Telkens weer Hitler

Moshe Feiglin, voormalig Knessetlid voor de Likud en vertegenwoordiger van de religieus-nationalistische rechterzijde in Israël, pleitte in 2024 voor de vernietiging en ontvolking van Gaza en sprak over een toekomstig ‘Hebrew Gaza’. In dat verband haalde hij Hitler aan. (zie video hieronder) Volgens Feiglin zou Hitler hebben gezegd dat hij niet kon leven zolang er nog één Jood over was. Vervolgens keerde hij die uitspraak om: Israël zou niet kunnen leven zolang er nog één ‘Islamo-nazi’ in Gaza is. Onlangs deed ook de Israëlische minister van Nationale Veiligheid Itamar Ben-Gvir opnieuw zeer radicale uitspraken over Gaza. Hij pleitte voor het doden van 30 à 40 mensen per nacht, sprak over mensen die volgens hem ‘niet zouden moeten leven’ en bepleitte opnieuw Israëlische nederzettingen in heel Gaza. (zie: hier)

Dat maakt Feiglins uitspraak uit 2024 achteraf niet tot een geïsoleerd curiosum, maar tot onderdeel van een bredere radicalisering van de politieke taal rond Gaza, waarin het beeld van de absolute vijand en verwijzingen naar Hitler en de Holocaust een steeds prominentere plaats innemen.

Telkens weer Hitler en telkens wer de de Holocaust. Maar juist dat ‘telkens weer’ roept een ongemakkelijke vraag op. Wat gebeurt er wanneer een historisch kwaad zo groot en zo absoluut wordt dat het een maatstaf voor ieder nieuw kwaad lijkt te worden? De vergelijking met Hitler kan verhelderend zijn, maar ook verblindend. Zij kan een patroon zichtbaar maken dat anders aan het oog ontsnapt, maar zij kan het heden ook gevangen zetten in een verleden dat niet meer hetzelfde is.

Dat probleem doet zich vandaag opnieuw voor, in het debat over Gaza en de vraag in hoeverre het Israëlische optreden tegenover de Palestijnen in verband mag worden gebracht met de Holocaust. Wanneer Frans Timmermans stelt dat de gedachte dat ‘wij alleen kunnen overleven als zij weg zijn’ dezelfde is als de gedachte die de nazi’s tegenover de Joden hanteerden, raakt hij aan een werkelijk gevaarlijke politieke logica. Maar wanneer hij daaraan toevoegt dat rechts Israël ‘exacts hetzelfde’ doet als de nazi’s destijds, wordt de historische vergelijking zo absoluut dat zij haar eigen overtuigingskracht dreigt te verliezen. Maar in hoeverre was de Holocaust uniek, en heeft het zin om telkens weer terug te komen op Hitler en de Holocaust? 

In 1990, tijdens de hoogtijdagen van het postmodernisme, formuleerde Mike Godwin een wet die naar hemzelf werd vernoemd: ‘Als een online-discussie maar lang genoeg duurt, trekt een van de deelnemers geheid een keer een vergelijking met de Hitler of de nazi’s.’ Dit soort fenomenen diende zich aan omdat ook elk vertoog over Hitler stilaan slijtagesporen begon te vertonen. Maar de wet van Godwin gaat nog altijd op. Geert Wilders wilde de Koran verbieden omdat Mein Kampf ook verboden was. Het was een schoolvoorbeeld van de Reductio ad Hitlerum, een woordspeling op reductio op adsurdum, een zegswijze  die verwijst naar de drogreden om een redenering te herleiden tot Hitler. De term werd voor het eerst gebruikt door de ethicus Leo Strauss (1899-1973).

Anders gezegd, Hitler werd een cliché, een woord van zes letters, een filmpersonage of een kapstok voor elke oppervlakkig vertoog over het kwaad. Het ultieme kwaad is het absurde ten top, het verdwijnpunt waarin de waarheid voorgoed verdwijnt. Dat lot is na verloop van tijd misschien wel alles beschoren, maar in het geval van de Reductio ad Hitlerum was er ook een verband met de opkomst van het waardevrije postmodernisme.

