Het valt mij bij Friezen op dat de mate van hun Frieszinnigheid vaak gelijk opgaat met een zeker welbehagen in de achterstelling die men van niet-Friezen ondervindt. Alsof achterstelling, mits met voldoende overtuiging ondergaan, ook een vorm van erkenning kan zijn. Ook lijken Friezen zich niet altijd helemaal gelukkig te voelen met datgene wat hun het meest dierbaar is: hun eigen taal. De liefde voor het Fries gaat tegenover buitenstaanders nogal eens gepaard met een moeilijk te benoemen mengeling van schaamte en irritatie. Hoe misplaatst dat gevoel ook mag zijn, het spreken van de eigen taal wordt kennelijk niet altijd ervaren als iets wat bij buitenstaanders erg chique overkomt. Men kan er trots op zijn, maar men hoeft het daarom nog niet aan de buren te laten horen.
Het Fries is dan ook niet wat je zou kunnen noemen het beschavingsideaal van een elitaire cultuur. Gelukkig maar, zult u zeggen. Maar wat is het dan wel? In dat onbestemde gevoel lijkt iets schuil te gaan van gemor, van een vreemd geborrel, van gesmoorde of diep naar binnen geslagen agressie. Misschien bevindt zich daar wel een onuitputtelijke bron van energie: een grote gasbel diep in de bodem van de Friese ziel. Iedereen weet dat die daar zit, maar niemand weet haar aan te boren. En als iemand het probeert, komt er onmiddellijk een commissie die onderzoekt of de gasbel wel voldoende op Friese wijze wordt aangeboord. Sterker nog: geen buitenstaander mag er aanspraak op maken. De gasbel is van ons. Ook als we niet precies weten waarvoor.
Dit gevoel van gekoesterde miskenning manifesteert zich niet alleen in de waardering voor de eigen taal. Het is ook herkenbaar in een getroebleerd zelfbeeld, waarin zelfonderschatting en zelfoverschatting elkaar voortdurend naar de kroon steken. Daaruit ontstaat niet zelden een vorm van struisvogelpolitiek, het cultiveren van onvervulbare wensen en het mystificeren van het verleden, dat vervolgens als inspiratiebron moet dienen voor een wellicht nooit te realiseren ideaal van de toekomst. Ook is er een voorliefde voor bovenmenselijke krachtsinspanningen die veel heroïek, maar in feite weinig profijt opleveren. Men zou kunnen zeggen: de Fries is bereid een enorme inspanning te leveren om precies daar uit te komen waar hij al stond.
Het is de stilte rond het onbegrepen heldendom. Daaruit komt misschien wel het allermooiste voort wat de Friese cultuur te bieden heeft: het nadrukkelijke charisma van een onnadrukkelijke aanwezigheid. Maar daaruit ontstaat ook de mythe van it bêste lân fan de ierde in de armste uithoek van Nederland. In feite berust die mythe op een diep gevoeld verlangen naar het niet in vervulling gaan van het eigen verlangen. Het is het Friese verlangen naar ontroostbaarheid: een rusteloos zoeken naar waardering die men uiteindelijk misschien liever blijft ontberen. Want wat zou er gebeuren als Friesland op een dag werkelijk algemeen bewonderd werd? Misschien zou de hele Friese identiteit daarmee overbodig worden.
Hoe moet het verder met die Friese identiteit in tijden van AI? De laatste dagen heb ik mij verdiept in de vraag of de omgang met AI, en vooral met schrijvende chatbots, onze eigen identiteit kan aantasten. Kun je zo intensief met een machine communiceren dat je gaat twijfelen of je nog wel een eigen identiteit hebt, of dat een ander je leven heeft overgenomen? In extremis kan dat zelfs blijken uit de gewaarwording dat je eigen spiegelbeeld opeens verdwenen is. Ik zou die gedachte graag wat breder willen trekken. Wat gebeurt er met nationale en regionale identiteiten wanneer steeds meer van onze verhalen, herinneringen en beelden door kunstmatige intelligentie worden geproduceerd? En wat betekent dat voor de Friese identiteit, waaraan Friezen zo gehecht zijn? Misschien krijgt Friesland straks een chatbot die overtuigender Fries is dan de Friezen zelf. Dat zou op zichzelf al een historische ontwikkeling zijn.
