Voetballen met Augustinus

Wat heeft de kerkvader Augustinus met het moderne topvoetbal te maken? Op het eerste gezicht niets. Toch is de recente botsing tussen de UEFA en de FIFA veel meer dan een zakelijk conflict over de commerciële toekomst van het wereldkampioenschap. Toen FIFA-voorzitter Gianni Infantino plannen ontvouwde om een deel van het WK onder te brengen bij private investeerders, dreigde de UEFA zelfs met een boycot. Daarmee lijkt voor het eerst een grens te worden getrokken aan de vercommercialisering van een sport die ooit mensen bijeenbracht, maar steeds meer het karakter krijgt van een mondiaal spektakel. 

Die ontwikkeling roept onwillekeurig herinneringen op aan de laat-Romeinse beschaving. Ook daar werden de gladiatorenspelen steeds grootser, kostbaarder en sensationeler naarmate de maatschappelijke samenhang afbrokkelde. Het spektakel werd een substituut voor gemeenschapszin. Brood en spelen moesten een beschaving bijeenhouden die haar innerlijke samenhang had verloren. Achteraf bezien waren de gladiatorengevechten niet de oorzaak van het verval van Rome, maar wel een van de duidelijkste symptomen ervan.

Misschien bevinden wij ons opnieuw in zo’n overgangstijd. Niet alleen het voetbal, maar ook de media, de politiek en de kunst lijken steeds sterker onderworpen te raken aan dezelfde logica van spektakel, aandacht en rendement. En juist in die wereld dient zich een nog ingrijpender revolutie aan: de opkomst van de artificiële intelligentie. Er gaan inmiddels zelfs stemmen op om het gebruik van AI aan banden te leggen. Niet alleen omdat deze technologie het auteursrecht onder druk zet door nieuwe kunst en literatuur voort te brengen uit bestaand materiaal, maar vooral omdat zij de productie van overtuigend nepnieuws, gemanipuleerde beelden en complottheorieën op ongekende schaal mogelijk maakt.

Waar de gladiatorenspelen de lichamelijke sensatie cultiveerden, cultiveert de kunstmatige intelligentie de cognitieve sensatie. Het spektakel van de arena verschuift van het amfitheater naar het scherm. Want ook AI creëert een spektakel. Ongemerkt ontstaat een tweede werkelijkheid, een nieuwe bovenlaag van de tijd, waarin waarheid en fictie steeds moeilijker van elkaar zijn te onderscheiden. Ooit ontving ik een brief van een advocaat omdat ik op mijn weblog het nepbericht had geplaatst dat de Gysbert Japicxprijs aan Tsead Bruinja was toegekend. Dat was nog een tijd waarin nepnieuws een uitzonderlijke vergissing was. Inmiddels lijkt de uitzondering de regel te zijn geworden. De technologische infrastructuur maakt een werkelijkheid mogelijk waarin elk beeld, elke stem en iedere gebeurtenis eindeloos manipuleerbaar wordt. Mogelijk zal uiteindelijk niemand meer weten wat echt is en wat nep. Wat werkelijkheid is, wordt wat de gek er voor geeft.

Juist vanuit dat perspectief is het interessant terug te keren naar Augustinus. Ook hij leefde in een overgangstijd waarin de werkelijkheid radicaal van karakter veranderde. Na de plundering van Rome in 410 zag hij hoe een eeuwenoude beschaving haar vanzelfsprekendheid verloor. De tijd van de klassieke wereld werd overschaduwd door een andere tijd: de geschiedenis kreeg een eschatologische dimensie. De cirkel werd een lijn. Circulaire tijd werd lineaire tijd. Polytheïsme werd monotheïsme. En naast de zichtbare wereld ontstond een tweede werkelijkheid, waarin de strijd tussen de aardse stad en de Stad Gods zich voltrok. De geschiedenis werd niet langer uitsluitend bepaald door politieke gebeurtenissen, maar ook door een onzichtbare strijd om de ziel van de mens.

In zijn Wandlungen und Symbole der Libido (1913) heeft Jung gewezen op de ingrijpende psychische transformatie die zich in de late Oudheid voltrok. De religieuze energie kreeg een nieuwe structuur. De heidense culten, waarin extase en lichamelijkheid centraal stonden, maakten geleidelijk plaats voor religies die de menselijke driften in dienst stelden van een hogere vorm van gemeenschap. Zoals Jung schrijft, ontstond een samenleving waarin de sterkste hartstochten konden worden ondergebracht “in het teken van een geprojecteerd, vleesgeworden idee (logos)”.

