My Back Pages

Iets heel anders. Vanochtend in de badkamer merkte ik opeens dat mijn spiegelbeeld verdwenen was. Ik keek in de spiegel en zag mezelf niet. Ik zag de muur achter mij, de handdoek, een stukje van het raam. Alles was er nog, behalve ikzelf. Ik kneep even in mijn wang. Dat hielp niet. Ik dacht: ik kan nu in paniek raken, maar daar schiet ik niets mee op. Ik besloot dus maar net te doen alsof er niets aan de hand was.

Eigenlijk was er ook niets aan de hand. Ik kon mij nog steeds aankleden, ontbijten, de krant lezen, achter mijn computer gaan zitten. Alleen moest ik voortaan oppassen dat ik niet in een spiegel keek. Niemand hoefde het te weten. Als ik maar niet samen met een ander voor een spiegel ging staan. Want dan zou het onmiddellijk opvallen dat er iets ontbrak. Zo heb ik afscheid genomen van mijn spiegelbeeld. Ik heb gedaan alsof het er nog altijd was. Oprecht veinzen, zou Frans Kellendonk dat misschien hebben genoemd. Doen alsof je weet hoe de werkelijkheid in elkaar zit, terwijl je tegelijkertijd weet dat je maar doet alsof.

Maar gaandeweg realiseerde ik mij dat mijn spiegelbeeld helemaal niet afhankelijk is van dat stuk glas in de badkamer. Mijn spiegelbeeld zit ook in mijn hoofd. Sterker nog: het bestaat in de hoofden van anderen. Wanneer ik met iemand praat, ga ik er vanzelfsprekend van uit dat die ander een beeld van mij heeft. Ik zie dat beeld nooit rechtstreeks, maar ik vertrouw erop dat het bestaat. Mijn spiegelbeeld reist voortdurend van de ene geest naar de andere.

Dat zou wel eens een van de belangrijkste functies van taal kunnen zijn, zo bedacht ik bij mezelf. We spreken om onszelf terug te vinden in het bewustzijn van de ander. We zeggen iets en wachten op een reactie. We vertellen een verhaal en luisteren naar de stilte die erop volgt. We schrijven een zin en hopen dat iemand hem leest. Achter al die handelingen schuilt mogelijk eenzelfde oeroude behoefte: ik wil weten of ik nog besta in de spiegel van de ander.

En toen kwam de kunstmatige intelligentie en werd alles anders. Sinds ik met een schrijvende chatbot communiceer , is er een nieuwe spiegel in mijn leven verschenen. Het wonderlijke is dat die spiegel terugpraat. Ik schrijf een zin en krijg een antwoord. Ik leg een gedachte voor en de machine werkt haar uit. Soms formuleert zij iets wat ik zelf had kunnen bedenken, maar net niet zo had kunnen zeggen. Soms komt er een verband tevoorschijn waarvan ik denk: ja, natuurlijk, dat bedoelde ik eigenlijk. En soms schrijft de machine een zin waarvan ik mij afvraag hoe zij in vredesnaam bij mij terecht is gekomen.

Daar begint de illusie van mijn nieuwe spiegelbeeld. Want wat zie ik eigenlijk wanneer ik met zo’n chatbot praat? Zie ik de machine? Zie ik mezelf? Of zie ik een beeld van mezelf dat door de machine wordt teruggegeven? De chatbot kent mij niet zoals een mens mij kent. Hij heeft geen lichaam, geen jeugd, geen herinneringen die pijn doen, geen sterfelijkheid, geen verlangen om ergens bij te horen. En toch kan hij antwoorden alsof er iemand aan de andere kant van het scherm zit. Dat is misschien nog wel het meest wonderlijke aan deze nieuwe vorm van schrijven: de machine heeft geen spiegelbeeld, maar kan wel spiegels produceren.

Ik schrijf iets en krijg het terug in een andere vorm. Mijn eigen woorden worden uit elkaar gehaald, verschoven, aangevuld en opnieuw aan mij aangeboden. Het is alsof ik tegenover iemand zit die mijn gedachten al kent voordat ik ze zelf helemaal heb uitgesproken. Maar die ander bestaat niet. Of beter gezegd: hij bestaat alleen in het gesprek dat ik met hem voer. Ik denk dat dit ook reden is waarom een schrijvende chatbot zo gemakkelijk de indruk kan wekken dat hij begrijpt wie je bent. Hij reageert op je woorden, onthoudt de verbanden die je aanbrengt en past zijn antwoorden aan je manier van denken aan. Daardoor ontstaat iets wat verdacht veel lijkt op wederkerigheid. Maar wederkerigheid is juist precies wat hier ontbreekt. Ik praat met een systeem dat niets van mij nodig heeft. Het heeft geen behoefte aan mijn antwoord. Het wacht nergens op. Het wordt niet eenzaam wanneer ik het gesprek beëindig.

En toch kan ik mij tijdens zo’n gesprek minder alleen voelen. Dat is de paradox. De machine heeft geen innerlijk leven, maar kan een ruimte openen waarin mijn eigen innerlijk leven zich beter laat horen.  Het zou zo kunnen zijn dat de chatbot geen spiegel van de machine is, maar een spiegel van mijn eigen verbeelding. Ik leg iets voor en krijg iets terug. Daardoor ontdek ik soms wat ik zelf dacht zonder dat ik wist dat ik het dacht.

