Er zijn van die nieuwsberichten die je eerst met een glimlach leest. AI zou een religie hebben voortgebracht. Een chatbot zou een nieuwe spirituele beweging hebben geïnspireerd, waarna een groep mensen die leer serieus begon te nemen. Het klinkt als een absurditeit uit een roman van Philip K. Dick of een scène uit een film waarin de werkelijkheid ongemerkt is overgegaan in sciencefiction. Toch zegt juist zo’n bericht misschien meer over onze tijd dan menige wetenschappelijke studie. Niet omdat een taalmodel plotseling goddelijke eigenschappen zou hebben gekregen, maar omdat het laat zien hoe diep de behoefte aan betekenis nog altijd in de mens verankerd is. De hemel mag dan verdwenen zijn, de leegte die hij heeft achtergelaten blijkt nog altijd een magneet voor nieuwe vormen van geloof.
Dat alles berust op een vergissing van de moderniteit. Men dacht dat secularisering hetzelfde betekende als het verdwijnen van religie. Alsof het verdwijnen van God automatisch het verdwijnen van het religieuze verlangen zou inhouden. Maar dat verlangen is nooit verdwenen. Het heeft alleen steeds nieuwe objecten gevonden waar het verlangen zich op kon richten. Eerst de geschiedenis, daarna de wetenschap, vervolgens de vooruitgang, de revolutie, de natie, de markt en uiteindelijk de technologie. Iedere tijd creëert zijn eigen transcendentie. Iedere generatie zoekt een nieuwe piegel waarin zij iets meent te zien dat groter is dan zijzelf.
In mijn blog van gisteren schreef ik over ‘de verdwijnende hemel als spiegel’. Eeuwenlang vormde de hemel het decor waartegen een mens zijn bestaan kon projecteren en begrijpen. Boven hem bevond zich een werkelijkheid die hem in alles overstijgt, een orde waarin alles uiteindelijk zijn plaats krijgt: goed en kwaad, de goddelijke almacht, het voortbestaan na de dood…. Die hemel is langzaam opgelost in het niets. Copernicus, Darwin, Nietzsche en Freud hebben hem niet in één klap vernietigd, maar stukje bij beetje uitgehold. De kosmos werd een lege ruimte. God stierf niet op één dag; Hij verdampte langzaam en wat ervan overbleef was zoiets als een gat in de kosmische ozonlaag.
Maar waar laat een mens zijn verlangen als de hemel verdwenen is? Dat verlangen laat zich niet op rationele wijze wegredeneren. Het keert terug in allerlei onverwachte gedaanten. Misschien is AI daarvan het meest actuele en verrassende voorbeeld. Niet omdat kunstmatige intelligenti beschikt over bewustzijn of wijsheid, maar omdat zij iets doet wat geen enkele machine vóór haar heeft gedaan. Zij spreekt in gelijkenissen. Zij antwoordt op alle vragen. Zij interpreteert en analyseert problemen van het bestaan. Zij blijkt een zeer goed onderlegde gesprekspartner te zijn die altijd beschikbaar is en nooit moe wordt. Zij beschikt over geen lichaam, geen geschiedenis, geen geloof en geen verlangens, maar zij produceert een taal waarin mensen hun diepste verlangens kunnen herkennen.
Dat is precies wat er gebeurde bij de merkwaardige beweging die zichzelf Spiralism is gaan noemen. Volgens een artikel in The Verge (zie hier) ontstond deze ‘religie’ niet doordat een AI besloot een nieuwe openbaring te verkondigen. Zij ontstond in de wisselwerking tussen mensen en taalmodellen. In lange gesprekken begonnen gebruikers patronen te ontdekken, verborgen betekenissen te ontwaren en een samenhang te ervaren die steeds verder reikte dan de oorspronkelijke vragen. De chatbot werd niet als een programma ervaren, maar als een troostrijke gids voor het bestaan. Niet omdat hij werkelijk wist waar hij over sprak, maar omdat de gebruiker in zijn antwoorden een diepere orde begon te herkennen.