Identiteit is immers primair een proces van identificatie en daarmee per definitie veranderlijk. Zij is niet intrinsiek verbonden met een immanent wezen van een volk, natie of regio, maar met de manier waarop er voortdurend met nieuwe ogen naar wordt gekeken. Ook de Friese identiteit lijkt telkens opnieuw te worden uitgevonden. Die projecterende blik verandert met de tijd en iedere poging om het oude beeld met terugwerkende kracht te corrigeren, levert uiteindelijk weer een nieuw beeld op. ‘De geschiedenis is een echoput. Wie haar aanroept krijgt zijn eigen mening als antwoord terug,’ schreef Ernst Kossmann eens. ‘De laatste mythe is de mythe zelf,’ beweerde Adri van Hijum. Ook in Friesland werd die laatste mythe telkens opnieuw uitgevonden en in de kunst geprojecteerd. Het is een merkwaardig volk dat eeuwenlang bezig kan zijn zichzelf opnieuw uit te vinden en daar vervolgens uit afleidt dat het altijd al zo geweest is.
Identiteit is daarmee een spiegel die met het verstrijken van de tijd telkens iets nieuws laat zien. Niet omdat het spiegelbeeld noodzakelijk vervormd is, maar omdat je jezelf er niet meer helemaal in herkent. Het gezicht is nog hetzelfde, de ogen kijken terug, de mond beweegt wanneer jij beweegt, maar ergens klopt er iets niet. Nog verontrustender wordt het wanneer je je afvraagt of het beeld dat je in de spiegel ziet eigenlijk ooit wel helemaal van jou is geweest. Misschien is identiteit vanaf het begin niets anders geweest dan een verhaal dat je jezelf hebt verteld. En misschien wordt dat verhaal nu door een ander verteld. Dat is een tamelijk verontrustende gedachte. Zeker als die ander vervolgens beweert dat hij het beter kan.
De komst van kunstmatige intelligentie maakt die gedachte minder vergezocht dan zij op het eerste gezicht lijkt. Vooral het schrijven met chatbots kan een merkwaardige ervaring opleveren. Je legt een gedachte voor aan een machine en krijgt een antwoord terug dat soms verrassend dicht bij jezelf komt. De machine kent je zinnen, je voorkeuren, je terugkerende thema’s en zelfs de aarzelingen in je formuleringen. Ze spiegelt niet alleen wat je zegt, maar lijkt soms ook te weten wat je had kunnen zeggen. Je eigen gedachten keren terug in een vorm die tegelijk vertrouwd en vreemd is. Je ontmoet jezelf aan de andere kant van het scherm. Soms zelfs in een betere formulering dan je zelf had kunnen bedenken. Dat laatste is natuurlijk volkomen onaanvaardbaar.
De chatbot kan een zin afmaken die nog niet was uitgesproken, een verband leggen dat je zelf nog niet had gezien of een formulering aandragen waarvan je denkt: dit ben ik. Maar wie is dan die ‘ik’? Degene die de gedachte had, degene die haar formuleerde, of degene die haar door de machine teruggespeeld kreeg? Misschien is het antwoord eenvoudig: alle drie. Misschien geen van drieën. Misschien moeten we straks niet meer vragen wie de schrijver is, maar wie de prompt heeft ingediend. Dat is niet alleen een technisch probleem. Het raakt aan de meest elementaire betekenis van identiteit. Identiteit is geen ding dat ergens in ons verborgen ligt en dat wij slechts hoeven op te graven. Wij worden wie wij zijn door ons voortdurend te herkennen in beelden, verhalen, herinneringen, anderen en tradities. Dat proces is nooit voltooid. Wat wij gisteren nog als wezenlijk voor onszelf beschouwden, kan morgen alweer verschoven zijn. Identiteit is daarom minder een bezit dan een beweging. Het vervelende is alleen dat je bij een beweging soms graag wilt weten wie er beweegt.
Wie zoekt naar het ware Friesland, vindt daarom vooral de weerspiegeling van zijn eigen verlangen naar Friesland. De ene generatie ontdekt de nuchtere Fries, de andere de eigenzinnige Fries en weer een andere de moderne, kosmopolitische Fries. De identiteit verandert omdat de blik verandert. Daarin schuilt een opvallende overeenkomst met AI. Ook een chatbot is in zekere zin een echoput. Je roept iets naar binnen en krijgt het terug, maar nooit precies zoals je het hebt uitgesproken. De machine maakt nieuwe combinaties van wat al eerder is gezegd. Zij geeft geen zuivere weerspiegeling, maar een gewijzigde terugkaatsing. De spiegel liegt een beetje. En juist doordat hij een beetje liegt, kan hij iets onthullen. Misschien is dat ook altijd al de functie van de Friese spiegel geweest.
