
‘Je mag een ander mens niet aandoen wat je zelf niet wilt ondergaan of in het verleden hebt ondergaan’. Dat is de gulden regel van de christelijk-humanistische ethiek. De Joodse traditie kent die gedachte eveneens, beroemd geworden in de uitspraak van Hillel (50 v.Chr. – 10 n.Chr.) : ‘Wat gij haat, doe dat uw naaste niet aan’. Maar de Joodse traditie heeft daarnaast altijd de juridische vraag gesteld: wat doe je wanneer iemand die grens tóch overschrijdt. Dan komt de uitspraak ‘Oog om oog, tand om tand’ in beeld die op meerdere plaatsen voorkomt in het Oude Testament. Wat daaruit voortvloeit is niet noodzakelijk een ethiek van de wraak, maar de vraag naar de grens van de vergelding.
Hoe voorkom je dat het slachtoffer, uit woede over het aangedane onrecht, zelf dader wordt van nog groter onrecht? Zo lijkt deze Bijbelse uitspraak enige relevantie te krijgen voor het huidige debat over Israël en Gaza. Je kunt niet simpelweg zeggen: ‘Oog om oog tand om tand’ is eigen aan een typisch Joodse ethiek, terwijl humanisme vergeving en geweldloosheid voorschrijft. Dat zou geen recht doen aan andere de Joodse denkers over ethiek. De rabbijnse traditie bevat juist een sterke interne beweging van letterlijke vergelding naar proportionaliteit, compensatie, rechtsgelijkheid en compassie.
Waarom begin ik hierover? Het valt me op dat een ongemakkelijke vraag telkens weer terugkeert wanneer de oorlog in Gaza wordt besproken: kan een volk dat zelf slachtoffer is geweest van extreem geweld, op enig moment een geweldspatroon tegenover een ander volk ontwikkelen dat iets van dat oorspronkelijke trauma weerspiegelt? Die vraag is riskant, omdat zij gemakkelijk kan ontaarden in een grove historische vergelijking: de slachtoffers van de Holocaust zouden daders zijn geworden, precies wat hun vroegere vervolgers waren. Zo eenvoudig ligt het uiteraard niet. Toch is de vraag daarmee niet van tafel. Integendeel, wanneer we ons ervan bewust blijven dat er verschillen bestaan tussen een historische feit en een psychologische mechanisme, wordt deze vraag interessant. Het gaat dan niet om de bewering dat slachtoffers automatisch daders worden, maar om de mogelijkheid dat een collectief trauma een diepgande invloed kan hebben op de manier waarop een nieuwe bedreiging wordt waargenomen en beantwoord.
Bij individuen is een dergelijk mechanisme bekend vanuit de psychologie Wie in zijn jeugd ernstig is mishandeld seksuell is misbuit, loopt een verhoogd risico om later zelf dit soort gewelddadige gedragspatronen te herhalen. Dat betekent allerminst dat ieder mishandeld kind later een mishandelende ouder wordt. Integendeel, velen ontwikkelen juist een sterke afkeer van geweld en willen hun kinderen meegeven wat zij zelf hebben gemist. Maar het trauma kan zich ook vastzetten in automatische reacties en manieren waarop macht en kwetsbaarheid worden beleefd. Iemand kan onder stress reageren vanuit een oud patroon zonder zich daarvan volledig bewust te zijn. Wat ooit als slachtoffer is ondergaan, wordt dan niet letterlijk gekopieerd, maar kan als een relationeel patroon opnieuw worden uitgevoerd. Het verleden wordt dan als het ware in het heden nagespeeld.
