Hitler lijkt een substituut geworden voor wat voorheen ‘het kwaad’ werd genoemd, zo besloot ik mijn blog van gisteren. Maar zodra Hitler als het ultieme kwaad wordt aangewezen, ligt een oude verleiding op de loer: het kwaad opnieuw te begrijpen als een zelfstandige, absolute macht, tegenover een even absoluut goede macht. Daarmee keren we terug naar het radicale dualisme van goed en kwaad, alsof de geschiedenis uiteindelijk door niets anders wordt beheerst dan door de strijd tussen licht en duister.
Wie over het kwaad nadenkt, komt vroeg of laat bij die tegenstelling uit. Het fenomeen Hitler lijkt er zelfs bijna vanzelfsprekend aanleiding toe te geven. Zijn radicaliteit heeft het christendom als het ware teruggeduwd naar zijn oudste veronderstellingen over de aard van het kwaad. Maar misschien is dat precies het probleem. Want hoe nieuw was die tegenstelling eigenlijk? In haar in 1942 geschreven Brief aan een kloosterling stelde Simone Weil dat er nooit een werkelijk verschil heeft bestaan — tenzij misschien in de wijze van formuleren — tussen de manicheïstische en de christelijke opvatting van de verhouding tussen goed en kwaad. Steeds weer verschijnt daar dezelfde onverzoenbare tegenstelling: tussen goed en kwaad, tussen licht en duister, tussen het alles en het niets.
In het Eerste hoofdstuk van Johannes krijgt die tegenstelling een bijna kosmische lading. Iedere geest die Christus niet belijdt, behoort niet tot God, maar tot de geest van de Antichrist, die volgens de tekst al in de wereld aanwezig is. Licht en donker, zwart en wit, these en antithese, God en duivel, Christus en Antichrist: telkens weer laait het dualisme op als een vlam uit oude as, vooral wanneer we proberen het ultieme kwaad een plaats te geven binnen een wereldbeeld dat uiteindelijk door het goede wordt beheerst.
Daar ligt ook het oude probleem van Job. Als God goed is, hoe kan dan het ultieme kwaad bestaan? En wat gebeurt er met die vraag wanneer een menselijke geest niet langer in staat is goed en kwaad van elkaar te onderscheiden, maar beide volledig ompoolt? Dan lijkt het kwaad niet alleen uit het bewustzijn verdwenen; het verschijnt juist in een vorm waarin het zichzelf als het goede kan ervaren. Misschien ligt daar een belangrijker les van Hitler dan in de eenvoudige gedachte dat hij ‘het kwaad’ vertegenwoordigde. Het werkelijk beangstigende is niet dat het kwaad zich als kwaad aandient, maar dat het zich kan hullen in de taal van het goede.
Met de verschijning van het ultieme kwaad keren daarom ook oude theorieën over het kwaad terug. Na de ontgoocheling van de Holocaust kwam opnieuw een manier van denken in beeld die eeuwenlang naar de marge van het christelijke denken was verbannen: de gnosis, en daarmee ook het manicheïsme. Gnosis — het Griekse woord voor kennis — verwees naar een vorm van religieuze kennis die niet in de eerste plaats door leerstellingen werd verkregen, maar door innerlijk schouwen, door een soort ‘kennis van het hart’. Het was een denken waarin uitverkiezing, inwijding, verlichting en verlossing nauw met elkaar verbonden waren. De wereld waarin de mens verkeerde, kon daarbij worden opgevat als een toestand van vergetelheid of waan.
De grondlegger van het manicheïsme was Mani, die in de derde eeuw na Christus leefde. Hij meende dat het licht van Christus hem had gered uit ‘de waan van deze wereld’. Maar zodra de wereld als waan wordt beschouwd, rijst de beslissende vraag: wat is dan nog werkelijkheid? Wat is licht en wat is duister? Uit die vraag kon een radicaal dualisme ontstaan: een eeuwige strijd tussen twee machten, goed en kwaad, licht en donker, die aanvankelijk als gelijkwaardig tegenover elkaar stonden. De werkelijkheid werd een kosmisch strijdtoneel.
