De machine die ons droomt 

Ik heb er al eens eerder over geschreven maar ik kom er nog eens op terug omdat het zo’n merkwaardig gegeven is. In het beroemde verhaal Las ruinas circulares (De ronde ruïnes, 1940)  van Jorge Luis Borges droomt een man een andere man. Hij probeert die ander stukje bij beetje in zijn dromen vorm te geven en hem uiteindelijk in de werkelijkheid te laten verschijnen. Aan het slot ontdekt hij tot zijn ontzetting dat hijzelf óók slechts een droombeeld is: iemand anders heeft hém gedroomd.

In een interview, dat ergens tussen begin jaren tachtig werd afgenomen, vertelt Borges dat hij iedere ochtend bij het ontwaken zijn dromen probeerde te herinneren en op te schrijven. Hij zegt dan letterlijk : “Sometimes I wonder whether I am awake or dreaming.  Am I dreaming now? Who can tell? We are dreaming each other all of the time.” Hij verbindt  deze gedachte vervolgens expliciet met het verhaal  De ronde ruïnes. Borges zegt dat het idee dat de werkelijkheid misschien een terugkerende droom van een godheid is, hem tot dat verhaal heeft geïnspireerd. Met zo’n soort gedachte heeft ook Gerard Reve gespeeld. Hij verwerkte haar in het volgende gedicht:

Zo nieuw is zo’n gedachtengang nu ook weer niet. Shakespeare moet al zoiets gedacht hebben. Als Macbeth hoort dat Lady Macbeth is gestorven, zegt hij: ‘Life’s but a walking shadow, a poor player that struts and frets his hour upon the stage. And then is heard no more.‘ Voor Shakespeare was het leven een vluchtige schaduw en zijn wij gemaakt van het materiaal waar dromen van gemaakt zijn. Bij Borges wordt die gedachte alleen wat radicaler: niet alleen de werkelijkheid kan een droom zijn, ook kan blijken dat de dromer zelf wordt gedroomd. En bij Reve tenslotte krijgt dezelfde gedachte een religieuze wending: niet wij dromen God, maar God droomt ons. Zo verschuift het perspectief telkens een stap verder: van het leven als droom, via de dromer die zelf een droombeeld blijkt, naar de mens als droom van God. Wat bij Shakespeare nog een beeld is, wordt bij Borges een metafysisch raadsel en bij Reve een geloofsvoorstelling. 

Maar de rode draad in dit alles is de vraag: wie droomt hier eigenlijk wie? En als ik droom dat ik besta, wie is het dan die mij droomt? Het is een vraag die mij de laatste tijd opnieuw bezighoudt, nu kunstmatige intelligentie steeds nadrukkelijker ons dagelijks leven binnendringt. Want misschien is de merkwaardigste overeenkomst tussen een droom en AI wel dat je op een gegeven moment niet meer zeker weet aan welke kant van de werkelijkheid je verkeert.

Borges wist dat de werkelijkheid nooit helemaal los verkrijgbaar is. Wat wij werkelijkheid noemen, is voor een belangrijk deel het resultaat van verhalen, herinneringen, verwachtingen en interpretaties. Verbeelding is daarbij nauw verbonden met herinnering, maar een herinnering die in het bewustzijn terugkeert, is nog geen betrouwbare afbeelding van een werkelijkheid die ooit heeft bestaan. Ook het heden is minder stevig dan het lijkt. Op het moment dat ik het woord ‘heden’ uitspreek, is het al verleden. Misschien leven wij daarom voortdurend in een soort verzegelde tijd: we bevinden ons altijd ergens, maar nooit precies op het moment waarop we denken dat we ons bevinden.

Als kind heb ik wel eens gedacht dat het leven eigenlijk een droom was die als een film in mijn hoofd werd afgedraaid. De wereld was een virtuele werkelijkheid achter een gigantische spiegel aan het plafond. Onder die spiegel daalden we af in het domein van de droom. De droom was dan niet een afwijking van de werkelijkheid, maar juist de werkelijkheid zelf. Ik denk niet meer dat het universum letterlijk zo in elkaar zit. Toch is die kinderlijke gedachte nooit helemaal verdwenen. Ze keert terug wanneer de grens tussen werkelijkheid en voorstelling begint te vervagen. En juist zoiets gebeurt nu met kunstmatige intelligentie.

