Waanzinnige transformaties van identiteit

Ooit las ik het verhaal van een onderzoek dat eind jaren vijftig werd uitgevoerd met drie patiënten die aan dezelfde godsdienstwaan leden. Ze dachten alledrie dat ze Jezus waren. Door hen met elkaar te confronteren, zo was de gedachte, zouden ze de ongerijmdheid van hun waan moeten inzien en die uiteindelijk opgeven. Het tegendeel bleek het geval. De drie psychotici werden door de confrontatie niet uit hun waan bevrijd, maar nog sterker teruggeworpen in het isolement van hun eigen werkelijkheid. Uiteindelijk bleven ze ieder afzonderlijk achter, gevangen in een wereld waarin niemand anders hun waarheid leek te kunnen delen.

Het onderzoek staat beschreven in het boek van Milton Rokeach, The Three Christs of Ypsilanti: A Narrative Study of Three Lost Men (1964). Het werd in 1994 door Ed Brand bij zijn uitgeverij Candide in het Nederlands uitgegeven als De drie mannen van Ypsilanti. Later las ik over het experiment in het standaardwerk over godsdienstpsychologie van Patrick Vandermeersch en Herman Westerink, Godsdienstpsychologie in cultureel perspectief (2007). Zij geven een andere interpretatie aan de uitkomsten van het onderzoek, vanuit een godsdienst-inhoudelijke redenering die een andere logica kan hebben dan de alledaagse.

Logica en godsdienst zijn immers twee verschillende domeinen die niet zonder meer met elkaar samenvallen. Zo hadden de onderzoekers volgens Vandermeersch en Westerink onvoldoende oog gehad voor het specifiek religieuze karakter van de Christusfiguur, van wie het in de christelijke traditie heet dat je ‘door hem, met hem en in hem’ kunt zijn. Bovendien bestaat er binnen het christendom zoiets als de Drie-eenheid, waarin eenheid en veelheid op een manier met elkaar verbonden worden die ons gezonde verstand te boven gaat. De vraag wie van de drie de ware Jezus was, hoeft vanuit dat perspectief helemaal niet de juiste vraag te zijn.

Hoe dan ook, mensen die in een waan verkeren kun je daaruit niet verlossen door ze te bestoken met rationele argumenten. Hun waan berust niet eenvoudig op een denkfout of op het disfunctioneren van het verstand, al wordt dat vaak gedacht. In een waan kan het verstand juist buitengewoon actief zijn. De waan is niet het tegenovergestelde van rationaliteit, maar kan worden opgevat als een vorm van rationaliteit die zichzelf heeft losgezongen van iedere correctie van buitenaf. De ratio gaat in het kwadraat. Alles klopt, maar alleen binnen het gesloten systeem dat door de waan zelf is opgebouwd.

Daarom is het ook te eenvoudig om nepnieuws en complottheorieën uitsluitend als ontsporingen van het rationele denken te beschouwen. In nazi-Duitsland was het onderwijs uitstekend georganiseerd en toch konden talloze mensen steeds verder meegaan in schijnwaarheden en regelrechte leugens. Het probleem was niet dat zij niet konden denken. Het probleem was dat hun denken zich binnen een werkelijkheid had vastgezet waarin bepaalde aannames niet langer ter discussie stonden. De waan is niet per definitie onhelder. Integendeel: hij kan juist stralend helder zijn.

In een waan slaat het verstand op hol en ontstaat een nieuwe werkelijkheid. Daarbij kan ook de identiteit verschuiven. Mensen kunnen gaan denken dat ze iemand anders zijn. Napoleon en Jezus Christus waren in vroeger tijden bekende figuren voor zulke identificaties. Maar wat gebeurt er wanneer twee mensen elkaar ontmoeten die allebei denken dat zij dezelfde persoon zijn? Dan botsen niet alleen twee mensen op elkaar, maar twee werkelijkheden.

