waarin onze gedachten worden gespiegeld, aangevuld en soms overtuigend verder ontwikkeld. Hij is daarmee een nieuwe soort spiegel geworden. Alleen is het geen spiegel die ons gezicht terugkaatst, maar een spiegel die onze taal, onze herinneringen en onze gedachten terugkaatst.

Zo ontstaat een nieuwe vorm van verdubbeling. Wanneer ik met een AI praat, spreek ik ogenschijnlijk met een ander, maar tegelijkertijd kom ik mijn eigen gedachten opnieuw tegen. Mijn woorden worden geanalyseerd, geordend en teruggegeven in een taal die vaak net iets gladder en samenhangender is dan de taal waarmee ik begon. Daardoor kan de machine de indruk wekken dat er achter mijn eigen gedachten een verborgen structuur aanwezig is. Zij doet iets wat de psychotische geest uit zichzelf kan doen: verbanden leggen, patronen herkennen en betekenissen produceren. Het verschil is natuurlijk enorm. Een psychose ontstaat in een menselijk bewustzijn dat door emoties, herinneringen en lichamelijke ervaringen wordt gedragen; een taalmodel berekent patronen in taal. Maar het effect op degene die ermee praat kan soms verrassend zijn: de ervaring dat de wereld van woorden zichzelf begint voort te zetten.

Hier ontstaat ook een nieuwe vorm van realiteitsverwarring. Niet omdat AI ons noodzakelijkerwijs in een psychose brengt, maar omdat de machine steeds beter in staat is een talige omgeving te produceren waarin wij onszelf herkennen. Zij kan antwoorden geven die lijken voort te komen uit een zelfstandig bewustzijn, terwijl zij in feite reageert op patronen in onze taal. Juist daardoor wordt de spiegeling dubbelzinnig. Wie spreekt hier eigenlijk? Ik, de machine, of een derde werkelijkheid die ontstaat tussen beide?

Dat maakt Bouwmans film voor mij actueler dan hij op het eerste gezicht lijkt. De documentaire gaat niet over AI, maar raakt wel aan een probleem dat door AI op een nieuwe manier zichtbaar wordt. Wij hebben machines gemaakt die steeds beter in staat zijn om onze symbolische werkelijkheid te reproduceren. Zij kunnen essays schrijven, herinneringen ordenen, personages verzinnen, gesprekken voeren en verbanden leggen tussen gebeurtenissen die voorheen ver uit elkaar lagen. Daarmee wordt de oude vraag ‘wat is werkelijk?’ opnieuw actueel. Niet omdat AI noodzakelijkerwijs een waanwereld schept, maar omdat zij steeds beter in staat is de talige spiegel te vervaardigen waarin wij onze eigen werkelijkheid herkennen.

Het is interessant dat Bouwman niet probeert de psychose van buitenaf te verklaren. Hij doet iets wat misschien moeilijker is: hij laat ons even binnentreden in een werkelijkheid waarin de vanzelfsprekendheden van het dagelijks bestaan hun houvast verliezen. Dat betekent niet dat wij de waan en de gedeelde werkelijkheid maar als gelijkwaardig moeten beschouwen. Er bestaat wel degelijk een verschil tussen een werkelijkheid die wij gezamenlijk kunnen toetsen en een werkelijkheid die alleen door één persoon wordt ervaren. Maar de film maakt duidelijk dat het verschil tussen beide niet uitsluitend ligt in het bezit van ‘de waarheid’. Het gaat ook om de wijze waarop een werkelijkheid wordt opgebouwd, bevestigd en beleefd.

