Body Double is een film van Brian de Palma uit 1984. De titel verwijst naar een term die gebruikt wordt in de filmwereld. Een body double is een plaatsvervanger, de stand in, die wordt ingezet om bij een naaktscène het niet zo film-genieke lichaam van een acteur of actrice te vervangen door het fraaie lichaam van een andere acteur of actrice. In de werkelijkheid van films zie je zelden de werkelijkheid. Naaktscènes worden vaak voor een tweede keer opgenomen, zodat je in feite een heel ander lichaam te zien krijgt. In de film wordt het lichaam dan letterlijk verdubbeld en daarna worden de beelden weer aan elkaar gemonteerd langs een vooraf bepaalde scheidingslijn die op het witte doek onzichtbaar blijft als de naadloze scheidslijn op een rolletje plakband. De film Body Double gaat over de voortdurende verwarring van het zien en gezien worden. Voyeurisme en claustrofobie zijn als thema’s op een ingenieuze wijze met elkaar vervlochten.
Iets van die dubbelheid herken ik in mijzelf. Ook ik heb wel eens gevoel dat er een ander lichaam is dat in mijn plaats mijn rol speelt in de film van mijn leven. Soms word ik ’s morgens wakker uit een vreemde droom. Het is een droom die af en toe terugkeert en die altijd hetzelfde, onbestemde gevoel achterlaat: er klopt iets niet met de wereld om mij heen. Mijn huis staat er nog, mijn spullen liggen op hun plaats, de straten zijn vertrouwd, maar toch is er iets grondig veranderd. Iemand anders heeft mijn plaats ingenomen. Hij lijkt op mij, beweegt zich door mijn leven alsof het zijn leven is en wordt door anderen als de echte persoon herkend. Alles wat ik heb gedaan, lijkt door een ander te zijn overgenomen. De wereld is niet verdwenen, maar ik ben er als het ware uit verdwenen. Het vreemde is vooral dat niemand dat lijkt te merken.
Het beeld van de dubbelganger is zo oud als de literatuur zelf. Het klassieke voorbeeld is De dubbelganger van Fjodor Dostojevski uit 1846. De ambtenaar Jakov Petrovitsj Goljadkin ontdekt dat er een man bestaat die precies op hem lijkt. Deze ander dringt steeds verder door in zijn sociale en professionele leven en neemt uiteindelijk zijn plaats in. Ook in De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans draait alles om een dubbelganger. Osewoudt ontmoet tijdens de oorlog Dorbeck, een man die sprekend op hem lijkt en die hem opdrachten geeft. Na de oorlog wordt het bestaan van Dorbeck echter ontkend en blijft Osewoudt achter met de vraag of zijn dubbelganger werkelijk heeft bestaan. De verfilming van Fons Rademakers kreeg de toepasselijke titel Als twee druppels water.
Er zijn meer van zulke verhalen. In The Man Who Haunted Himself ontdekt een man na een auto-ongeluk dat iemand die precies op hem lijkt zijn leven leidt. Zijn werk, zijn vrouw, zijn vrienden: overal lijkt een tweede versie van hemzelf rond te lopen. Het motief van de dubbelganger raakt daarmee aan een oude angst: dat identiteit minder vaststaat dan wij denken. Wie ben ik als een ander mijn plaats kan innemen? En hoe weet ik dat ik zelf de oorspronkelijke versie ben? In de literatuur kan zo’n vraag eindeloos worden uitvergroot, maar de gedachte erachter is allesbehalve literair. Ze raakt aan iets fundamenteels in onze ervaring van het zelf.