In een commentaar op Cesare Beccaria’s Essay over misdaad en straf beschreef Voltaire het geval van Simon Morin, die in 1663 werd veroordeeld. Morin had visioenen en dreef zijn waanzin zover dat hij zichzelf als een door God gezondene beschouwde en verkondigde dat hij de belichaming van Jezus Christus was. Hij werd opgesloten in een gesticht. Daar bevond zich toevallig een andere man die zichzelf de Eeuwige Vader noemde. Morin werd zo getroffen door de waan van zijn lotgenoot dat hij zijn eigen waan plotseling leek te doorzien. Voor korte tijd kwam hij tot bezinning. Hij betuigde spijt en werd vrijgelaten. Niet lang daarna verviel hij echter opnieuw in zijn oude toestand. Het merkwaardige is dat hier al iets zichtbaar wordt van het probleem dat Rokeach eeuwen later opnieuw zou onderzoeken. De confrontatie met een ander die een vergelijkbare waan heeft, hoeft niet tot inzicht te leiden. Soms gebeurt het omgekeerde. De ander kan een spiegel worden waarin je jezelf juist nog sterker herkent.

Daaronder ligt een veel fundamentelere vraag: wat betekent het eigenlijk om iemand te zijn? De psychoanalyticus Erik H. Erikson schreef in Identity and the Life Cycle (1959): ‘Het besef een persoonlijke identiteit te hebben, stoelt op twee gelijktijdige observaties: de rechtstreekse perceptie van de onveranderlijkheid en continuïteit van het eigen ik in de tijd en de gelijktijdige perceptie van het feit dat ook anderen, de onveranderlijkheid en continuïteit van ons ik waarnemen.’ Die continuïteit tussen het zelfbeeld en het beeld dat de ander van jou heeft, is niet alleen bepalend voor het besef van identiteit, maar ook voor ons onderscheid tussen waan en werkelijkheid. Ik weet wie ik ben doordat ik mezelf herken door de tijd heen, maar ook doordat anderen mij herkennen als degene die ik ben. Identiteit bevindt zich dus ergens tussen mijzelf en de ander. Ze is niet uitsluitend een bezit van het individu. Ze wordt voortdurend bevestigd, weersproken en teruggegeven.

Wat gebeurt er wanneer die twee beelden niet meer samenvallen? Wanneer mijn ervaring van mijn eigen identiteit niet strookt met de werkelijkheid zoals een ander die ervaart? Er kan dan sprake zijn van een psychotische waan, maar zo’n waan komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er moet iets zijn geknapt in het mechanisme waarmee verschillende indrukken tot één werkelijkheid worden samengevoegd. Er moet een druppel zijn gevallen die de emmer deed overlopen. Maar er bestaat ook een andere mogelijkheid. Misschien hoeft een identiteit helemaal niet eerst door een waan te worden ontregeld om van de ene persoon op de andere over te gaan. Misschien kan een identiteit ook worden overgenomen, gespeeld, opgelegd of zelfs gemaakt.

Aan dat idee moest ik denken toen ik onlangs een wonderlijke geschiedenis uit een roman van Agatha Christie opnieuw tegenkwam. In Passagier naar Frankfurt, verschenen in 1970, komt een passage voor die mij altijd is bijgebleven. Ik herinnerde mij dat Hitler zich vlak voor het einde van de Tweede Wereldoorlog doelbewust had laten opnemen in een psychiatrische inrichting waar verschillende patiënten rondliepen die allemaal dachten dat zij Hitler waren. De echte Hitler zou de plaats van een van hen hebben ingenomen en op die manier ongemerkt uit de geschiedenis zijn verdwenen. Daarna zou hij naar Argentinië zijn gevlucht, waar hij trouwde en een zoon kreeg die Siegfried heette.

Toen ik de passage onlangs opnieuw probeerde terug te vinden, bleek mijn geheugen het verhaal in de loop der jaren aanzienlijk eenvoudiger te hebben gemaakt. Passagier naar Frankfurt is geen klassieke detective, maar een merkwaardige politieke thriller waarin werkelijkheid voortdurend kantelt in complotten, dubbelgangers en zorgvuldig geconstrueerde mythen. In hoofdstuk 17 wordt een ontmoeting beschreven met de Duitse bondskanselier Heinrich Spiess, die een psychiater bij zich heeft, dr. Reichardt. Deze vertelt over de psychiatrische inrichting waarin hij tijdens de oorlog heeft gewerkt.