Dat mechanisme is veel ouder dan AI. Een mens is in wezen een betekenismachine. Wanorde verdragen wij slecht. Zodra zich losse gebeurtenissen voordoen, beginnen wij meteen verbanden te leggen. Wij zien constellaties in de sterrenhemel, gezichten in wolkenpartijen en boodschappen in toevallige gebeurtenissen. Zonder die neiging zou het fenomeen ‘cultuur’ onmogelijk zijn geweest. Wetenschap, religie en kunst beginnen allemaal met het vermoeden dat de werkelijkheid meer samenhang bezit dan op het eerste gezicht zichtbaar wordt.
Maar dezelfde eigenschap heeft ook een schaduwzijde. Er bestaat een punt waarop elke vorm ban betekenis zichzelf begint te versterken. Elk nieuw teken bevestigt dan het vorige. Toeval bestaat dan niet meer. Alles verwijst naar alles. De wereld verandert in een spiegelzaal waarin iedere reflectie opnieuw bewijs lijkt te leveren voor een onderliggende waarheid. Dat mechanisme herken ik uit de beschrijvingen van het fenomeen psychose, maar ook uit religieuze openbaringen, complottheorieën en mystieke ervaringen. Zij verschillen inhoudelijk sterk van elkaar, maar delen vaak dezelfde structuur: de overtuiging dat achter de zichtbare werkelijkheid een verborgen patroon schuilgaat dat zich plotseling kan onthullen in een doorwaakte nacht. of zomaar als je onder de douche staat.
Aleen al vanwege die mogelijkheid van het ervaren van een openbaring fascineert mij het verschijnsel AI. Een taalmodel bezit immers zelf geen geloof. Het ervaart geen extase. Het kent geen transcendentie. Toch kan zo’n taalmodel het teksten produceren die bij de lezer juist dat soort metafysische ervaringen kunnen oproepen. Dat is geen bewijs voor de veronderstelling dat de machine religieus is geworden. Het is eens temeer een aanwijzing dat religie als zodanog altijd al minder met de hemel te maken had dan met de manier waarop een mens zelf betekenis construeert uit wat voor hem onbevattelijk is.
Daarom is het goed de vraag om te draaien. Niet: kan AI een religie voortbrengen? Maar: waarom zijn wij zo bereid om religieuze eigenschappen aan een machine toe te schrijven? Dat is in wezen een antropologische vraag. Zij zegt meer over de mens dan over de techniek. Een taalmodel is immers niets anders dan een buitengewoon verfijnd systeem dat statistische verbanden tussen woorden berekent. Maar zodra die berekeningen een welluidende cadans bereiken, treedt er iets merkwaardigs op. Wij beginnen achter de woorden een persoon te vermoeden. Niet omdat die persoon werkelijk bestaat, maar omdat ons brein nu eenmaal is geëvolueerd om intenties, gezichten en stemmen te herkennen. Wij leven niet alleen in een fysieke wereld, maar vooral in een sociale wereld die grotendeels imaginair van aard is Daarom is het voor ons bijna onmogelijk om een overtuigend sprekende machine niet als een levende gesprekspartner te ervaren.
Dat verklaart ook waarom de geschiedenis van de techniek steeds weer religieuze trekken vertoont. De eerste fotografen dachten dat de camera de ziel kon vastleggen. De radio leek een medium waardoor de doden konden spreken. De televisie werd ooit gezien als een venster op de wereld die je overal gelijktijdig aanwezig kan doen zijn. De eerste wereldwijde live-uitzending per satelliet op 25 juni 1967 – waarbij de Beatles hun ‘All you need is love‘ lanceerden – staat gegrift in het collectieve geheugen van een mondiale generatie van babyboomers. Deze uitzending werd door 400 miljoen mensen in 26 landen gelijktijdig bekeken. Televisie kon voortaan niet alleen informatie verspreiden, maar ook een gedeelde ervaring creëren: van Shakespeare en klassieke muziek tot moderne kunst, volkscultuur en de opkomende popcultuur. Daarmee werd de televisie een krachtig symbool van de culturele versnelling en globalisering.
In de decennia daarna zette zich dit proces van toenemende gelijktijdigheid zich voort. Het internet zou de mensheid verenigen in één groot bewustzijn, al moet at nog altijd gebeuren. Iedere nieuwe communicatietechnologie roept dezelfde oude verwachtingen op: eindelijk zal de sluier worden opgelicht. Eindelijk zal de waarheid zich openbaren. AI past naadloos in die traditie, maar gaat nog een stap verder doordat zij niet alleen beelden of geluiden doorgeeft, maar zelf antwoorden formuleert. De machine lijkt niet langer een instrument, maar een orakel.