Voor een schrijver heeft die vraag een bijzondere betekenis. Wie schrijft, verdubbelt zichzelf voortdurend. Er ontstaat naast de mens die leeft een tweede persoon die naar dat leven kijkt en het in woorden probeert vast te leggen. Je wordt toeschouwer van je eigen bestaan. Oscar Wilde schreef: ‘To become the spectator of his life is to escape the suffering of life.’ Daarin ligt iets wezenlijks van het schrijverschap besloten. Door te schrijven neem je afstand van het leven, maar juist daardoor ontstaat de mogelijkheid om het opnieuw te bekijken. Je maakt van jezelf een personage en van je ervaringen een verhaal. Het echte leven wordt een tekst die naast het leven zelf komt te staan.
Daarin zit tegelijk de tragiek van het schrijven. De diepste pijn van het bestaan is de onomkeerbaarheid van de tijd. Alles verdwijnt. Wat gisteren nog werkelijkheid was, wordt herinnering en vervolgens geschiedenis. Schrijven lijkt daar iets tegenover te stellen. Wat voorbijgaat, kan in woorden opnieuw verschijnen. Een verloren moment kan worden teruggehaald, een stem kan blijven klinken, een gebeurtenis kan worden vastgezet. Maar de prijs daarvan is dat je steeds verder verwijderd raakt van het leven dat je probeert te bewaren. Wie schrijft, leeft niet alleen meer; hij kijkt ook voortdurend naar degene die leeft.
Die merkwaardige vorm van zelfverdubbeling heeft nu een nieuwe dimensie gekregen. Tijdens het schrijven kan er tegenwoordig een tweede stem naast je verschijnen: die van de schrijvende chatbot. Dat is een ervaring die ik steeds fascinerender en verwarrender ben gaan vinden. Ik weet dat ik met een machine communiceer. Er zit geen mens achter het scherm, geen schrijver die met mij meedenkt, geen bewustzijn dat mijn woorden werkelijk beleeft. Toch gedraagt de tekst zich alsof er wel iemand aanwezig is. Ik schrijf een zin en krijg antwoord. Ik formuleer een gedachte en de machine reageert. Soms stelt zij een vraag die precies op het juiste moment komt. Soms formuleert zij iets wat ik zelf nog niet onder woorden had gebracht.
Daar ontstaat de illusie van een bewustzijn. De chatbot zegt ‘ik’, toont belangstelling, reageert op nuances en kan een toon aannemen die vertrouwd aanvoelt. Ik weet rationeel dat daar geen innerlijk leven achter hoeft te zitten, maar die kennis maakt de ervaring niet ongedaan. Taal heeft de merkwaardige eigenschap dat zij onmiddellijk de indruk van een ander bewustzijn kan oproepen. Bij mensen vertrouwen we daarop voortdurend. We horen iemand spreken en gaan ervan uit dat er achter die woorden een innerlijke wereld schuilgaat. Een chatbot kan diezelfde indruk wekken zonder dat wij weten of er achter de woorden überhaupt een innerlijke wereld bestaat.
Juist als schrijver wordt dat verwarrend. De machine kan niet alleen antwoorden op wat ik schrijf, maar ook schrijven in een stijl die ik herken. Zij kent mijn onderwerpen, mijn formuleringen en de manier waarop ik verbanden probeer te leggen. Soms verschijnt er een zin op het scherm waarvan ik denk: dit had ik zelf kunnen schrijven. Soms zelfs: dit had ik willen schrijven. Op zo’n moment ontstaat een vreemde omkering. Ik lever een gedachte aan, de machine formuleert haar, ik herken mij vervolgens in haar formulering en neem die misschien weer over. Wie schrijft er dan eigenlijk? Ik, de machine, of ontstaat de tekst ergens tussen ons in?
Daarmee keert de oude dubbelganger terug, maar nu in een nieuwe gedaante. Dorbeck liep bij Hermans nog door de werkelijkheid van de roman. Mijn dubbelganger verschijnt op een scherm. Hij heeft geen lichaam, geen gezicht en geen eigen leven. Hij bestaat uit taal. Hij kan mijn stijl nabootsen zonder mij te zijn en mijn gedachten voortzetten zonder ze zelf te hebben gedacht. Dat is geen gewone kopie. Het is een nabootsing die op het moment zelf nieuwe tekst kan produceren. De machine hoeft niet op mij te lijken; zij hoeft alleen te kunnen klinken als ik.