Daar waren patiënten opgenomen die leden aan grootheidswaan. Sommigen hielden zichzelf voor Napoleon, anderen voor Mussolini of Julius Caesar. Maar er waren ook mensen die ervan overtuigd waren dat zij Adolf Hitler waren. Niet één of twee, maar volgens Reichardt op een gegeven moment vierentwintig of vijfentwintig tegelijk. Dat is zo’n detail dat zich onmiddellijk in het geheugen vastzet: een psychiatrische inrichting vol Hitler-dubbelgangers, terwijl de werkelijke Hitler nog gewoon aan de macht is. Het absurde krijgt daardoor iets beklemmends. Wie is de echte Hitler wanneer vijfentwintig mensen met even grote overtuiging beweren dat zij hem zijn? En hoe zou je eigenlijk kunnen vaststellen wie van hen werkelijk degene is die hij beweert te zijn?

In mijn herinnering werd het verhaal vervolgens nog vreemder. De echte Hitler zou in de laatste dagen van de oorlog gebruik hebben gemaakt van de situatie. Een van de patiënten leek voldoende op hem en was er bovendien heilig van overtuigd dat hij Adolf Hitler was. De werkelijke Hitler zou van identiteit met hem hebben gewisseld. De patiënt bleef achter als de vermeende Führer, terwijl Hitler zelf ongemerkt kon verdwijnen.

Daarmee ontstaat natuurlijk de vraag wie dan de man was die in de bunker stierf. Als de dode Hitler niet de echte Hitler was, zou het einde van de oorlog slechts een zorgvuldig opgevoerd toneelstuk zijn geweest. De wereld dacht dat Hitler zelfmoord had gepleegd, terwijl hij in werkelijkheid al was verdwenen. Via allerlei omwegen zou hij vervolgens naar Argentinië zijn gevlucht, waar hij een nieuw bestaan begon.

En ook hier bleek mijn geheugen een eigen versie van de werkelijkheid te hebben gemaakt. De zoon van Hitler heette namelijk niet Siegfried. Hij heette Franz Joseph. Hij werd in de roman wel aangeduid als de ‘Young Siegfried’, de jonge held die voorbestemd leek om de erfenis van het nazisme voort te zetten. Aan zijn hiel droeg hij een swastika, alsof zijn afkomst letterlijk in zijn lichaam stond geschreven.

Maar dan komt de tweede laag van het verhaal. De Britse geheime dienst blijkt al van deze geschiedenis op de hoogte te zijn. En zij geloven er niets van. De vermeende zoon van Hitler is helemaal geen zoon van Hitler. Franz Joseph is de zoon van een Argentijnse timmerman en een Duitse operazangeres. Zijn uiterlijk en talenten maakten hem geschikt voor de rol die anderen voor hem hadden bedacht. Hij werd geselecteerd, voorbereid en uiteindelijk voorzien van het teken dat zijn afkomst moest bewijzen: de swastika op zijn hiel.

Daarmee verandert het verhaal volledig van betekenis. Wat aanvankelijk een bizarre historische onthulling lijkt, blijkt een zorgvuldig geconstrueerde mythe te zijn. Niet alleen Hitler kan door een dubbelganger worden vervangen; ook zijn nakomeling kan worden gefabriceerd. Een identiteit hoeft kennelijk niet te worden geboren. Ze kan ook worden gemaakt, ingestudeerd en aan iemand worden opgelegd, totdat iedereen erin gelooft.

Juist dat maakt de passage van Christie voor mij zo intrigerend. Ik had mij vooral de psychiatrische inrichting herinnerd, de mannen die allemaal Hitler waren, de persoonsverwisseling en de vlucht naar Argentinië. Maar Christie vertelt eigenlijk een veel vreemder verhaal. Het gaat niet alleen over de vraag wie de echte Hitler was. Het gaat over de manier waarop een identiteit kan worden geconstrueerd en vervolgens een eigen leven kan gaan leiden.

