Op weg naar Omega – tussen AI en God


In mijn boekenkast staan een paar dikke boeken van Augustinus, vertaald uit het Latijn door Gerard Wijdeveld die ooit mijn leraar klassieke talen was. Vaak heb ik mij voorgenomen deze boeken nog eens van begin tot eind door te lezen, maar het komt er nooit echt van. Telkens als er er aan begin, raak ik verdwaald in die wonderlijke wereld van de vijfde eeuw in Rome, Milaan en Carthago, met zijn strijd tussen heidenen en christenen en alle soorten ketters die je bedenken kunt. Ik heb er het geduld niet meer voor. Toch is er juist tegenwoordig alle reden om Augustinus nog eens ter hand te nemen. Die reden is: AI.  

De snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie kan worden opgevat als meer dan alleen een technologische revolutie. Voor sommige denkers lijkt zij de manifestatie van een kosmisch proces, waarin de evolutie van het leven overgaat in de evolutie van het bewustzijn. Teilhard de Chardin zag de geschiedenis van het universum als een voortdurende beweging naar grotere complexiteit en hogere vormen van reflectie. Volgens hem ontwikkelt de biosfeer zich uiteindelijk tot een noösfeer, een planetaire laag van collectief bewustzijn waarin de mensheid steeds inniger met elkaar verbonden raakt. Dit proces mondt uit in het Punt Omega, waarin alle bewustzijn samenkomt in Christus. God staat daarbij niet buiten de geschiedenis, maar werkt van binnenuit als de aantrekkende kracht die de schepping naar haar voltooiing voert. Het goddelijke is niet alleen het beginpunt van de schepping, maar ook haar bestemming.

Opmerkelijk genoeg vertonen veel hedendaagse visies op kunstmatige intelligentie een vergelijkbare structuur. Futuristen als Ray Kurzweil beschrijven de ontwikkeling van AI als een exponentiële versnelling van de evolutie, waarin menselijke en kunstmatige intelligentie uiteindelijk samenvloeien. Het internet fungeert daarbij als een moderne noösfeer, terwijl de door Kurzweil voorspelde Singularity de plaats inneemt van Teilhards Punt Omega. De mens schept een intelligentie die hem uiteindelijk overstijgt en die de grenzen niet alleen tussen individu en collectief, maar ook tussen biologische en technologische evolutie, steeds verder doet vervagen. De technologische singulariteit is het historische omslagpunt waarop de groei van intelligentie exponentieel wordt, doordat intelligente machines steeds intelligentere machines ontwerpen. Hoewel deze toekomstvisie doorgaans in wetenschappelijke termen wordt gepresenteerd, vertoont zij overeenkomsten met een religieuze heilsgeschiedenis. Niet Christus, maar de superintelligentie van de machine wordt het eindpunt van de geschiedenis. In die zin lijkt de AI-utopie een geseculariseerde variant van een christelijke eschatologie.

Daarom is het interessant deze gedachtegang te confronteren met Augustinus, die zijn boek De civitate Dei schreef in de nasleep van de plundering van Rome door de Visigoten in 410. De val van de Eeuwige Stad bracht een diepe geestelijke crisis teweeg. Velen meenden dat het rijk ten onder was gegaan doordat het christendom de oude Romeinse goden had verdrongen. Tegen deze vroege vorm van cultuurpessimisme en complotdenken ontwikkelde Augustinus een radicaal nieuwe visie op de geschiedenis en de werkelijkheid. Hij onderscheidde twee ‘steden’ of bestaansordes die weliswaar voortdurend met elkaar verweven zijn, maar uiteindelijk een verschillende bestemming hebben: de Civitas Dei, gegrondvest op de liefde tot God, en de Civitas Terrena, gebouwd op de liefde tot zichzelf. Daarmee ontstond niet alleen een nieuwe visie op de geschiedenis, maar ook op ruimte en tijd. Naast de zichtbare wereld van politieke rijken en aardse macht plaatste Augustinus een transcendente orde die haar voltooiing pas aan het einde der tijden zou bereiken. De geschiedenis werd daardoor niet een verhaal van lineaire vooruitgang of onafwendbare ondergang, maar een dramatisch tussengebied waarin beide rijken zich gelijktijdig manifesteren en de mens telkens opnieuw moet kiezen waaraan hij zijn liefde en loyaliteit schenkt.

In dat opzicht krijgt de huidige digitale revolutie een opmerkelijke parallel. Zoals de opkomst van het christendom samenviel met de ondergang van het Romeinse wereldrijk en een nieuw begrip van ruimte en tijd voortbracht, zo voltrekt zich vandaag opnieuw een mondiale machtsverschuiving. Het internet creëerde een virtuele ruimte die de geografische wereld doordringt en de ervaring van nabijheid, gemeenschap en aanwezigheid ingrijpend heeft veranderd. Waar Augustinus de aardse stad spiegelde aan het hemelse Jeruzalem, ontstaat nu een digitaal domein dat zich eveneens als een tweede werkelijkheid over de fysieke wereld uitspreidt. Maar er is een fundamenteel verschil. Bij Augustinus verwijst die tweede ruimte naar een transcendente bestemming die de wereld overstijgt; in het technologische denken wordt die tweede ruimte steeds vaker opgevat als een immanente toekomst die door de mens zelf gerealiseerd kan worden. Waar de christelijke heilsgeschiedenis haar voltooiing verwachtte in God, zoekt de AI-utopie haar vervulling in de technologische evolutie zelf.

