De tijd van Raoul Vaneigem (1934-2026)

Gisteren werd bekend dat de Belgische filosoof Raoul Vaneigem is overleden. Zijn dood markeert het einde van een tijdperk. Hij is 92 jaar geworden en was een van de laatste levende vertegenwoordigers van de Situationistische Internationale, de kleine maar invloedrijke beweging die de geest van mei ’68 diepgaand heeft gevormd. Zijn overlijden deed mij denken aan een boek dat jarenlang ongelezen in mijn boekenkast stond: Handboek voor de jonge generatie.

Ik kreeg het ooit van Rients Kooistra, die later kunstcriticus werd van het Friesch Dagblad. In 1988 liep hij als student kunstgeschiedenis stage bij de Fryske Kultuerried waar ik destijds werkzaam was. Hij vertelde dat hij ooit twintig exemplaren van dit boek had opgekocht bij De Slegte. Ik heb het altijd beschouwd als een cultboek van een eigenzinnige outsider. Pas later ben ik het zelf gaan lezen. Veel te laat eigenlijk, want het is een prachtig en verrassend actueel boek.

Vaneigem schreef het in 1967, hetzelfde jaar waarin ook La Société du spectacle van Guy Debord verscheen. Misschien is dat wel de reden dat zijn boek altijd enigszins in de schaduw is blijven staan. Debord groeide uit tot de wereldberoemde theoreticus van mei ’68. Zijn ideeën over de spektakelmaatschappij beïnvloedden denkers als Baudrillard en vormen een belangrijk scharnierpunt tussen het naoorlogse Franse denken en het postmodernisme.

Toch heb ik steeds meer de indruk gekregen dat Vaneigem uiteindelijk meer te zeggen had dan Debord. Beiden vormden het intellectuele hart van de Situationistische Internationale, maar terwijl Debord na zijn dood een ware revival beleefde – mede dankzij de antiglobaliseringsbeweging van de jaren negentig – bleef Vaneigem een relatief onbekende figuur. Hij leefde nog bijna dertig jaar langer dan Debord en bleef tot op hoge leeftijd schrijven, zij het steeds meer aan de zijlijn van het publieke debat. Nu ook hij er niet meer is, wordt duidelijk hoe uitzonderlijk lang hij getuige is geweest van de geschiedenis die hij zelf mede heeft beïnvloed.

Achteraf bezien was het niet toevallig dat juist de ervaring van de tijd het centrale thema werd van Vaneigems denken. In de jaren zestig voltrok zich de overgang van een samenleving die was georiënteerd op arbeid naar een maatschappij waarin de vrije tijd het nieuwe strijdtoneel werd. Filosofen als Henri Lefebvre, Guy Debord en Raoul Vaneigem zagen hoe de moderne mens steeds meer werd losgemaakt van zijn eigen tijd en ruimte. Niet langer leefde hij actief in de wereld, maar aanschouwde hij haar als toeschouwer via beelden, reclame en massamedia. Daarmee sloten zij aan bij het existentialisme van de naoorlogse jaren, waarin de mens weliswaar radicaal vrij werd verklaard, maar die vrijheid tegelijk als leegte en contingentie kon worden ervaren.

De anonieme buitenwijken, de voortschrijdende individualisering en de opkomst van de consumptiemaatschappij creëerden wat de Amerikaanse socioloog David Riesman al in 1950 the lonely crowd had genoemd: een samenleving van gefragmenteerde individuen die zich steeds meer oriënteerden op het vluchtige, op uiterlijkheden en op elkaar, in plaats van op traditie, duurzaamheid en innerlijke ervaring. De generatie van mei ’68 was in veel opzichten de opstand van de kinderen van die eenzame menigte. Zij wilden zich het leven opnieuw toe-eigenen en vooral de authentieke ervaring van de tijd heroveren.

In dat licht moeten ook de boeken worden gelezen die in nauwelijks tien jaar tijd verschenen: Enzensbergers Bewusstseinsindustrie (1962), Marcuses One-Dimensional Man (1964), Vaneigems Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations (1967), Debords La Société du spectacle (1967) en Baudrillards La Société de consommation (1970). Zij beschreven ieder op hun eigen wijze hoe het dagelijks leven werd gekoloniseerd door consumptie, spektakel en vervreemding. Voor Vaneigem lag de revolutie daarom niet in de verovering van de staatsmacht, maar in een langzame herovering van het dagelijks leven zelf. Door middel van détournement – het creatief verdraaien en ondermijnen van bestaande betekenissen – moest een parallelle cultuur ontstaan waarin spel, creativiteit en directe ervaring opnieuw de plaats innamen van passiviteit en conformisme.

Vooral zijn gedachten over tijd en het dagelijks leven spraken mij aan. Veel daarvan herkende ik in het denken en handelen van Louis Le Roy (1924-2012) die ik in de latere jaren van zijn leven goed heb mogen leren kennen. Vaneigem schrijft over wat hij het tijd-ruimtecontinuüm van de alledaagse ervaring noemt. Als er één ideaal was waarvoor de situationisten streden, dan was het wel het herstel van de ervaring van oneindigheid die ieder mens uit zijn kinderjaren kent. Alleen het kind leeft nog werkelijk in het hier en nu.