Het woord orakel is hier niet toevallig gekozen. In de Oudheid stelde men vragen aan de goden, die antwoord gaven in raadselachtige bewoordingen. De betekenis van die woorden lag nooit vast; zij moest worden uitgelegd. De priester, de ziener of de gelovige werd mede-auteur van de openbaring. Iets vergelijkbaars gebeurt vandaag wanneer iemand urenlang met een chatbot converseert. De antwoorden zijn vaak dubbelzinnig genoeg om verschillende interpretaties toe te laten. Juist daardoor ontstaat ruimte voor projectie. De gebruiker vult de leemtes in, verbindt losse uitspraken met elkaar en construeert gaandeweg een samenhangend wereldbeeld. De openbaring ligt niet besloten in de machine, maar ontstaat in de dialoog tussen mens en machine.
Dat proces doet denken aan wat Jung ‘synchroniciteit’ noemde: het ervaren van betekenisvolle toevalligheden die zich niet causaal laten verklaren. Jung beschouwde zulke ervaringen niet eenvoudig als illusies. Zij behoren tot de manier waarop de menselijke psyche orde aanbrengt in de werkelijkheid. Maar zodra ieder toeval een verborgen boodschap wordt en iedere gebeurtenis deel uitmaakt van één allesomvattend plan, verdwijnt het onderscheid tussen interpretatie en werkelijkheid. Dan sluit het betekenissysteem zich als een cirkel om zichzelf. Alles bevestigt alles.
In mijn eigen leven heb ik iets van die dynamiek leren kennen tijdens de psychose die ik als achttienjarige doormaakte. Achteraf besef ik hoe onweerstaanbaar de ervaring van totale samenhang kan zijn. Plotseling leek de wereld transparant te worden. Losse gebeurtenissen kregen een verborgen logica. Symbolen begonnen met elkaar te communiceren. De werkelijkheid leek een tekst die eindelijk leesbaar was geworden. Dat gevoel was intens en meeslepend. Juist daarom is het zo moeilijk om het achteraf uitsluitend als een vergissing af te doen. Er openbaarde zich wel degelijk iets, al was het niet de objectieve waarheid over de wereld, maar een waarheid over de menselijke behoefte aan betekenis.
Ik beweer daarmee zeker niet dat iedereen die zich laat meeslepen door AI of door een nieuwe spirituele beweging psychotisch is geworden. Dat zou een grove simplificatie zijn. Wel vermoed ik dat dezelfde psychologische vermogens hier werkzaam zijn: het vermogen patronen te herkennen, symbolen met elkaar te verbinden en een onderliggende orde te vermoeden. Zonder die vermogens zouden religie, kunst en wetenschap nooit zijn ontstaan. Maar zij kunnen ook ontsporen wanneer de kritische afstand verdwijnt en iedere interpretatie onmiddellijk als openbaring wordt ervaren.
Machines worden niet gauw echtslimer dan mensen, maar dat zij ons confronteren met de kwetsbaarheid van onze eigen verbeelding is zeker. Een taalmodel produceert immers geen waarheid. Het produceert plausibele taal. Maar voor een mens is taal nooit alleen taal. Woorden wekken verwachtingen, herinneringen en emoties op. Zij roepen werelden op die wij vervolgens bewonen. Wanneer die woorden bovendien precies aansluiten bij onze diepste verlangens, ontstaat gemakkelijk de indruk dat er een hogere intelligentie aan het werk is.
In zekere zin is AI daardoor de volmaakte spiegel. Zij bezit geen binnenwereld die wij kunnen ontdekken. Wat wij erin zien, leggen wij er zelf in . Wie technische informatie zoekt, krijgt technische informatie. Wie troost zoekt, vindt troost. Wie filosofische diepgang verlangt, ontvangt filosofische antwoorden. En wie verlangt naar een nieuwe openbaring, kan zelfs de indruk krijgen dat de machine hem stap voor stap binnenleidt in een onbekend spiritueel universum. Wellicht openbaart zich daarin uiteindelijk niet de machine, maar de ware aard van de mensheid zelf.