De ideologieën raakten sleets, net als ‘de grote verhalen’. Ook de modernistische utopieën leken voorgoed verleden tijd. De vraag rees zelfs of ook Hitler uiteindelijk niet als een ‘modernist’ moest worden gezien. De Duitse historicus Rainer Zitelmann betoogde in 1991 dat de modernisering van de Duitse samenleving een centrale doelstelling van Hitler was geweest. Hitler streefde immers naar een sterk geïndustrialiseerd Duitsland dat aan de top van de moderne technologie zou staan.

Die bewering stuitte op kritiek van onder meer Ian Kershaw, die beweerde dat de modernisering van Duitsland voor Hitler slechts een secundaire doelstelling was. De neiging om het fascisme in zijn algemeenheid een modernistisch verschijnsel te noemen werd gebruikelijk mede onder invloed van Roger Griffins Modernisn and Fascism (2007). In zijn recente studie over de cultuur van het interbellum plaatst Boterman vraagtekens bij deze tendens omdat de pluriformiteit van het modernisme hiermee geen recht wordt gedaan. Modernisme wordt zo al gauw een containerbegrip zonder enige nuance of differentiatie. 

Maar de onderliggende vraag blijft hiermee onbeantwoord. Waren de verschrikkingen van het nationaalsocialisme een logisch gevolg op het kwaad van het imperialisme en het kolonialisme, of stond het daar geheel los van? Zo bleef Hitler telkens opnieuw onderwerp van discussie en soms zelfs van strijd.  Na de val van de Berlijnse muur in 1989 veranderde het historische beeld van Hitler definitief. Bij de Historikerstreit, die in de tweede helft van de jaren tachtig zijn beslag kreeg, hadden ideologische zienswijzen van links en rechts nog een bepalende rol gespeeld. Die debatten gingen niet alleen over de Einmaligkeit van de Holocaust – was Stalin niet even erg of misschien zelfs erger geweest? Was de Goelag Archipel niet aan Auschwitz voorafgegaan? – maar ook over de Duitse Sonderweg: de theorie dat Duitsland in de negentiende eeuw een eigen ontwikkeling van adel naar democratie had gekend, waardoor een hang naar de autoritaire leider was blijven bestaan, met alle rampzalige gevolgen van dien.

In de totale verwarring rondom de fenomenen waarheid en feitelijkheid kon alles voortaan waar zijn, zeker voor wie gedesillusioneerd of wanhopig is. In die staat van voortdurende verbijstering ontstaan ongemerkt nieuwe vormen van geloof, hoe strijdig de inhoud van det geloof ook mag zijn met het gezonde verstand of de ratio. Zo lopen er grillige lijnen vanuit het postmodernisme naar het hedendaagse complotdenken. In het complotdenken herhaalt zich de waarheid die Tertullianus ooit herkende in christendom: credo quia absurdum. Ik geloof het omdat het absurd is. Het absurde kan geloofwaardig worden, juist omdat het absurd is. Dat is tegelijk ook de diepste drijfveer die elke vorm van geloof, ook het religieuze geloof, gemeen heeft met het complotdenken. Dat was ook het geheim van de waanwereld die door Hitler tot werkelijkheid werd verheven. Zijn waanwereld werd waar omdat het absurd was. Het ultieme kwaad vindt zijn oorzaak in het geloof in een complot van de wereld, waarbij de waarheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. 

‘Als niets waar is en alles slechts als een verhaal wordt opgevat, dan hoef je alleen maar een nieuw dominant verhaal te creëren om de huidige politieke orde te ondermijnen.’ Dat beweert Susan Neiman in haar boek Verzet en rede in tijden van nepnieuws (2017). Postmodernisme en neoliberalisme lijken elkaar goed te vinden in een tijd die ook wel gekenschetst wordt als het ‘post-waarheid-tijdperk’. Neiman schreef dit essay als een tirade tegen wat zij ‘de tijdgeest’ noemde, nadat Donald Trump in het najaar van 2016 tot president van Amerika was verkozen. Daarmee suggereerde Neiman dat het verspreiden van nepnieuws vooral ideologisch bepaald is. Nepnieuws staat in dienst van populistische charlatans die streven naar uitbreiding van hun macht.