Kunnen we ons iets dergelijks ook op collectief niveau voorstellen? Een samenleving is natuurlijk geen individu en een volk heeft geen psyché die op dezelfde manier functioneert als die van een enkel mens. Toch bestaan er wel degelijk collectieve herinneringen, historische trauma’s en culturele patronen van angst en waakzaamheid. De Holocaust heeft een enorme betekenis gekregen in het Joodse collectieve geheugen. De ervaring dat Joden in Europa niet alleen vervolgd, maar uiteindelijk ook systematisch vernietigd konden worden, heeft diepe sporen nagelaten. Daaruit heeft zich na de Holocaust een begrijpelijke overtuiging ontwikkeld dat de Joodse veiligheid nooit meer volledig afhankelijk mag zijn van de goede wil van anderen. De woorden ‘nooit meer’ hebben voor Joden daardoor een existentieel gewicht gekregen. Het verleden is niet slechts voortdurende herinnering, maar ook een permanente waarschuwing voor de toekomst.
De aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 konden tegen die achtergrond niet uitsluitend worden ervaren als een nieuwe terroristische aanval. Voor veel Israëli’s raakte die gebeurtenis aan een veel oudere angst: opnieuw waren Joden vermoord, ontvoerd en vernederd terwijl de staat, die juist bescherming had moeten bieden, hen niet kon beschermen. Een redelijk gevoel van veiligheid dat na de Holocaust en de stichting van de staat Israël een historische betekenis had gekregen, bleek opnieuw uiterst kwetsbaar. Dat maakt de heftigheid van de Israëlische reactie tot op zekere hoogte wat meer begrijpelijk, zonder die brute reactie daarmee automatisch te rechtvaardigen. Wantdaar begint jist de moeilijkheid. Een trauma kan enigszins verklaren waarom een samenleving reageert zoals zij reageert, maar een trauma kan nooit op zichzelf bepalen wat moreel geoorloofd is.
Daarom is het belangrijk om onderscheid te maken tussen twee betekenissen van ‘nooit meer’. De eerste luidt: nooit meer mogen Joden weerloos zijn tegenover een vijand staan die hen wil vernietigen. De tweede luidt: nooit meer mag een mensengroep worden behandeld zoals de Joden tijdens de Holocaust zijn behandeld. De eerste betekenis kan leiden tot een politiek van maximale zelfbescherming. De tweede heeft een universele betekenis op grond van en mensenrechten. Zolang ‘nooit meer’ uitsluitend wordt opgevat als een opdracht om de eigen bevoling onder alle omstandigheden te beschermen, bestaat het gevaar dat de geschiedenis wordt gereduceerd tot één les: wij mogen nooit meer slachtoffer zijn. Wanneer ‘nooit meer’ daarentegen betekent dat niemand ooit nog aan een dergelijke vorm van ontmenselijking mag worden blootgesteld, wordt de Holocaust een universele waarschuwing.
Maar is dat alles? Er is meer aan de hand. Er zijn zeer sterke gronden om het Israëlische optreden in Gaza als genocide te kwalificeren; een onafhankelijke VN-onderzoekscommissie heeft dat inmiddels expliciet vastgesteld en heeft in 2026 geconcludeerd dat deze genocide nog steeds voortduurt. Dan is het zaak om een rode lijn te trekken, maar hoe doe je dat dan? Ik heb veel respect voor Frans Timmermans maar ik vond zijn recente uitspraak over de Holocaust en de Palestijnen niet gepast, al was het maar omdat zo’n uitspraak het tegenovergestelde teweegbrengt van wat hij er mogelijk mee wilde bereiken. Zo’n uitspraak opent weliswaar een discussie maar creëert toch vooral onbegrip en verdeeldheid. Timmermans stelde letterlijk het volgende:
” In het Midden-Oosten wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen, terwijl de Palestijnen letterlijk in zee worden gedreven – en erger. De redenering van rechts en extreemrechts in Israël is: wij Joden kunnen alleen maar overleven als de Palestijnen weg zijn. Dat is exact dezelfde redenering als die van de nazi’s destijds: wij – het Duitse volk, het Arische ras – kunnen alleen maar overleven als de Joden weg zijn. Dat vind ik ronduit verbijsterend. Hun grootouders en overgrootouders is in de nazitijd iets verschrikkelijks overkomen: de Holocaust, waarbij ze werden vernietigd, en nu doen zij precies hetzelfde met een ander volk.”