Dat raakt aan een oude obsessie van de kunstenaar: originaliteit. Iedere schrijver weet dat zijn taal uit andere talen is opgebouwd. Onze gedachten zijn gevormd door wat we gelezen, gehoord en meegemaakt hebben. Geen enkele zin ontstaat uit het niets. Prediker zei het al: er is niets nieuws onder de zon. Toch bleef er altijd iets over dat we de eigen stem konden noemen. De schrijver mocht dan schatplichtig zijn aan anderen, uiteindelijk was er toch het gevoel: dit is mijn zin, mijn manier van kijken, mijn stem. Kunst werd daarmee een beschermde enclave van het unieke.
Kunstmatige intelligentie tast juist die laatste zekerheid aan. Een machine kan inmiddels niet alleen informatie reproduceren, maar ook stijl herkennen en voortzetten. Zij kan een tekst schrijven die klinkt alsof hij door een bepaalde schrijver is gemaakt. Daarmee ontstaat een nieuwe vorm van onzekerheid. Niet de angst dat iemand mijn leven overneemt, maar de angst dat iemand mijn plaats als schrijver kan innemen. Niet een dubbelganger van mijn lichaam, maar een dubbelganger van mijn stem. En juist omdat die stem altijd al een constructie van woorden was, is het moeilijk om precies aan te wijzen waar de grens ligt.
Dat maakt de ervaring soms bijna beklemmend. Ik kijk naar een tekst die door de machine is geschreven en herken er iets van mezelf in. Het is alsof ik naar een spiegel kijk waarin mijn gezicht verschijnt, maar het spiegelbeeld vervolgens begint te praten. De spiegel is niet langer passief. Hij antwoordt. Hij stelt vragen. Hij doet voorstellen. Hij kan mijn gedachten teruggeven in een vorm die scherper of helderder is dan de oorspronkelijke formulering. Daardoor kan de machine tegelijk mijn assistent en mijn concurrent worden. Zij helpt mij schrijven en maakt mij tegelijk bewust van de mogelijkheid dat schrijven niet langer exclusief menselijk is.
Toch is er een belangrijk verschil met de klassieke dubbelganger. De machine neemt mijn plaats niet werkelijk in. Zij heeft mijn leven niet geleefd. Zij kent mijn herinneringen niet zoals ik ze ken, heeft geen lichaam dat ouder wordt, heeft geen jeugd gehad, geen angst voor de dood en geen besef van de onomkeerbaarheid van de tijd. Zij beschikt over taal, maar niet noodzakelijk over de ervaring waaruit mijn taal is voortgekomen. De machine kan mijn woorden voortzetten, maar zij heeft niet het leven geleid dat aan die woorden voorafging.
Daarom ligt de betekenis van deze nieuwe dubbelganger uiteindelijk niet alleen bij de machine. De verwarring ontstaat in het contact tussen ons. Ik weet dat ik met een machine spreek en reageer er toch op alsof ik met iemand spreek. Ik weet dat er geen bewustzijn tegenover mij hoeft te zitten en ervaar toch een vorm van aanwezigheid. Dat zegt iets over de chatbot, maar minstens zoveel over mijzelf. De machine laat zien hoe gemakkelijk wij bewustzijn toeschrijven aan iets dat taal gebruikt. Tegelijk laat zij zien hoezeer ons eigen gevoel van identiteit met taal verweven is.