In dat verband verwijst Jung naar een beroemde passage uit de Belijdenissen van Augustinus over zijn vriend Alypius, die aanvankelijk met afschuw de gladiatorenspelen wilde vermijden. Toen Alypius de arena betrad, wilde hij niet kijken. Maar eenmaal meegesleept door het gejuich van de menigte werd hij onderdeel van het spektakel dat hij had willen vermijden. Augustinus beschrijft hier niet alleen de psychologie van de gladiatorenspelen; hij beschrijft ook een mechanisme dat nog altijd werkzaam is. Het stadion, de televisiekijker en tegenwoordig zelfs het algoritme functioneren als moderne arena’s. Alleen vloeit er minder bloed en meer geld. Ik heb die passage nog eens opgezocht in de vertaling van Gerard Wijdeveld. Het is een treffende metafoor voor de huidige spektakelmaatschappij:

‘Want mét dat hij daar bloed zag, dronk hij meteen een diepe teug onmenselijkheid in; hij wendde zich niet af, maar bleef kijken en de wilde razernij inzwelgen zonder nog van iets te weten, en verlustigde zich in het misdadig gevecht en bedronk zich aan bloedige wellust. En hij was al niet meer de man die  daar was gekomen, maar één uit de massa bij wie hij was gekomen en voluit de metgezel van degenen door wie hij daar gebracht was. Waarom zou ik nog meer zeggen? Hij keek, hij schreeuwde, hij kwam in vuur en vlam en bij het weggaan droeg hij de verdwazing met zich mee, die hem zou prikkelen om terug te komen, niet alleen maar samen met degenen door wie hij eerst was meegetrokken, maar zelfs voor  hen uit en anderen meetrekkend.’

Het is moeilijk deze passage te lezen zonder aan onze eigen tijd te denken. Niet omdat voetbalwedstrijden of sociale media letterlijk gladiatorengevechten zouden zijn, maar omdat dezelfde psychologische dynamiek zichtbaar wordt: de aantrekkingskracht van het collectieve spektakel, waarin de individuele beschouwing oplost in de roes van de massa. De hedendaagse spektakelmaatschappij kent haar eigen arena’s: de eindeloze sportevenementen, de permanente nieuwsstroom, de algoritmisch aangestuurde sociale media en de door AI gegenereerde beelden die steeds minder van de werkelijkheid zijn te onderscheiden.

De een zijn dood is de ander zijn brood. Dat oude gezegde past bij uitstek in een tijd waarin het volk opnieuw om brood en spelen vraagt. In de late Oudheid bleek juist het verval van de klassieke beschaving de voedingsbodem voor een nieuwe religieuze verbeelding. Zonder de crisis van Rome zou het christendom vermoedelijk nooit zo’n beslissende doorbraak hebben beleefd. Het christendom bracht een nieuw continuüm tot stand tussen het zichtbare en het onzichtbare, tussen de tijdelijke geschiedenis en de eeuwigheid. Maar juist vanuit dat nieuwe wereldbeeld kon uiteindelijk ook de moderne wetenschap ontstaan. De geschiedenis ontwikkelt zich vaak via paradoxen.

Misschien voltrekt zich nu opnieuw zo’n omslag. Niet langer tussen heidendom en christendom, maar tussen de menselijke en de artificiële geest. De opkomst van AI markeert mogelijk niet alleen een technologische revolutie, maar ook een culturele en psychologische mutatie. De grens tussen feit en fictie, tussen authentiek en synthetisch, tussen herinnering en simulatie begint te vervagen. Zoals de gladiatorenspelen ooit de voorbode waren van een beschaving die haar innerlijke maat verloor, zo zouden de mondiale spektakelindustrie en de algoritmische informatiestroom symptomen kunnen blijken van een diepere overgang waarvan wij de contouren nog nauwelijks begrijpen.

Augustinus zou deze ontwikkelingen waarschijnlijk niet in de eerste plaats beoordelen als een technisch probleem, maar als een geestelijk vraagstuk. Zijn onderscheid tussen de twee steden – de aardse stad en de Stad Gods – krijgt in onze tijd een onverwachte actualiteit. Niet omdat wij opnieuw religieus zouden moeten worden, maar omdat ook wij worden geconfronteerd met de vraag welke werkelijkheid uiteindelijk richting geeft aan ons bestaan. Iedere grote beschaving creëert haar eigen tweede werkelijkheid. In de late Oudheid was dat de transcendentie van het christendom. In de eenentwintigste eeuw dreigt die tweede werkelijkheid steeds meer te worden opgebouwd uit data, algoritmen en kunstmatige intelligentie. De collectieve waan hoeft zich niet langer te openbaren in religieuze extase; zij kan zich even goed manifesteren als een perfect gesimuleerde werkelijkheid, waarin het onderscheid tussen waarheid en illusie definitief lijkt te verdwijnen.

Misschien zouden wij er goed aan doen nog eens een potje te gaan voetballen met Augustinus. Niet omdat hij ons iets over buitenspel of een 4-3-3-opstelling zou kunnen leren, maar omdat hij als geen ander begreep hoe een beschaving zichzelf kan verliezen in het spektakel. De vraag is niet of voetbal, kunstmatige intelligentie of sociale media op zichzelf goed of slecht zijn. De vraag is wat er gebeurt wanneer zij de plaats innemen van datgene waarvoor zij ooit bedoeld waren: de gemeenschap dienen in plaats van haar te vervangen. Augustinus zou ons eraan herinneren dat elke beschaving uiteindelijk wordt beoordeeld op wat zij aanbidt. Misschien zijn onze algoritmen en mondiale sportevenementen de nieuwe afgoden van een wereld die opnieuw brood en spelen boven waarheid en gemeenschap verkiest.

(Zeg nou zelf, dorpspastoor Mous raakt steeds meer op dreef)