De vergelijking is begrijpelijk als waarschuwing voor een bepaalde politieke logica, maar historisch is het woord ‘exact’ in deze context problematisch. Het nazisme was gebaseerd op een raciale ideologie waarin de complottheorie werd geconstueerd dat de Joden in biologisch en existentieel opzicht tot een minderwaardig en vijandig ras zouden behoren. Die ideologie mondde uit in een doelbewust georganiseerde genocide die systematisch en op industriële wijze in praktijk werd gebracht en op heel Europa betrekking had. De geschiedenis van Israël en de Palestijnen is anders, en de politieke opvattingen binnen Israël zijn bovendien zeer uiteenlopend.
Toch kan er op een abstracter niveau wel degelijk een overeenkomst in de vergelijking worden aangewezen. Het gaat om de gedachte: ‘wij kunnen alleen veilig bestaan als zij verdwijnen.’ Dat is een gevaarlijke politieke logica, ongeacht wie haar hanteert. Zij maakt het bestaan van de ander afhankelijk van de veiligheid van de eigen groep. De ander verschijnt dan niet meer primair als mens met wie een conflict moet worden opgelost, maar als een permanent risico dat van ed aardbodem moet worden verwijderd. Het probleem zit niet in de vraag of een staat zich mag verdedigen tegen geweld. Dat mag vanzelfsprekend. Het probleem ontstaat wanneer de veiligheid van de eigen bevolkingsgroep wordt voorgesteld als principieel onverenigbaar met het bestaan van de andere bevolkinsggroep.
Dat lijkt mij duidelijk, maar nu terug naar de mogelijke herhaling van het trauma. de zogeheten ’trauma-reproductie’. Het is niet nodig te veronderstellen dat bij een individu of een gemeenschap warbij de trauma-reproductie van toepassing kan zijn, bewust denkt: ‘ik ga nu doen wat mijn vroegere vervolgers hebben gedaan.’ Zo werkt dit mechanisme doorgaans niet, het kan veel subtieler in werking treden. Een gemeenschap die in haar historische geheugen heeft opgeslagen dat zij bijna in zijn geheel vernietigd is, kan een buitengewoon sterke gevoeligheid ontwikkelen voor alle mogelijke bedreigingen. Wanneer vervolgens een nieuwe vijand zich aandient, kan de actuele situatie wel degelijk worden beleefd door de spiegel van het verleden. De concrete vijand van vandaag wordt dan niet alleen beoordeeld op wat hij feitelijk doet, maar ook op wat hij in het collectieve geheugen lijkt te actualiseren. De geschiedenis dan komt tussen de waarnemer en de werkelijkheid in te staan.
Dan treedt de metafoor van de spiegel in werking. De vroegere dader hoeft niet meer concreet aanwezig te zijn om zijn invloed nog altijd uit te oefenen. Zijn schrikwekkend beeld kan voortleven in het bewustzijn van het slachtoffer. Wanneer een nieuwe bedreiging verschijnt, kan dat oude schrikwekkende beeld bewust of onbewust op de nieuwe werkelijkheid worden geprojecteerd. De ander wordt dan de mogelijke herhaling van de vroegere vijand. Angst krijgt daardoor een historische diepte die niet meer volledig overeenkomt met de concrete actualiteit. Wat gisteren is gebeurd, wordt het model waarmee vandaag wordt geïnterpreteerd. En wanneer zoiets gebeurt, kan iets van het verleden niet alleen worden herinnerd, maar ook opnieuw in praktijk worden gebracht, hoe groot de verschillen ook zijn in omvang en bereik, ideologische fundering en systematisch uitvoering.