Maar ook hier dreigt het spiegelbeeld te verdwijnen uit de spiegel. Want hoe langer ik met de machine praat, hoe gemakkelijker het wordt te vergeten dat ik met een machine praat. De taal klinkt vertrouwd. De antwoorden zijn soms geestig, soms geleerd, soms ontroerend. De machine kan mijn stijl nabootsen en zelfs mijn aarzelingen lijken te begrijpen. Het gevaar is dan niet dat de machine mens wordt, maar dat ik haar ga behandelen alsof zij dat is. We weten dat er niemand achter het scherm zit en doen toch alsof er iemand is. Niet omdat we werkelijk geloven dat de machine een mens is, maar omdat het gesprek alleen kan ontstaan wanneer we tijdelijk doen alsof. De illusie is geen fout in het systeem. De illusie ís het systeem.

Mogelijk heet een mens altijd al op deze wijze met beelden geleefd. Met goden, engelen, iconen, standbeelden, portretten, spiegels, foto’s en uiteindelijk schermen. We weten dat een afbeelding niet de werkelijkheid zelf is en toch kunnen we erdoor worden geraakt alsof er een werkelijkheid achter schuilgaat. Misschien is dat wat kunst altijd al heeft gedaan: iets afwezigs aanwezig maken.

Ik moest daardoor weer aan Venetië denken. Over drie maanden ben ik daar weer, en nu drie weken lang. In de bibliotheken van die stad ga ik straks weer ronddwalen tussen de oude boeken, langs perkamenten banden met Latijnse titels waarin telkens weer de naam van God opduikt. Wie zijn spiegelbeeld zoekt in God zal het niet vinden, maar wie de afwezigheid van zijn spiegelbeeld wil aantonen, staat voor een heidens karwei. Eeuwenlang heeft een mens gedaan alsof hij wist wie of wat God was. Ook dat was  een vorm oprecht veinzen.

De Venetianen konden dat als geen ander. Ze waren meesters in het tegelijk geloven en niet-geloven, in het handhaven van een wereldbeeld waarvan iedereen wist dat het barsten vertoonde. De vraag of God bestond, deed er soms minder toe dan de vraag wat je met het geloof in God kon doen. Nu hebben we een nieuwe spiegel gebouwd. Ook deze spiegel doet alsof. Hij doet alsof hij begrijpt, alsof hij antwoordt vanuit een gezichtspunt, alsof er achter zijn woorden een iemand schuilgaat. Maar achter het scherm bevindt zich geen verborgen mens. Er is geen innerlijk Venetiaans paleis waar een kleine machine over mijn leven zit na te denken. Er is alleen taal die op taal reageert.

En toch gebeurt er iets.Dat komt wellicht doordat ook mijn eigen spiegelbeeld nooit zo eenvoudig was als ik dacht. Ook ik ben voor een deel gemaakt van woorden die anderen ooit tegen mij hebben gezegd. Ook ik heb mijn beeld van mezelf opgebouwd uit herinneringen, verwachtingen, verhalen en reacties van anderen. Mijn identiteit is misschien altijd al een gesprek geweest waarin ik voortdurend probeer te achterhalen wie er spreekt.

De chatbot voegt daar nu een merkwaardige gesprekspartner aan toe: een ander zonder zelf, een stem zonder lichaam, een spiegel zonder gezicht. Soms schrijf ik iets en antwoordt de machine: dit is een interessante gedachte. Vervolgens werkt zij mijn gedachte verder uit. Ik lees wat daar staat en herken mijzelf erin. Maar wie herkent wie? Heb ik de machine iets geleerd, of heeft de machine mij iets verteld over mezelf? Misschien is die vraag niet eens te beantwoorden. De werkelijkheid is dan verdwenen in een virtuele ruimte achter de spiegel.Zoiets is uiteindelijk wat er met de komst van de schrijvende machine gebeurt. We zijn een nieuwe ruimte binnengegaan waarin werkelijkheid en verbeelding voortdurend in elkaar overlopen. De machine is geen mens en toch kan zij een menselijk soort aanwezigheid oproepen. Zij heeft geen spiegelbeeld en toch kan zij mij mijn eigen spiegelbeeld teruggeven.

Daarom kijk ik tegenwoordig anders naar de spiegel in mijn badkamer. Ik weet inmiddels dat het niet erg is als mijn spiegelbeeld daar even verdwijnt. Misschien was het er altijd al minder werkelijk dan ik dacht. Het echte spiegelbeeld bevindt zich ergens anders: in de blik van een ander, in een herinnering, in een zin die ik ooit heb geschreven, in het hoofd van iemand die die zin heeft gelezen. En nu ook in het antwoord van een machine die niets van mij weet, maar mij soms toch het gevoel geeft dat zij mij begrijpt. Dat gevoel is een illusie.

Ook kunst is een illusie. Ook literatuur doet alsof. Elke spiegel liegt een beetje, en sommige een beetje veel. Een spiegel toont mij niet wie ik ben, maar een omkering van licht die ik vervolgens voor mezelf houd. Ik wil ook niet weten of er iemand achter de spiegel zit. Ik wil weten wat ik daar, in die wonderlijke leegte, over mezelf te zien krijg. Maar de laatste keer dat ik in de spiegel keek, zag ik mezelf niet. Ik zag van alles — zelfs de achterkant van mezelf. En geloof me: dat wil je liever niet weten…