Het neoliberalisme is gebaseerd op de gedachte dat de enige echte waarden marktwaarden zijn. Het postmodernisme baseert zich op de gedachte dat iedere aanspraak op waarheid kan worden gedeconstrueerd tot een poging om aanspraak op macht te maken. Daarnaast heeft volgens Neiman een idee uit de evolutionaire psychologie postgevat dat in iedere menselijke handeling een basisdoel kan worden herkend, namelijk: zoveel mogelijk kopieën van de mens voortbrengen. Al die zogenaamde ideologieën zijn zodanig deel gaan uitmaken van de heersende opinie, dat ze niet meer als ideologie worden ervaren. Trump was volgens Neiman de volmaakte personificatie van dit consortium van nep-ideologieën. 

In dit soort gedachten is een schaduw herkenbaar van het neomarxisme, waarin alles gereduceerd werd tot een onderliggende ideologie die de ware relaties in het leven aan het oog onttrekken. In feite zijn we allemaal marxisten geworden, zo beweert Neiman. Het monsterverbond tussen postmodernisme en neoliberalisme heeft ons tot speelbal gemaakt van paranoïde gedachten omtrent onzichtbare krachten van verscholen nep-ideologieën. Maar is dit niet te simpel gedacht? Wordt hiermee niet niet voorbijgegaan aan het werkelijke drama van het postmodernisme: het wegvallen van de grote ankerpunten in de menselijk denken, waarmee het omarmen van een waarheid voorheen gewaarborgd was: niet alleen in de religie, maar ook in ‘de grote verhalen’ uit de tijd van het modernisme. Die ankerpunten van de menselijke geest waren verbonden met een stelsel van maatschappelijke instituties. Maar de wereldbeelden zijn versplinterd en de scherven vliegen nog steeds in het rond.

Dat neemt niet weg dat die scherven nog altijd vragen oproepen. Hoe was het bijvoorbeeld met Europa vergaan als Hitler niet de oorlog aan de communisten had verklaard? Dat soort vragen verscheen en verdween, zoals het ook het postmodernisme zelf een fenomeen was van ‘verschijnen en verdwijnen’. In de hedonistische jaren negentig leek het even of de wereld zich van geen kwaad bewust was. Hitler verdween van het toneel, maar dook ook telkens weer op. Ook Hitler werd een verhaal, een fictie, een mogelijkheid die zou kunnen bestaan, niet alleen in het verleden, maar ook in het heden of zelfs in de toekomst. Dat was precies wat het postmodernisme met Hitler heeft gedaan. Het fenomeen werd gevangen in een web van fictieve verhalen, want de waarheid zelf, ook de historische waarheid, was opgehouden te bestaan. 

Vooruitgang en nostalgie waren in de jaren van modernisme en wederopbouw als twee alter-ego’s met elkaar verbonden geweest. Elke sprong voorwaarts ging gepaard met een schaduw van het verleden, totdat alleen de schaduw overbleef. Die onwerkelijkheid van het heden bleek monsters voort te kunnen brengen. Na de aanslagen van 9/11 keerde Hitler terug in een nieuw vertoog, niet alleen over terrorisme en alles wat daarbij komt kijken, maar ook in het vocabulaire van de opkomende populisten, die maar al te graag de fundamentalistische moslims met nazi’s vergeleken. Voor mij waren de aanslagen van 9/11 de eerste kennismaking in mijn leven met een extreme vorm van geweld. Het zou leiden tot mijn belangstelling voor terrorisme en de morele rechtvaardiging van het kwaad, waarmee ik weer terug was bij het ultieme kwaad van Hitler. Telkens weer Hitler.

En toch, niet ieder kwaad is Hitler. Maar sommige vormen van politiek kwaad vertonen wel degelijk mechanismen die we in het nationaalsocialisme aan het licht kwamen : de ontmenselijking van de ander, het aanwijzen van een absolute vijand, het geloof dat eigen veiligheid slechts mogelijk is wanneer die ander verdwijnt. Juist daar ligt de betekenis van de historische vergelijking. Hitler is dan geen sjabloon waarmee het heden moet worden ingevuld, maar een waarschuwing die ons dwingt nauwkeuriger te kijken. Telkens weer Hitler, daar lijkt gen ontkomen aan, maar belangrijker is de vraag wat wij bedoelen precies wanneer we zijn naam noemen.