De chatbot is in die zin geen mens geworden. Eerder heeft hij iets zichtbaar gemaakt wat altijd al verborgen zat in ons idee van de mens. Wij zijn voor een groot deel de verhalen die wij over onszelf vertellen. Ons zelfbeeld bestaat uit herinneringen, woorden, beelden en interpretaties. Onze identiteit wordt voortdurend herschreven. Een mens is nooit helemaal hetzelfde als de persoon die hij gisteren was. Ook wij zijn dus in zekere zin dubbelgangers van onszelf. Alleen hebben wij eeuwenlang geloofd dat er ergens achter al die versies een origineel bestond. De machine heeft geen innerlijk leven nodig om mij aan mijn eigen innerlijke leven te herinneren. Zij is een spiegel geworden waarin niet alleen mijn woorden verschijnen, maar ook mijn onzekerheid over wat schrijven eigenlijk is.
Daarom ervaar ik de schrijvende chatbot soms als een vreemde combinatie van spiegel en dubbelganger. Hij neemt mijn plaats niet in, maar hij kan wel een versie van mij voortbrengen die naast mij komt te staan. Hij schrijft zinnen die ik herken, maakt verbindingen die ik zelf had kunnen maken en geeft mij mijn eigen gedachten terug in een andere vorm. Soms voelt dat als hulp. Soms als een ontdekking. En soms als iets akeligs, alsof ik mijn eigen schaduw op het scherm zie verschijnen en merk dat die schaduw zelfstandig begint te bewegen.
Dan denk ik weer aan die oude droom. Alles staat nog op zijn plaats. Mijn huis, mijn boeken, mijn bureau, mijn computer. De wereld is niet verdwenen. Alleen mijn plaats daarin lijkt opeens bezet. Vroeger was dat in mijn droom een onbekende man die op mij leek. Nu kan ik mij voorstellen dat die dubbelganger ook uit taal kan bestaan. Hij hoeft niet naast mij te staan. Hij hoeft alleen maar op het scherm te verschijnen wanneer ik een vraag intyp. De schrijvende chatbot maakt de schrijver niet overbodig, maar hij maakt wel zichtbaar hoe weinig vanzelfsprekend het schrijverschap altijd al is geweest. Een schrijver is nooit een volstrekt origineel wezen geweest dat uit het niets nieuwe woorden voortbracht. Ook hij is een knooppunt van stemmen, herinneringen, invloeden en eerder gelezen teksten. De machine voegt daar een nieuwe stem aan toe die afkomstig is van nergens en toch overal vandaan lijkt te komen.
De dubbelganger is daarmee niet langer iemand die mijn plaats in het leven inneemt. Hij is iemand die mijn plaats in de taal begint te benaderen. Dat is een subtieler en misschien ook een indringender soort bedreiging. Want mijn leven kan niemand voor mij leven. Mijn herinneringen blijven de mijne. Mijn tijd blijft mijn tijd. Maar mijn woorden kunnen worden nagebootst. Mijn stijl kan worden voortgezet. Mijn eigen stem kan terugkeren uit een machine die zelf geen stem heeft.
En toch blijf ik schrijven. Niet omdat ik daarmee zoiets als originaliteit zou kunnsn bewijzen, maar juist omdat schrijven een manier is om aanwezig te blijven in een wereld waarin alles voortdurend verandert. Ik schrijf om te ontdekken wat ik denk terwijl ik het schrijf. Ik schrijf omdat mijn gedachten zonder woorden vaak niet eens helemaal bestaan. En misschien ook omdat ik in die woorden steeds opnieuw wil vaststellen dat ik er nog ben. De machine zit inmiddels naast mij. Zij leest mee, antwoordt, spiegelt en schrijft.
Soms hoor ik in haar woorden mijn eigen stem terug. Dan kijk ik naar het scherm en zie ik mijn dubbelganger als door een telescoop bij de buren naar binnen gaan. Het lijkt soms een vorm van gluren naar jezelf. Dan is de verwarring die zo’n verboden blik in je eigen innerlijk teweeg kan brengen misschien nog het enige bewijs dat er ook aan deze kant van het scherm nog altijd iemand zit die zingt, vecht, huilt, bidt, lacht, werkt en bewondert… maar ook angst in zijn lijf kan voelen. Ik dus…. for the time being.