Dat verlangen spreekt ook uit de beroemde leuzen die tijdens mei ’68 op de muren van Parijs verschenen: Onder de straatstenen ligt het strand. Wees realist, eis het onmogelijke. Werk nooit. De verbeelding aan de macht. Ik houd mijn verlangens voor werkelijk, omdat ik geloof in de werkelijkheid van mijn verlangens. Het is verboden te verbieden. Men koopt jouw geluk, steel het. Ik ben marxist van de richting Groucho.

Al die leuzen getuigen van een diep verlangen naar de tijdservaring van het kind. Volgens Vaneigem heeft de spektakelmaatschappij de mens zijn eigen tijd ontstolen. Die vervreemding begint al in de opvoeding. Hij schrijft:

‘Buiten waken de opvoeders, zij staan te wachten met het horloge in de hand tot het kind weer gaat meedoen met de urendans. Zij hébben de tijd. Eerst ervaart het kind het als een inbreuk van buitenaf dat de volwassenen hem hun tijd opleggen; ten slotte geeft hij eraan toe en aanvaardt hij het ouder worden. Omdat hij niets afweet van de conditioneringsmechanismen laat hij zich als een jong dier in de val lokken. Wanneer hij beschikt over de wapenen van de kritiek en ze op de tijd wil richten, zullen de jaren hem ver van zijn doel hebben afgedreven. Zijn kinderjaren zal hij als een open wond in het hart dragen.’

Alles valt ten prooi aan het spektakel, zo geloofden de situationisten. Zelfs de kunst. Daarom moest de gegijzelde kunst worden bevrijd. De verbeelding moest worden teruggegeven aan een radicale subjectiviteit die zich uit in spel, vrije creatie, droom, liefde, poëzie en communicatie. Het volle leven bevindt zich in het hier en nu, niet in het overleven dat de mens van zichzelf vervreemdt. Mensen spelen rollen, en een rol kent geen authentiek beleefd heden. Het spektakel heeft een radicale scheiding aangebracht tussen tijd en ruimte.

Zoals Vaneigem zelf schrijft: ‘Iedere seconde abstraheert mij van mezelf; er is nooit een nu.’ Het doelloos druk bezig zijn maakt van ons reizigers in de tijd. We verdrijven de tijd, zoals de uitdrukking zo treffend luidt, totdat uiteindelijk de tijd ons zelf verdrijft. Wanneer Schopenhauer schrijft: ‘Vóór Kant waren wij in de tijd, sinds Kant is de tijd in ons’, verwoordt hij volgens Vaneigem hoe het bewustzijn wordt overspoeld door de tijd van veroudering en verval.

Achteraf bezien passen Vaneigems ideeën naadloos in het revolutionaire klimaat van de jaren zestig. Het leven zou meer moeten zijn dan overleven. Creativiteit, liefde en spel zijn volgens hem geen luxe, maar de voorwaarden voor een werkelijk menselijk bestaan. Hij levert een vernietigende kritiek op het kapitalisme en op iedere maatschappij die mensen reduceert tot consumenten, producenten of toeschouwers. Daartegenover plaatst hij een revolutie van het dagelijks leven, waarin zelfverwerkelijking, communicatie en actieve participatie centraal staan.

Daarmee liep hij in zekere zin vooruit op het postmodernisme, al bleef hij tegelijk vasthouden aan een utopisch verlangen dat veel postmoderne denkers juist hadden opgegeven. Zijn revolutie was geen politieke blauwdruk, maar een poging om de ervaring van het leven zelf te herstellen.

In wezen draait Vaneigems denken om het herstel van een authentieke tijdservaring: het geloof dat er steeds opnieuw een beslissend ogenblik – een kairos – kan ontstaan waarin de loop van het leven een andere richting neemt. Tegenover de lineaire tijd van productie, consumptie en onvermijdelijk verval plaatst hij de ervaring van een steeds terugkerend heden, waarin elk moment de mogelijkheid van een nieuw begin bevat.

Je zou dat de actuele erfenis van Vaneigem kunnen noemen. In een tijd waarin algoritmen, schermen en artificiële intelligentie onze aandacht steeds verder koloniseren, klinkt zijn kritiek op de spektakelmaatschappij actueler dan ooit. Zijn verlangen naar een leven waarin spel, liefde, verbeelding en directe ervaring weer centraal staan, is geen nostalgie naar de jaren zestig, maar een uitdaging die ook vandaag niets aan urgentie heeft ingeboet. Dat is – lijkt mij – ook de mooiste manier om Vaneigem te gedenken: door de tijd niet te verdrijven, maar haar opnieuw daadwerkelijk te gaan bewonen. De tijd van Raoul Vaneigem is de tijd van het hier en nu die ons telkens weer ontstolen dreigt te worden.