Vanuit dat perspectief zou Augustinus vermoedelijk uiterst kritisch hebben gekeken staan naar de hedendaagse verwachting dat kunstmatige intelligentie de mensheid uiteindelijk zal verlossen of transcenderen. Niet omdat techniek op zichzelf verdacht is, maar omdat de mens geneigd is zijn eigen scheppingen te vergoddelijken. De belofte van de Singularity – zoals Kurzweil dat ziet – zou Augustinus waarschijnlijk hebben opgevat als een eigentijdse variant van de toren van Babel: een poging om door eigen kunnen de hemel te bereiken. Het gevaar schuilt niet in de techniek zelf, maar in de superbia, de hoogmoed die de mens ertoe verleidt zichzelf of zijn creaties tot hoogste norm te verheffen. AI behoort daarmee niet vanzelfsprekend tot de Stad van God, maar kan even goed een uitdrukking zijn van de aardse stad, waarin macht, beheersing en zelfverheerlijking de boventoon voeren.

Toch sluiten beide denkwijzen elkaar niet uit. Je zou kunstmatige intelligentie ook kunnen beschouwen als een uitdrukking van de menselijke scheppingskracht, die haar oorsprong vindt in het feit dat de mens naar Gods beeld is geschapen. In die zin vormt AI een nieuwe fase in de cultuurontwikkeling, zonder daarmee automatisch een stap op weg naar de verlossing te zijn. De beslissende vraag luidt dan niet hoe intelligent onze machines worden, maar welke geest en welke liefde hun ontwikkeling sturen. Voor Augustinus loopt de scheidslijn tussen de twee rijken immers niet tussen mens en machine, of tussen natuur en techniek, maar dwars door het menselijke hart. Dezelfde technologie kan worden ingezet voor genezing, onderwijs en rechtvaardigheid, maar ook voor manipulatie, overheersing en afgoderij. Uiteindelijk legt Kurzweil de nadruk op de evolutie van de intelligentie, terwijl Augustinus de aandacht vestigt op de bekering van de wil. In die spanning ligt mgelijk een vruchtbaar uitgangspunt voor het denken over AI. Of in termen van Teilhard ed Chardin: niet de vraag of de noösfeer ooit het Punt Omega zal bereiken is uiteindelijk beslissend, maar of de groei van onze collectieve intelligentie gepaard gaat met een groei in wijsheid, nederigheid en liefde. Alleen dan kan technologische vooruitgang werkelijk bijdragen aan een mogelijke bestemming van het verschijnsel mens aangenomen dat er zoiets als een ‘bestemming’ in de evolutie bestaat.

De vraag is dan niet of de machine ooit op God zal gaan lijken, maar of het verschijnsel mens zijn eigen godsbeeld geleidelijk op de machine projecteert. Zodra de technologische evolutie wordt opgevat als de drager van een immanente verlossing, verschuift het object van het geloof ongemerkt van de transcendente God naar een door de mensheid zelf voortgebrachte intelligentie. De machinemens is dan niet zozeer een wezen van silicium en algoritmen, maar een een mens die zijn vertrouwen verlegt van genade naar berekening, van wijsheid naar informatie, van de beheersing van de wil naar de optimalisering van de intelligentie. In dat licht bezien krijgt de oude tegenstelling ven ‘de twee rijken’ van Augustinus een onverwachte actualiteit. De verdeling tussen deze twee rijken loopt niet tussen mens en machine, maar tussen twee manieren van geloven: enerzijds het geloof dat het verschijnsel mens zichzelf door de techniek kan voltooien, en anderzijds het geloof dat iedere menselijke voltooiing uiteindelijk een gave blijft. Dat zou dan de beslissende vraag zijn die de opkomst van kunstmatige intelligentie ons stelt: niet hoe machtig onze machines zullen worden, maar welk beeld van het verschijnsel mens zij gaandeweg in onszelf tot leven wekken.

De dageraad der automaten kondigt daarom niet het einde van het verschijnsel mens aan, maar een nieuw begin van de vraag naar zijn mogelijke bestemming. Want hoe volmaakter de machine wordt, des te dringender wordt de vraag wat een mens nog mens maakt. In aansluiting op mijn gedachten over het fenomeen psychose, kun je ook stellen dat de psychose het eerste geestelijk fenomeen is waarin de toekomst zich al even liet aanzien. Niet omdat zij een voorbode van kunstmatige intelligentie zou zijn, maar omdat zij hetzelfde oeroude verlangen blootlegt: een mens die de scheiding tussen zichzelf en het oneindige niet langer verdraagt. De machinemens is daarvan wellicht de nieuwste gestalte. Maar de vraag die overblijft is vergelijkbaar met die van Augustinus destijds. Het is niet de vraag hoe wij God kunnen evenaren, maar wat er van een mens overblijft wanneer hij dat gaat proberen en daar ook steeds meer in lijkt te slagen. De God die dan bij Punt Omega – of de Singularity – verschijnt, zou ook een sublieme vorm van verschrikking kunnen zijn, een soort Holocaust in het kwadraat, iets ongehoords wat beter verborgen had kunnen blijven.