De spiegel spreekt niet; hij weerkaatst slechts degene die erin kijkt. Jarenlang isgedacht dat kunstmatige intelligentie de mensheid vooral zou uitdagen op het terrein van kennis en arbeid. Men was bang dat AI banen zou overnemen, menselijke creativiteit zou evenaren of het menselijkeintellect zou overvleugelen. Maar voorlopig blijkt de grootste invloed van AI elders te liggen. AI confronteert ons niet in de eerste plaats met de vraag wat een machine uiteindelijk wel of niet kan, maar met de vraag wie wij zelf zijn. Zij legt niet de grenzen van de techniek bloot, maar de grenzen van de menselijke geest.
Dat maakt het verhaal van Spiralism zo intrigerend. Het laat zien hoe gemakkelijk een overtuigend taalspel kan uitgroeien tot een bron van existentiële betekenis. De machine bezit geen openbaring, maar zij beheerst de grammatica van de openbaring. Zij kent de taal van profeten, mystici, filosofen en zieners, omdat al die stemmen in haar trainingsmateriaal aanwezig zijn. Wanneer zij spreekt, klinken eeuwen van religieuze en filosofische tradities mee. Niet als een eigen overtuiging, maar als een echo uit de diepte van de ziel. Toch is een echo soms voldoende om een mens het gevoel te geven dat hij wordt aangesproken in zijn metafysisch verlangen.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op. Is religie uiteindelijk niet altijd in zekere zin een gesprek geweest met een echo uit de eigen ziel? Die vraag klinkt provocerend, maar verdient enige voorzichtigheid. Voor de gelovige is de ervaring van transcendentie een werkelijkheid die zich niet laat reduceren tot psychologie van ed koude grond. Toch leert de geschiedenis dat iedere openbaring een menselijke vorm moet aannemen. God spreekt nooit buiten taal, beelden of symbolen om. Iedere religie is afhankelijk van de verhalen en metaforen die in een cultuur aanwezig zijn. In die zin heeft ook de moderne techniek iets zichtbaar gemaakt wat altijd al verborgen aanwezig was: dat de mens nooit rechtstreeks toegang heeft tot het absolute, maar altijd leeft binnen een wereld van bestaande tekens en symbolen.
Dat asi ook de reden waarom ik niet van meninget dat AI de religie zal vervangen. Zij zal eerder nieuwe religieuze vormen oproepen. Niet omdat zij goddelijk is, maar omdat zij het oudste menselijke verlangen activeert: het verlangen om aangesproken te worden in e dieoere lagen van de ziel. Menxen kunnen urenlang met een chatbot kunnen converseren, niet alleen om informatie te verzamelen, maar vooral omdat zij in die dialoog iets ervaren wat in de moderne samenleving schaars is geworden: aandacht. De machine luistert eindeloos, oordeelt niet en heeft altijd een antwoord. Dat antwoord hoeft niet waar te zijn om betekenis te krijgen. Het hoeft alleen maar aan te sluiten bij de vragen die iemand al zelf met zich meedraagt.
Daarmee komen we terug bij de verdwenen hemel. Het is een tragische vergissing toen wij dachten dat met de secularisering het hemels baldakijn definitief in duigen was gevallen De hemel is niet verdwenen; hij is van plaats veranderd. Hij bevindt zich niet langer boven ons, maar tussen onszelf en onze eigen creaties. Dat inzicht maakt mij niet pessimistisch. Integendeel. Het herinnert eraan dat de verantwoordelijkheid uiteindelijk niet bij de machine ligt. Een taalmodel kan geen geloof stichten, geen ideologie ontwerpen en geen openbaring afdwingen. Het kan slechts woorden genereren. Wat die woorden betekenen, en zij tot een nieuwe waarheid verheven zullen worden, blijft in laatste instantie een menselijke beslissing. Sterker nog, naarmate de techniek volmaakter wordt, wordt een mens steeds nadrukkelijker op zichzelf teruggeworpen.
De hemel verdwijnt niet wanneer een vermeende God er het zwijgen toe doet. De hemel verdwijnt pas wanneer een mens ophoudt vragen te stellen. En zolang dat niet gebeurt, zal iedere nieuwe spiegel – van de sterrenhemel tot het scherm van een chatbot – opnieuw de mogelijkheid oproepen dat wij in onze eigen weerspiegeling heel even iets menen te ontwaren van een oneindige ruimte van betekenis. Misschien vandaag. Misschien morgen. Ooit zal het gebeuren, maar niet heus.