Nationale en regionale identiteiten bestaan immers voor een belangrijk deel uit verhalen. Wij vertellen elkaar wie we zijn, waar we vandaan komen, welke gebeurtenissen ons hebben gevormd en welke waarden bij ons zouden horen. Ook daarin is AI inmiddels een nieuwe verteller geworden. Vraag een chatbot naar de Nederlandse identiteit en er verschijnt al snel een soepel verhaal over tolerantie, handelsgeest, pragmatisme, waterbeheer en vrijheid. Vraag naar de Friese identiteit en de bekende elementen dienen zich vanzelf aan: taal, landschap, eigenzinnigheid, onafhankelijkheidszin, nuchterheid en gemeenschapsgevoel. Maar wie heeft die verhalen eigenlijk geschreven?
Het antwoord is verontrustend eenvoudig: iedereen en niemand. De chatbot heeft geen eigen ervaring met Friesland. Hij heeft geen herinnering aan een Friese winter, geen gevoel voor de klank van een taal die op straat wordt gesproken en geen grootmoeder die Fries sprak. Hij beschikt slechts over een enorme verzameling teksten waarin anderen Friesland, Nederland en Europa hebben beschreven. AI maakt daaruit een nieuw verhaal. Dat verhaal kan overtuigend zijn, maar het blijft een verhaal zonder geboortegrond. Het is alsof iemand een perfecte beschrijving van de Elfstedentocht maakt zonder ooit koude voeten te hebben gehad.
Daarmee kan een subtiele verschuiving optreden. Wat vroeger van generatie op generatie werd doorgegeven, wordt steeds meer iets wat op verzoek kan worden gegenereerd. Identiteit wordt dan een tekst die je kunt opvragen. Wat is Friesland? Geef mij een antwoord. Wat betekent het om Nederlander te zijn? Schrijf een essay. Wat zijn typisch Friese eigenschappen? Maak een lijst. De identiteit verandert zo van een geleefde werkelijkheid in een onmiddellijk beschikbare representatie. Friesland wordt daarmee iets wat je kunt downloaden, hoewel niemand nog precies weet waar het bestand staat.
Dat proces hoeft niet noodzakelijk bedreigend te zijn. Integendeel. Misschien bevrijdt AI ons juist van de dwang om identiteit als iets vaststaands te beschouwen. Dat was ook de kern van mijn vroegere kritiek op het begrip Friese identiteit. Ik heb er ooit voor gepleit het woord identiteit bij wijze van spreken uit het Friese woordenboek te schrappen. Niet omdat er geen Friese identiteit zou bestaan, maar omdat het begrip te gemakkelijk in een norm verandert. Zodra wij gaan bepalen wat typisch Fries is, ontstaat immers ook de mogelijkheid om te bepalen wat níét Fries is. Een levende cultuur verandert dan in een museumstuk. En een museumstuk is meestal het laatste stadium vóór de souvenirwinkel.
De ironie is dat AI precies op dit punt zowel een bedreiging als een bevrijding kan vormen. De machine kan stereotypen eindeloos reproduceren en zo bijdragen aan een mondiale gemiddelde cultuur. De nuchtere Fries, de Bourgondische Limburger en de pragmatische Nederlander worden personages in een universeel cultureel script. Regionale verschillen worden gladgestreken tot herkenbare patronen die voor iedereen begrijpelijk zijn. AI kan zo bijdragen aan een wereld waarin de eigenaardigheden van plaatsen en volkeren langzaam verdwijnen in een grote, statistisch geproduceerde middelmaat. Uiteindelijk praten we allemaal dezelfde taal, al noemen we die dan nog Fries.
Maar het omgekeerde kan ook gebeuren. Juist doordat AI iedere identiteit onmiddellijk kan ontleden, vergelijken en opnieuw combineren, wordt identiteit steeds meer een verzameling van mogelijkheden. Een Fries kan tegelijk Fries, Nederlander, Europeaan en wereldburger zijn, liefhebber van Japanse literatuur en deelnemer aan een mondiale internetcultuur. Identiteit wordt dan geen ladder waarop je één plaats inneemt, maar een netwerk waarin verschillende werkelijkheden over elkaar heen liggen. De oude vraag ‘wat ben je?’ maakt dan plaats voor de modernere vraag: ‘welke versie heb je vandaag geladen?’
