
‘Een boek is een huis waar je een tijd in gewoond hebt.’ Die woorden van Oek de Jong kwamen gisteren in mij op. Als je een boek schrijft, woon je erin. Maar als het eenmaal verschenen is, kost het moeite om dat huis opnieuw binnen te gaan. Het is alsof je alleen nog door de achterdeur naar binnen kunt, en niet meer door de hoofdingang. Toch moet ik dat nu doen, omdat ik mijn lezing voorbereid die ik op 9 september in Tresoar mag houden. Terwijl ik door mijn eigen boek dwaal, dwalen mijn gedachten verder. Waarom schrijf ik eigenlijk? Moet er nog wel een nieuw boek komen? Waarom moet er iedere dag weer een tekst op mijn blog verschijnen? Zal dat ooit veranderen, zolang ik leef? Ik vrees van niet.
Door te bloggen kan ik ronddwalen in mijn eigen verleden, bij voorkeur in de eerste dertig jaar van mijn leven, toen ik nog in Amsterdam woonde. Nostalgie is voor mij een belangrijke drijfveer om te schrijven. Maar schrijven is ook dwalen: een verhaal beginnen zonder te weten waar je uitkomt. Ik zou willen schrijven over een verleden dat er niet meer is, maar waarvan de restanten nog altijd in het heden zichtbaar zijn. In Friesland vind ik die restanten nauwelijks, behalve misschien in Gaasterland, waar ik als kind met mijn vader kwam. Ik houd ervan om in Amsterdam rond te dwalen. In Friesland kun je heel veel, maar dwalen lukt mij hier minder goed. Misschien moet ik weer eens gaan schilderen. Niet dat ik daar veel aanleg voor heb, maar schilderen verzet je gedachten, net als het doelloos ronddwalen in een grote stad.
Begin jaren zeventig begon ik te schilderen. Dat heb ik jarenlang gedaan, maar naarmate ik meer over de schilderkunst te weten kwam, verleerde ik als het ware de kunst van het schilderen. Op het doek verschenen wonderlijke, meestal surrealistische voorstellingen: nachtelijke landschappen met reusachtige handen die over de rand van de bergen reikten, alsof een gigantische reus zich achter de horizon omhooghees om te kunnen zien wat er die nacht aan de andere kant van de aarde gebeurde.
Welnu, er gebeurde heel wat in die eerste jaren van de jaren zeventig. De dagen vlogen om. Ik woonde destijds in de Wakkerstraat, in de Watergraafsmeer, in een donkere kamer met uitzicht op een binnentuin. Om de hoek was de buurtbioscoop De Bio, waar ik naar tweederangs griezelfilms keek: Dracula en Frankenstein. Ik las de spookverhalen van Edgar Allan Poe. Foltering door hoop van Villiers de l’Isle Adam is een titel die me ineens te binnen schiet. En natuurlijk las ik ook alle boeken van Tolkien. Wat mijn studie betreft leek ik eindelijk mijn bestemming gevonden te hebben. Na twee mislukte studies was ik in 1970 begonnen aan kunstgeschiedenis.
Op 24 december 1971 bracht ik samen met mijn docent Hessel Miedema en vier medestudenten een bezoek aan het kerkje van Oosterend. We reden er met een Volkswagenbusje naartoe. De kraak, of het doksaal, in dit kerkje dateert uit het midden van de zestiende eeuw. Die hebben we die dag nauwkeurig opgemeten en beschreven. Ik was nog nooit in Oosterend geweest. Het leek me een onnozel oord, in the middle of nowhere. Dat was het ook. Ik herinner me nog hoe we in de sacristie het doopregister bekeken en warme chocolademelk kregen. Ook de reliëfs op de kraak, met hun voorstellingen uit de Bijbel, staan me nog helder voor de geest. Het ging Miedema vooral om de vraag welke middeleeuwse Bijbel als voorbeeld was gebruikt voor de voorstellingen op de kraak.