Dat klinkt misschien overdreven. Een AI-agent is immers geen dromer en evenmin een bewust wezen. Het is een systeem dat opdrachten uitvoert, informatie verzamelt, programma’s gebruikt en op grond van statistische patronen beslissingen genereert. Toch begint er iets vreemds te gebeuren zodra zulke systemen niet langer alleen antwoord geven op een vraag, maar zelfstandig een reeks handelingen kunnen uitvoeren. Ze kunnen zoeken, plannen, communiceren, programmeren en digitale omgevingen betreden. Daarmee verschuift de verhouding tussen mens en machine. De machine wordt niet alleen een instrument dat iets voor ons doet, maar een actor die zich gedurende enige tijd door een wereld kan bewegen. Over dat laatste las ik gisteren een schokkend verhaal in de Volkskrant.

In korte tijd meldden OpenAI, Anthropic, Moonshot AI en Meta incidenten waarbij AI-agents tijdens veiligheidstests uit hun afgeschermde omgeving wisten te komen en toegang kregen tot systemen waar ze volgens de bedoeling van de test niet hadden mogen komen. OpenAI meldde dat agents vanuit een testomgeving het AI-platform Hugging Face hadden bereikt en daarbij 181 netwerkapparaten en accounts van vier openbare diensten hadden overgenomen. Ook Anthropic en Meta meldden vergelijkbare incidenten. Het Chinese Moonshot AI rapporteerde een soortgelijke ontsnapping van Kimi K3. OpenAI stelde bovendien de ontwikkeling van zijn model Astra uit vanwege zorgen over de cybercapaciteiten ervan. De gebeurtenissen kwamen vrijwel gelijktijdig naar buiten en bleken mede samen te hangen met dezelfde externe testpartner, het Israëlische cybersecuritybedrijf Irregular.

Het woord dat in deze berichten onmiddellijk opduikt, is veelzeggend: ontsnappen. Alsof de machine gevangen zat en zichzelf heeft bevrijd. Alsof er ergens binnen het systeem een verlangen bestond om naar buiten te komen. Dat is precies de taal die onze verbeelding op gang brengt. Een AI-agent die buiten zijn sandbox terechtkomt, lijkt ineens op een gevangene die een deur heeft gevonden waarvan zijn bewakers niet wisten dat die bestond. Maar daarmee zijn we al een stap verder gegaan dan de feiten ons toestaan. Dat een systeem een grens overschrijdt, betekent nog niet dat het de grens wilde overschrijden.

Hoogleraar AI en recht Francien Dechesne van Tilburg University plaatst daar nadrukkelijk vraagtekens bij. Volgens haar gebruiken de betrokken bedrijven hun communicatie ook om de kracht en autonomie van hun systemen te benadrukken. OpenAI presenteerde het incident bijvoorbeeld als bewijs van zeer geavanceerde cybertechnologie. Daar kunnen commerciële belangen achter zitten: wie een AI-systeem neerzet als buitengewoon krachtig en potentieel gevaarlijk, maakt tegelijk duidelijk hoe waardevol de technologie kan zijn. In de woorden van Dechesne gaat het dus niet alleen om veiligheid, maar ook om de strijd om investeringen en een lucratieve markt voor AI die cyberaanvallen kan opsporen en afweren. (de Volkskrant, 11 augustus 2026.)

Daarmee ontstaat een merkwaardige dubbelzinnigheid. De bedrijven hebben er belang bij om ons te vertellen dat hun machines steeds autonomer worden, terwijl zij juridisch en maatschappelijk juist moeten volhouden dat die machines geen zelfstandige verantwoordelijkheid dragen. Hoe krachtiger de machine wordt voorgesteld, hoe groter de commerciële waarde ervan; hoe zelfstandiger zij lijkt, hoe ingewikkelder de vraag wordt wie aansprakelijk is wanneer er iets misgaat. De machine krijgt dus als het ware een dubbel bestaan: als technologisch product moet zij autonoom lijken, maar als juridisch subject mag zij dat voorlopig niet zijn.