Vanuit deze optiek krijgt ook Hitler een andere betekenis. Niet omdat Hitler simpelweg een moderne Mani zou zijn geweest, maar omdat zijn ideologie iets laat zien van wat er gebeurt wanneer een wereldbeeld zich sluit rond een absolute tegenstelling tussen goed en kwaad. Friedrich Heer heeft in Der Glaube des Adolf Hitler (1968) geprobeerd een verband te leggen tussen Hitlers Oostenrijkse katholieke achtergrond en een johannitisch, gnostisch aandoend christendom waarin innerlijke kennis, zuivering en verlossing een belangrijke rol speelden. Hitler was van oorsprong rooms-katholiek, maar nam al jong afstand van het geloof. Toch bleef er volgens Heer een vorm van religieuze gerichtheid bestaan, die later in een politieke religie kon worden omgevormd.
Of Heers historische reconstructie in alle opzichten overtuigt, is een andere vraag. Belangrijker is het patroon dat zij zichtbaar maakt. Een gesloten wereldbeeld biedt geen ruimte meer voor twijfel, correctie of morele zelfkritiek. Alles krijgt daarin zijn vaste plaats. De vijand is niet langer iemand met wie men van mening verschilt, maar de belichaming van het kwaad zelf. Wie hem bestrijdt, bestrijdt niet zomaar een mens, maar een kosmische vijand. Daarmee verandert politiek in een vorm van verlossingsdenken.
Juist daar ligt de overgang van waan naar politieke religie. In een gesloten systeem van bewustzijn wordt ieder gegeven bewijs opgenomen in het systeem zelf. De vijand is schuldig omdat hij vijand is; zijn schuld bevestigt vervolgens opnieuw dat hij de vijand is. Zo ontstaat een werkelijkheid waaruit geen ontsnapping meer mogelijk is. Het systeem is niet alleen immuun voor tegenspraak, het maakt tegenspraak zelf tot bewijs van zijn gelijk. Het kwaad krijgt daardoor een gezicht, een ras, een volk, een religie of een ideologie. De ander hoeft niet langer als mens te worden gezien. Hij wordt het symbool van alles wat vernietigd moet worden.
Dat mechanisme is misschien belangrijker dan de vraag of Hitler persoonlijk ‘gnostisch’ of ‘manicheïstisch’ genoemd kan worden. Het gaat om de manier waarop een gesloten wereldbeeld de morele werkelijkheid kan vervormen. De geschiedenis laat zien hoe gemakkelijk een religieuze of politieke verlossingsleer kan omslaan in een imitatie-religie: een systeem waarin de vernietiging van de vijand wordt voorgesteld als een voorwaarde voor de komst van het goede.
Ook Alfred Rosenberg probeerde het christendom in zo’n gesloten schema te plaatsen. In Der Mythus des zwanzigsten Jahrhunderts (1930) maakte hij gebruik van bepaalde Bijbelse tegenstellingen om zijn eigen rassenleer te legitimeren. Het evangelie van Johannes werd daarbij tegenover andere Bijbelse tradities geplaatst en vervolgens ingezet voor een antisemitische interpretatie van de geschiedenis. Het is een huiveringwekkend voorbeeld van de manier waarop oude religieuze tegenstellingen kunnen worden losgemaakt uit hun oorspronkelijke context en voor een moderne ideologie kunnen worden ingezet. Zo kan zelfs de Bijbel voor de kar van de rassenwaan worden gespannen.
Daarmee keert de oude vraag naar het kwaad terug. Is het kwaad uit niets ontstaan? Heeft het een menselijke oorsprong? Is het een zelfstandige macht die tegenover het goede staat? Of is het slechts de afwezigheid van het goede? Wat kan een mens eigenlijk weten over het kwaad? En is het niet precies de pretentie om dat kwaad volledig te kennen die zelf gevaarlijk kan worden?