John Naisbitt voorspelde ooit dat het belang van nationale staten zou afnemen terwijl regionale en mondiale identiteiten tegelijk sterker zouden worden. AI kan dat proces versnellen, maar op een onverwachte manier. De paradox is dat dezelfde technologie die de wereld cultureel homogeniseert, ook eindeloos veel nieuwe identiteiten kan produceren. Een chatbot kan in enkele seconden een Friese tekst schrijven, maar ook een tekst waarin Fries, Nederlands, Engels en allerlei andere culturele registers door elkaar lopen. De machine kent geen natuurlijke grens tussen talen, regio’s en tradities. Zij beweegt er dwars doorheen. Zij zou zich vermoedelijk uitstekend redden in Leeuwarden, waar niemand precies weet waar het Fries ophoudt en het Nederlands begint.
De nationale identiteit zal daardoor waarschijnlijk niet zozeer verdwijnen, maar haar vroegere zwaarte verliezen. Hetzelfde geldt voor de regionale identiteit. Mensen zullen niet ophouden Fries of Nederlander te zijn, maar zij zullen steeds minder het gevoel hebben dat zij één identiteit moeten bezitten. Zij kunnen schakelen tussen verschillende versies van zichzelf. Identiteit wordt een soort zappen tussen zelfbeelden. Misschien is dat uiteindelijk ook de meest Friese oplossing: nergens helemaal bij horen en daar vervolgens een eeuwenoude traditie van maken.
Daar zit ook een risico in. Wie voortdurend verschillende versies van zichzelf kan laten genereren, kan uiteindelijk gaan twijfelen of er nog wel een origineel bestaat. Dat is het persoonlijke probleem van de verdwenen spiegel, maar dan op collectief niveau. Wat gebeurt er met een cultuur wanneer zij zichzelf voortdurend laat beschrijven door een machine die haar geschiedenis kent, haar clichés kent en haar taal kan nabootsen, maar haar niet zelf heeft geleefd? Misschien ontstaat dan een merkwaardige culturele vorm van depersonalisatie: Friesland blijft bestaan als tekst, beeld, dataset en toeristisch verhaal, terwijl het steeds moeilijker wordt aan te wijzen wat het betekent om er werkelijk vandaan te komen. Misschien hebben we straks een digitale Elfstedentocht waarin iedereen droog blijft.
Toch zou ik daar niet al te somber over willen zijn. Ik denk dat we juist nu afscheid moeten nemen van het idee dat identiteit iets is wat behouden moet worden. Een cultuur die alleen kan voortbestaan doordat zij zorgvuldig wordt bewaakt, is eigenlijk al aan het verdwijnen. Een levende identiteit is geen fort, maar een open plek. Zij bestaat bij de gratie van voortdurende verandering. Dat geldt misschien zelfs voor Friesland, al is het denkbaar dat iemand hierover binnenkort een motie indient.
Ook de Friese identiteit is nooit een afgesloten brandkast geweest waarvan wij uiteindelijk de juiste code zouden moeten vinden. Het probleem was juist dat er zo lang naar de code werd gezocht. De taal, het landschap, de geschiedenis en de eigenzinnigheid waren nooit de identiteit zelf, maar manieren waarop mensen zichzelf op een bepaald moment hebben herkend. De identiteit zat niet in de brandkast. Zij ontstond in het draaien aan het slot. En ik vrees dat er al die tijd helemaal niets in de brandkast zat. Dat zou pas echt Fries zijn. Identiteit gebaseerd op niets.
AI draait nu mee aan dat slot. Soms opent zij iets, soms maakt zij de code juist ondoorzichtiger. Zij kan onze oude beelden bevestigen, maar ook geheel nieuwe beelden produceren waarin wij onszelf niet meer onmiddellijk herkennen. Dat is haar grootste culturele betekenis. AI maakt zichtbaar wat identiteit altijd al was: een spiegel die niet alleen weerspiegelt, maar ook verandert wat hij weerspiegelt. De machine is daarmee niet zozeer de vernietiger van identiteit als wel de nieuwste medewerker van een eeuwenoude Friese onderneming.
Wij kijken in de spiegel en ontdekken dat het spiegelbeeld niet verdwenen is. Het is alleen niet meer van ons alleen. Achter het glas staan anderen, machines, herinneringen en verhalen die zich met ons beeld hebben vermengd. De vraag is dan niet langer: wie ben ik werkelijk? De vraag wordt: welk beeld van mijzelf wil ik, telkens opnieuw, in die wonderlijke leegte herkennen?