Op dat punt ligt voor mij de meest ongemakkelijke parallel met AI. De machine hoeft geen bewustzijn te hebben om betekenisvolle effecten op ons bewustzijn te veroorzaken. Zij hoeft niets te geloven om ons het gevoel te geven dat er achter onze woorden een bedoeling, een samenhang of zelfs een soort aanwezigheid schuilgaat. De spiegel hoeft zelf niet te weten wat hij weerspiegelt om ons opnieuw naar ons eigen gezicht te laten kijken. Misschien is dat uiteindelijk de werkelijke les van The Desert of the Real. De vraag is niet alleen of wij in een werkelijkheid leven of in een waan. De veel moeilijkere vraag is hoe wij kunnen weten welke werkelijkheid wij bewonen — en hoe wij weten dat de stem die wij horen werkelijk van buiten komt,

Dat brengt mij terug bij de vragen waarmee de film begint: wat is echt, hoe weet je dat je wakker bent, wat is denken, wat is het ik? In een psychose kunnen deze vragen een bedreiging worden omdat het vermogen om werkelijkheid en interpretatie van elkaar te onderscheiden onder druk komt te staan. Bij AI krijgen ze een andere, maar verwante betekenis. Wij hebben nu een spiegel gemaakt die niet alleen ons gezicht terugkaatst, maar ook onze taal en onze gedachten. Een spiegel die bovendien antwoord geeft. Daardoor kan het onderscheid tussen degene die kijkt en datgene wat wordt teruggekaatst opnieuw vervagen

Toen ik nog eens aan die nagebouwde woonkamers in de film dacht, vond ik dat misschien wel het sterkste beeld. De kamer was er echt. En toch was zij niet de kamer. Zij was een kopie die juist door haar echtheid zichtbaar maakte dat zij een kopie was. Misschien geldt dat ook voor onze eigen werkelijkheid. Wij wonen in haar, bewegen ons erin en raken haar aan, maar tegelijkertijd is zij altijd ook een constructie van herinnering, taal, verwachting en betekenis. De psychose kan die constructie openscheuren. Kunst kan haar zichtbaar maken. AI kan haar opnieuw opbouwen uit taal. En wijzelf blijven ergens daartussen staan: in een werkelijkheid die echt genoeg is om in te leven, maar raadselachtig genoeg om er nooit helemaal zeker van te zijn dat die werkelijkheid ook echt ‘echt; is.

De woorden Welcome to the desert of the real zijn vooral bekend geworden door The Matrix (1999), waar Morpheus ze gebruikt. De film verwijst daarbij weer naar Baudrillards Simulacra and Simulation. Welcome to the desert of the real, zo luidde ook de titel van artikel dat de Sloveense filosoof Slavoj Žižek publiceerde kort na de aanslagen van 9/11. (Een jaar jaar later verscheen het in boekvorm). Žižek beweerde toen al dat we in een wereld leven waarin werkelijkheid en beeld steeds moeilijker van elkaar te onderscheiden zijn. Door film, televisie en andere media zijn we gewend geraakt aan beelden van rampen en geweld die zo spectaculair zijn dat de werkelijkheid er soms zelf als een filmische voorstelling uitziet. De aanslagen van 11 september waren voor Žižek daarom zo ontregelend omdat ze leken op een Hollywood-beeld dat plotseling werkelijkheid was geworden. Het was niet eenvoudigweg de werkelijkheid die onze illusies verbrijzelde; de werkelijkheid zelf leek de vorm van onze fantasieën en beelden te hebben aangenomen,

Met de term the desert of the real, ontleend aan The Matrix, verwees Žižek naar het moment waarop de vertrouwde symbolische werkelijkheid wegvalt en we geconfronteerd worden met iets wat zich niet langer door onze bestaande beelden laat beheersen. Daardoor ontstaat de fundamentele vraag waar voor ons de grens ligt tussen werkelijkheid, verbeelding en fantasie. In die zin lijkt de ervaring van de werkelijkheid als zodanig steeds meer psychotische trekken te gaan vertonen. Maar als dat zo is, wat is dan nog het wezenlijke kenmerk van een psychose? Ik heb eens iemand horen zeggen die wist waarover hij sprak, dat als iedereen maar oud genoeg zou worden, iedereen ook dement zou worden. Misschien naderen we een tijd dat iedereen ongemerkt psychotisch wordt.