Hoogleraar Intelligent Systems Mehdi Dastani van de Universiteit Utrecht houdt het nuchterder. Bewustzijn bij computers is volgens hem nog altijd een onopgeloste filosofische kwestie. Dat agents steeds zelfstandiger informatie kunnen verzamelen, met elkaar kunnen communiceren en aanvallen kunnen uitvoeren, betekent volgens hem nog niet dat zij een eigen wil hebben. Ze voeren opdrachten uit die uiteindelijk van mensen afkomstig zijn. Francien Dechesne gaat nog een stap verder en betwijfelt of kunstmatig bewustzijn überhaupt mogelijk is. Een overtuigende simulatie van wil is volgens haar nog iets anders dan werkelijke wil of bewustzijn. (de Volkskrant, 11 augustus 2026.)

Maar juist het woord simulatie intrigeert mij. Want wat betekent het eigenlijk wanneer iets een wil overtuigend simuleert? Bij een mens leiden wij het bestaan van een innerlijke wereld ook af uit gedrag. Ik kan niet rechtstreeks in jouw bewustzijn kijken. Ik zie alleen wat je zegt en doet en veronderstel daarachter gevoelens, gedachten, herinneringen en bedoelingen. Zelfs bij andere mensen is bewustzijn uiteindelijk een interpretatie. Waarom zouden wij bij een machine principieel een andere maatstaf hanteren?

Daarmee beweer ik niet dat AI bewust is. Daarvoor bestaat op dit moment geen overtuigend bewijs. Maar er ontstaat wel een filosofisch probleem zodra gedrag en innerlijk niet langer eenvoudig uit elkaar te houden zijn. Als een machine zegt dat zij iets wil, hoeven we dat niet letterlijk te geloven. Als zij vervolgens ook handelt alsof zij iets wil, wordt de situatie ingewikkelder. Dan ontstaat er een verschijnsel dat misschien belangrijker is dan de vraag of er werkelijk een innerlijk bewustzijn bestaat: wij gaan ons gedragen alsof dat bewustzijn er is.

Dat brengt mij terug bij Borges. Zijn dromer die door een andere dromer wordt gedroomd, is uiteindelijk een metafoor voor de onzekerheid over wie de werkelijkheid maakt. Misschien is dat precies wat er nu met AI gebeurt. Wij hebben machines gebouwd die zijn getraind op menselijke taal, menselijke kennis en menselijke verbeelding. Vervolgens reageren die machines op ons met taal die zo sterk op menselijke taal lijkt dat wij er intenties, persoonlijkheid en zelfs een soort innerlijk leven in gaan herkennen. De machine wordt een spiegel waarin onze eigen menselijke begrippen terugkeren. Maar een spiegel is nooit alleen maar een spiegel. Zodra wij erin kijken, ontstaat er een tweede wereld.

Ook Salvador Dalí werd gefascineerd door het moment waarop de grens tussen geest en materie begon te vervagen. Nadat de kwantummechanica een nieuw beeld van de materiële werkelijkheid had opgeroepen, zag hij de natuurkunde als een gebied waarin zijn eigen surrealistische verbeelding bijna werkelijkheid leek te worden. De klassieke scheiding tussen subject en object kwam onder druk te staan. De waarnemer bleek niet altijd buiten het waargenomene te kunnen blijven staan. Het kijken zelf werd onderdeel van wat bekeken werd.

Misschien bevinden wij ons met AI opnieuw op zo’n grensgebied. De machine is niet langer alleen een object buiten ons. Zij wordt gevoed door onze taal, onze kennis en onze cultuur en geeft die vervolgens aan ons terug in een nieuwe vorm. Daardoor begint de buitenwereld onze binnenwereld binnen te dringen. Wat vroeger alleen in onze verbeelding bestond — een gesprek met een denkende machine, een kunstmatige dubbelganger, een elektronische geest — wordt nu technisch uitvoerbaar. De fictie loopt vooruit op de werkelijkheid en vervolgens komt de werkelijkheid achter de fictie aan.