Sinds de Verlichting wordt het kwaad doorgaans niet meer beschouwd als een zelfstandige, kosmische kracht. Maar ook die gedachte is veel ouder. Augustinus stelde al dat het kwaad slechts de privatio boni is: de afwezigheid van het goede. Daarmee keerde hij zich tegen de manicheeërs, die uitgingen van een eeuwige strijd tussen twee zelfstandige machten. Voor Augustinus was dat dualisme onaanvaardbaar, omdat het de almacht van God zou aantasten én omdat het de menselijke verantwoordelijkheid voor het kwaad in gevaar zou brengen. Als het kwaad een zelfstandige macht is, zo redeneerde hij, kan de mens zich immers op die macht beroepen om zijn eigen schuld te ontlopen.
Maar met Augustinus ontstond ook een ander probleem. Als het kwaad geen zelfstandige macht is, maar slechts een gebrek aan het goede, wat gebeurt er dan wanneer we geconfronteerd worden met een kwaad dat elke voorstelling van menselijke proportie te boven gaat? Zolang de almachtige en goede God als hoogste werkelijkheid gegarandeerd was, kon Augustinus het kwaad uiteindelijk een plaats geven binnen een door God beheerste orde. Maar wat gebeurt er wanneer die God niet langer vanzelfsprekend is?
Dat is de vraag die na Auschwitz met een nieuwe hevigheid terugkeert. Misschien is het geen toeval dat juist na de Holocaust oude gedachten over het absolute kwaad opnieuw opdoken. De moderne mens had het kwaad grotendeels gepsychologiseerd, gesocialiseerd en gerelativeerd. Het was een gebrek aan kennis, een product van omstandigheden, een ontsporing van menselijke driften. Maar Auschwitz maakte duidelijk dat er ook iets anders kon gebeuren: dat mensen het kwaad niet alleen kunnen doen, maar het kunnen organiseren, rationaliseren en bureaucratiseren — en daarbij overtuigd kunnen blijven dat zij zelf het goede dienen.
Daarom is ‘de amnesie van het kwaad’ misschien een treffender begrip dan de gedachte dat het kwaad eenvoudigweg verdwenen zou zijn. Het probleem is niet dat wij het kwaad niet meer kennen, maar dat wij telkens opnieuw vergeten hoe gemakkelijk het zich kan vermommen. Het kwaad verschijnt zelden met het gezicht dat wij verwachten. Het kan zich aandienen als gerechtigheid, veiligheid, zuivering, beschaving of verlossing. Het kan zelfs spreken in de naam van God.
Misschien is dat uiteindelijk ook wat de naam Hitler ons vandaag nog kan leren. Niet dat hij het unieke en definitieve gezicht van het kwaad is, zodat iedere nieuwe vorm van kwaad slechts met hem kan worden vergeleken. Juist zo’n vergelijking kan ons blind maken. De diepere les is dat het kwaad niet noodzakelijk herkenbaar is aan zijn uiterlijk, zijn retoriek of zijn historische naam. Het begint waar een mens, een groep of een ideologie meent het kwaad volledig te hebben herkend in de ander — en daarmee zichzelf ontslaat van iedere verdere twijfel.
Hitler is dan geen eindpunt van het denken over het kwaad, maar een waarschuwing tegen de verleiding om het kwaad te vereenvoudigen. Zodra wij menen te weten waar het absolute kwaad woont, dreigt de wereld opnieuw uiteen te vallen in licht en duister, in wij en zij, in mensen die mogen bestaan en mensen die moeten verdwijnen. Telkens wanneer de naam van Hitler valt, is het zaak niet alleen naar het verleden te kijken, maar vooral ook naar de manier waarop het denken zich op dat moment organiseert. Het zijn vaak voorspelbare patronen die het zicht op het kwaad ontnemen.
Want het gevaarlijkste aan het kwaad is misschien niet dat het tegenover het goede staat, maar dat het zich voor het goede kan uitgeven.