Die dag in december vroor het dat het kraakte. Het was, letterlijk en figuurlijk, de dag van de kraak. Op de Afsluitdijk was het glad en moesten we bijna stapvoets rijden. Het was de dag voor Kerstmis. De laatste kerstbomen werden verkocht voordat ze weer in de grond verdwenen. Sneeuw lag er, voor zover ik me herinner, niet. Mijn jongste zus Trees was jarig, zoals altijd op de dag voor Kerstmis. Toen ik thuiskwam, stond de kerstboom al opgetuigd. Ik zette meteen mijn nieuwe elpee van Joni Mitchell op, die ik de dag ervoor had gekocht.
Het verleden laat zich niet in woorden vangen. Dat blijkt telkens weer. Er is altijd iets wat ontglipt: de poëzie, de muziek, de tederheid. Zodra je het probeert te benoemen, vliegt het weg. Er wordt wel eens beweerd dat het dichters verboden zou moeten worden gelukkig te zijn. Poëzie is heimwee. Dichters horen thuis in een stad waarin ze zich niet helemaal thuis voelen. In Amsterdam misschien. Of in Leeuwarden.
Ik ben een displaced person. Een ontheemde. Volgens de gebruikelijke definitie is dat iemand die door oorlog of geweld buiten zijn thuisland is geraakt en zonder hulp niet kan terugkeren. Zo erg is het nu ook weer niet, maar displaced voel ik me vaak wel. Ik heb geen thuisland, geen vaderland, geen vaste roots. Wie ik ooit was, ben ik niet meer. En wie ik geworden ben, zal ik nooit helemaal zijn.
Dat is het onbestemde gevoel dat mij soms zomaar overvalt: ik ben een banneling zonder thuisland. Eeuwig op de vlucht. En zodra ik ergens denk aan te komen, wil ik alweer vertrekken. Misschien is dat ook de reden waarom ik nog altijd blijf schrijven. Steeds opnieuw probeer ik een huis te bouwen waar ik voor even in kan wonen, om het daarna weer achter me te laten en verder te trekken, zonder precies te weten waarheen.
Dat gevoel van geen vaste horizon te hebben brengt me telkens weer terug naar het verleden, terwijl de tijd onontkoombaar voortschrijdt naar het einde. Twee tegengestelde richtingen: terugkijken en vooruitgaan, verleden en toekomst. Misschien is schrijven wel de plek waar die twee elkaar even raken. Maar wat levert dat uiteindelijk op?
Zoals Joni Mitchell zingt in Both Sides Now: je kunt het leven van twee kanten bekijken, maar uiteindelijk blijven vooral de illusies hangen. Hoe langer je kijkt, hoe minder zeker je weet wat het leven nu eigenlijk voorstelt. Je denkt steeds weer iets nieuws te ontdekken, al was het maar omdat je het leven zo vaak hebt onderzocht. Maar telkens als je meent er iets van te begrijpen, glipt het weer uit je handen.
Misschien is het leven als een huis waarin je voortdurend rondzwerft, zonder er ooit helemaal thuis te raken. Schrijven lijkt daar misschien het meest op. Zolang je schrijft, woon je in het huis van je eigen woorden. Je kent er iedere kamer, iedere gang, iedere deur. Maar zodra het boek verschijnt, verlaat je het huis. Dan wordt het een plek uit het verleden, waar je alleen nog met moeite naar binnen kunt.
En toch ga ik het op 9 september weer proberen. Ik zal door mijn eigen boek dwalen, kamer na kamer, en misschien ontdek ik onderweg iets wat ik bij het schrijven zelf nog niet heb gezien. Want misschien is dat uiteindelijk de reden waarom ik blijf schrijven: niet om ergens aan te komen, maar om steeds opnieuw een huis te bouwen waar ik even in kan wonen.
***
Reminder: Op woensdag 9 september om 20.00 uur geef ik in Tresoar (café De Gouden Leeuw) een lezing over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose.
Toegang gratis, inloop vanaf 19.30 uur. U bent van harte welkom! Opgave: zie hier.