En toch is juist op dit punt van de vergelijking uiterste voorzichtigheid geboden. Het zou onjuist zijn om het Israëlische optreden tegenover de Palestijnen uitsluitend vanuit de Holocaust te verklaren. Politiek, nationalisme, religie, territoriale conflicten, militaire doctrines, de geschiedenis van het zionisme, de bezetting, de aanslagen, geopolitieke belangen en concrete politieke keuzes spelen allemaal een rol. Bovendien is er binnen Israël zelf grote verdeeldheid over de oorlog, over de Palestijnse kwestie en over de vraag hoe veiligheid moet worden bereikt. Er zijn ook Israëliërs en Joodse denkers die juist vanuit de herinnering aan de Holocaust tot een universele ethiek komen en daarom het geweld tegen Palestijnen scherp veroordelen. Het collectieve trauma produceert dus niet één onvermijdelijke politieke reactie.
Bovendien dragen ook de Palestijnen een collectief trauma met zich mee. Voor veel Palestijnen vormt de Nakba van 1948 het historische centrum van hun collectieve herinnering: de verdrijving en vlucht van honderdduizenden Palestijnen en het verlies van hun huizen en land. De gebeurtenissen na 7 oktober hebben dat trauma bij velen opnieuw geactiveerd. Daardoor staan niet eenvoudigweg twee groepen tegenover elkaar die elk vanuit het niets op elkaar reageren. Er staan twee bevolkingen tegenover elkaar die ieder een geschiedenis van verlies, angst, vernedering en bedreiging met zich meedragen. De tragiek is dat het trauma van de een het trauma van de ander kan versterken. De Israëlische angst voor vernietiging kan de Palestijnse ervaring van verdrijving en ontmenselijking verdiepen, terwijl Palestijns geweld op zijn beurt de Israëlische angst opnieuw bevestigt.
Zo ontstaat een zichzelf bevestigende en versterkende cirkel: Holocaust, angst, permanente waakzaamheid, behoefte aan maximale veiligheid, Palestijnse onderdrukking of ontheemding, nieuw Palestijns trauma, nieuwe woede en nieuw geweld, en vervolgens opnieuw Israëlische angst. Het is een spiegel waarin beide partijen hun eigen geschiedenis terugzien in het gezicht van de ander. Juist daardoor wordt het steeds moeilijker om de ander nog uitsluitend te zien als een concreet mens in het heden. Hij wordt primair de vertegenwoordiger van een historische dreiging. Het verleden krijgt daardoor macht over het heden. En wanneer dat gebeurt, dreigt geschiedenis zichzelf niet letterlijk, maar wel in psychologisch en politiek opzicht te herhalen.
Het begrip trauma-reproductie kan tot op zekere hoogte helpen om te begrijpen waarom een dergelijke logica juist bij mensen en gemeenschappen kan ontstaan die zelf ooit slachtoffer zijn geweest. Niet omdat slachtoffers voorbestemd zijn om daders te worden, maar omdat een trauma de blik op de werkelijkheid kan veranderen. Maar de vergelijking met de Holocaust moet niet worden gebruikt om de geschiedenis van Israël en nazi-Duitsland gelijk te stellen. Daarvoor zijn de historische verschillen te groot en de vergelijking te grof. De vergelijking kan zelfs niet worden gebruikt als een waarschuwing tegen een bepaalde logica: de gedachte dat de eigen groep alleen kan bestaan wanneer de andere groep verdwijnt.
De Holocaust is een trauma dat zich niet alleen onttrekt aan elke theorievorming over trauma-reproductie, maar ook aan elke historische vergelijking, hoezeer die stelling zelfs tot een strijd onder historici heeft geleid. Er is iets met de Holocaust dat je met rust moet laten in elke vorm van debat. De Holocaust is een existentieel schandaal dat zo buitensporig is geweest dat het de mensheid als zodanig aangaat. Met dat gegeven voor ogen moet iedereen die zich in een debat begeeft waarin de gedachte aan de Holocaust in beeld kan komen, zijn woorden uiterst zorgvuldig wegen. Ondanks de pijnlijke waarheid die mogelijk onder zijn uitspraak schuilgaat, heeft Frans Timmermans die zorgvuldigheid in zijn woordkeus in dit geval – naar mijn smaak – niet in acht genomen.