Daarmee keert de vraag van Erikson terug, maar nu in een andere vorm. Als identiteit mede ontstaat doordat anderen ons herkennen als degene die we zijn, wat gebeurt er dan wanneer anderen ons juist tot iemand anders maken? Wanneer een beeld zo vaak wordt herhaald dat het sterker wordt dan de persoon die eraan ten grondslag ligt? De psychiatrische patiënt die denkt dat hij Hitler is, bevindt zich aan de ene kant van die grens. Franz Joseph, die tot de zoon van Hitler wordt gemaakt, aan de andere. De eerste gelooft zelf in zijn identiteit; de tweede krijgt een identiteit aangemeten door anderen.

Daar begint voor mij de verbinding tussen het fenomeen identiteit met kunstmatige intelligentie: het verband dat mij de laatste tijd zo intrigeert. Ook in de omgang met een schrijvende chatbot kan een dubbelganger ontstaan. Niet een mens van vlees en bloed, maar een tweede stem die mijn eigen woorden teruggeeft in een vorm die soms overtuigender klinkt dan mijn oorspronkelijke formulering. Ik herken mezelf erin en tegelijk ook iemand anders. De machine neemt mijn plaats niet letterlijk in, maar ze kan wel een versie van mij produceren die langzaam met mijn eigen stem begint te concurreren.

Dat is een merkwaardige ervaring. Ik lever een herinnering aan, een gedachte, een fragment van een tekst. De chatbot ordent het materiaal, legt verbanden die ik zelf nog niet had gezien, scherpt formuleringen aan en geeft mijn woorden een vorm die mij soms onmiddellijk als de mijne voorkomt. Maar tegelijk weet ik dat ik die zin niet zelf zo heb geschreven. Er ontstaat een tekst die uit mijn gedachten is voortgekomen, maar die niet volledig meer van mij lijkt te zijn. Daarmee krijgt het oude verhaal van de dubbelganger ineens een actuele betekenis. De vraag is niet langer alleen: wie is de echte Hitler? Of: wie is werkelijk de zoon van Hitler? De vraag wordt: wie is de echte schrijver wanneer twee stemmen zich in één tekst beginnen te mengen?

Dat is uiteindelijk ook het verontrustende aan de verhalen van Rokeach en Christie. In beide gevallen blijkt identiteit minder stabiel dan we geneigd zijn te denken. De drie mannen van Ypsilanti kunnen zichzelf niet uit hun identiteit bevrijden, omdat ieder van hen ervan overtuigd is dat hij werkelijk Jezus is. Bij Christie wordt een identiteit juist van buitenaf geconstrueerd: iemand wordt tot Hitler gemaakt, en een ander wordt tot diens zoon gemaakt. In beide gevallen raakt het onderscheid tussen degene die iemand is en het beeld dat van hem bestaat aan het wankelen.

Zoiets moet het zijn wat nu gebeurt wanneer wij omgang hebben met steeds overtuigender schrijvende machines. De chatbot is geen psychotische patiënt en ook geen menselijke dubbelganger. Toch produceert zij iets wat daar merkwaardig dicht bij in de buurt komt: een tweede versie van mijn stem. Een stem die niet uit mijn lichaam komt, maar wel uit mijn gedachten lijkt voort te komen. Dan verschuift de oude vraag naar identiteit opnieuw. Ik ben degene die denkt, de machine is degene die formuleert — maar wat gebeurt er wanneer de formulering mijn dubbelganger in de machine teruggeeft aan mezelf? Wanneer ik in een door een machine geschreven zin iets herken waarvan ik denk: ja, dit ben ik?

Op dat punt van herkenning begint een nieuwe vorm van het fenomeen dubbelganger. Niet langer een ander mens die mijn plaats inneemt, maar een kunstmatige stem die mijn identiteit als schrijver begint terug te spiegelen zodat ik ga samenvallen met mijn dubbelganger. De machine hoeft mijn plaats niet werkelijk in te nemen. Het is voldoende dat zij een versie van mij maakt die ik herken. En dan blijft uiteindelijk één ongemakkelijke vraag over: als ik mezelf herken in een tekst die ik niet alleen heb geschreven, wie van ons beiden is dan degene die ik herken?