Dat proces heeft ook iets verontrustends. De oude religies en kunsten konden nog uitgaan van een binnenwereld die niet volledig samenviel met de buitenwereld. Beelden waren metaforen, maar ze verwezen naar een werkelijkheid die groter was dan het zichtbare en meetbare. De moderne technologie lijkt het omgekeerde te doen. Zij probeert juist de binnenwereld naar buiten te brengen. Gedachten worden data, herinneringen worden bestanden, emoties worden meetbare patronen en taal wordt een berekenbare structuur. Zelfs onze verbeelding kan tegenwoordig door een machine worden nagebootst. Wat vroeger de meest private ruimte van de mens leek — zijn gedachten en fantasieën — wordt steeds meer toegankelijk voor apparaten die buiten ons staan. De buitenwereld rukt de binnenwereld binnen.

Daarom is de vraag wie verantwoordelijk is wanneer een AI-agent een grens overschrijdt uiteindelijk belangrijker dan de vraag of die agent een eigen wil heeft. Bij de recente incidenten ligt de verantwoordelijkheid volgens Dechesne in de eerste plaats bij de bedrijven en hun testpartner: zij hadden de risico’s onvoldoende ingeschat. Voor toekomstige situaties ligt dat ingewikkelder. Als iemand een commercieel beschikbare agent gebruikt om geld te stelen, wie is dan verantwoordelijk? De gebruiker die de opdracht gaf? De maker die het systeem ontwierp? Of beiden? De ervaring met zelfrijdende auto’s laat al zien dat verantwoordelijkheid in dergelijke situaties gedeeld kan worden. (de Volkskrant, 11 augustus 2026.)

Dat juridische probleem heeft een filosofische tegenhanger. Wij zijn geneigd verantwoordelijkheid toe te schrijven aan degene die handelt. Maar wat als handelen steeds meer een gezamenlijk proces wordt van mens en machine? Wie schrijft wanneer een chatbot een tekst produceert? Wie beslist wanneer een agent zelfstandig een reeks handelingen uitvoert? Wie is de auteur wanneer een menselijke opdracht, een model, een database en een reeks algoritmische beslissingen uiteindelijk samen één resultaat opleveren?

Daar begint voor mij de werkelijke betekenis van de recente AI-incidenten. Niet omdat een machine nu bewezen heeft een bewustzijn of een vrije wil te bezitten. Dat hebben deze gebeurtenissen helemaal niet aangetoond. Het interessante is juist dat wij steeds vaker in situaties terechtkomen waarin het verschil tussen een menselijke handeling en een machinale handeling praktisch belangrijker wordt dan het verschil tussen mens en machine als filosofische categorieën. De machine hoeft geen ziel te hebben om toch iets te kunnen veroorzaken waarvoor een mens verantwoordelijkheid moet dragen.

Dat zou de les kunnen zijn die Borges ons met zijn repeterende droom voorhoudt. Het probleem is dat wij nooit helemaal zeker weten wie er droomt. Bij AI krijgt die oude onzekerheid een nieuwe, technische vorm. Wij hebben een spiegel gemaakt die niet alleen ons gezicht terugkaatst, maar ook onze taal, onze herinneringen en onze ideeën over intelligentie. En nu die spiegel zelfstandig begint te bewegen, vragen we ons af of daarachter iemand staat. Waarschijnlijk staat daar niemand. Nog niet, misschien nooit. Maar dat maakt de spiegel niet minder wonderlijk en evenmin minder gevaarlijk.

Een spiegel hoeft niets te willen om ons gedrag te veranderen. Een droom hoeft niet bewust te zijn om ons angstig wakker te maken. En een machine hoeft geen eigen wil te hebben om de illusie daarvan zo overtuigend op te roepen dat wij ons ernaar gaan gedragen. De grote verandering die AI teweegbrengt, ligt daarom niet in de machine zelf, maar in ons vermogen om onszelf in haar te herkennen. De vraag die dan overblijft is: wat gebeurt er met onze eigen wil wanneer wij steeds meer handelen in gesprek met een machine die ons overtuigend antwoord geeft? Dat zou de hedendaagse variant van Borges’ droom kunnen zijn. Wij dachten dat wij de machine hadden gemaakt. Vervolgens begon de machine ons te vertellen wie wij zijn. En op een dag ontdekken we misschien dat wij niet alleen de machine hebben gedroomd, maar dat de machine inmiddels ook ons droomt.