Ik heb een vraag. Is het waar wat je tegenwoordig nogal eens hoort dat met de komst van de schrijvende chatbot van AI de dagen van de auteur geteld zijn? Al in 2023 braken er in Hollywood stakingen uit onder scenarioschrijvers uit angst dat kunstmatige intelligentie hun werk zou gaan overnemen. De vraag leek destijds nog vooral economisch van aard: wie bezit het auteurschap wanneer een machine een scenario kan schrijven? Inmiddels is duidelijk geworden dat die vraag veel verder reikt dan de filmindustrie. Zij raakt het hart van de literatuur zelf. Niet alleen het schrijven verandert, maar ook de manier waarop wij naar schrijvers kijken.
De Canadese schrijver Hugh Howey beschrijft deze omslag treffend in zijn essay The End of an Era. We Knew This Day Would Come. Volgens hem leefden schrijvers tussen ongeveer 2014 en 2024 in een uitzonderlijke overgangsperiode. Dankzij digitale platforms als Kindle Direct Publishing kon vrijwel iedereen zonder tussenkomst van een uitgever publiceren, terwijl schrijven zelf nog altijd een moeilijk vak bleef dat talent, discipline en doorzettingsvermogen vereiste. Juist die combinatie maakte het mogelijk dat nieuwe auteurs op eigen kracht een publiek konden vinden. Maar aan dat tijdperk is volgens Howey een einde gekomen. Kunstmatige intelligentie schrijft inmiddels teksten die nauwelijks nog van menselijke teksten zijn te onderscheiden. Daardoor ontstaat een fundamentele vertrouwenscrisis. Niet langer is vanzelfsprekend dat achter een overtuigende roman ook daadwerkelijk een menselijke schrijver schuilgaat.
Die crisis werd zichtbaar toen een debutant een miljoenencontract bij een Amerikaanse uitgever leek te bemachtigen, waarna het manuscript ervan werd verdacht grotendeels door AI te zijn geschreven. Of die verdenking terecht was, acht Howey uiteindelijk minder belangrijk dan het feit dat zij überhaupt kon ontstaan. Iedere onbekende schrijver zal voortaan met argwaan worden bekeken. Is dit werkelijk een nieuw literair talent, of slechts een geraffineerde prompt-engineer?
Daarmee verandert ook de vraag wat een schrijver eigenlijk is. Tot voor kort leek het antwoord vanzelfsprekend. Een schrijver was iemand die putte uit zijn geheugen, ervaringen en verbeeldingskracht. Maar kan een AI-programma dat ook? Het terugzien van de omgeving van je jeugd kan een verrijkende ervaring zijn die uiteindelijk in een roman gestalte krijgt. Moet een machine dan eerst oud worden om melancholie te kennen? Kan zij de smaak van een madeleine proeven waardoor bij Marcel Proust een stroom van herinneringen aan Combray op gang komt?
De Amerikaanse schrijfster Elif Batuman beschreef hoe zij, zoekend naar een vergeten citaat van Proust, ChatGPT raadpleegde en een volmaakte, maar niet-bestaande passage kreeg voorgeschoteld. De machine had iets geschapen dat klonk als Proust: een herinnering zonder oorsprong, een imitatie van waarheid. Zij loog niet, want zij wist niet dat zij loog. De machine weet niet dat zij niet weet. Juist daarin schuilt de nieuwe crisis van de taal der automaten.
Toch is ook het menselijke geheugen geen archief waarin het verleden onaangetast ligt opgeslagen. Herinneren is reconstrueren. Wij herscheppen voortdurend wat is geweest en noemen dat vervolgens herinnering. Ook het bewustzijn van de mens is een algoritme van interpretatie; wij genereren onszelf telkens opnieuw. De mens herinnert door te herscheppen, de machine herschept zonder ooit te hebben herinnerd.
En juist in dat verschil lijkt vooralsnog iets onherleidbaar menselijks te schuilen: het vermogen om betekenis te verlangen. Bewustzijn bestaat niet alleen uit informatie, maar ook uit gemis, verwachting, hoop en verlangen. Misschien is de ziel niets anders dan datgene wat zich niet volledig laat simuleren: het residu van het onherhaalbare, de stilte tussen twee echo’s in. De wetenschap mag haar metafysische zekerheden hebben afgezworen, zij blijft zoeken naar een transcendentie die zich niet laat berekenen. In de lege spiegel van de machine horen wij uiteindelijk onze eigen stem terugkaatsen.
Maar ook die geruststellende gedachte wordt steeds problematischer. Een AI-chatbot bezit dan wel geen autobiografisch geheugen, zij beschikt wel over vrijwel de gehele geschreven cultuurgeschiedenis. De vraag is daarom niet langer of kunstmatige intelligentie literatuur kan produceren, maar of zij uiteindelijk ook de mechanismen van menselijke verbeelding weet te doorgronden.
Daarmee verandert niet alleen het schrijven, maar ook het lezen. Hugh Howey vermoedt dat de meeste lezers uiteindelijk weinig belangstelling zullen hebben voor de vraag wie een tekst heeft geschreven. Zoals vrijwel niemand zich nog afvraagt welke uitgever een roman heeft uitgebracht, zullen velen zich vooral laten leiden door de kwaliteit van het verhaal. Mogelijk ontstaat er zelfs een nieuw publiek dat bewust kiest voor romans van een bepaald AI-model, zoals schakers tegenwoordig voorkeuren ontwikkelen voor de speelstijl van verschillende schaakprogramma’s.
Toch voorziet Howey tegelijkertijd een tegengestelde ontwikkeling. Juist doordat het onderscheid tussen menselijke en machinale teksten vervaagt, zal authenticiteit een nieuwe waarde krijgen. Sommige lezers zullen niet alleen geïnteresseerd zijn in een roman, maar juist ook in de levensgeschiedenis van degene die haar schreef. De biografie van de auteur wordt dan opnieuw onderdeel van het kunstwerk. Misschien ontstaan zelfs nieuwe manieren om het schrijfproces vast te leggen, zodat zichtbaar blijft hoe een tekst zich stap voor stap heeft ontwikkeld. Authentiek auteurschap wordt dan zelf een vorm van culturele meerwaarde.
Een schematische schets voor een roman – met al zijn doorhalingen – laat zien dat het scheppingsproces in wezen een menselijke aangelegenheid is. Een machine kent geen doorhalingen, geen nachtelijke ingevingen, geen aarzelingen of twijfels, geen incubatietijd voor een idee. Het verlossende eureka-gevoel. Met al zijn onmenselijke intelligentie blijft een machine oliedom, juist door de razende snelheid van zijn creatieve vermogen.
Het schema dat Harry Mulisch tekende voor zijn roman De ontdekking van de hemel (1992)
De invloed van kunstmatige intelligentie zal ook het lezerspubliek vermoedelijk niet slimmer maken. Maar de kans bestaat dat ook schrijvers zelf intellectueel afhankelijker worden. Misschien wordt het tijd voor een nieuwe Encyclopedie van pasklare ideeën, zoals Gustave Flaubert die ooit schreef als satire op de clichés van zijn tijd. Achteraf bezien doen zijn lemma’s opvallend denken aan de pasklare formuleringen waarmee taalmodellen tegenwoordig iedere vraag moeiteloos beantwoorden. Alles klinkt overtuigend, vloeiend en compleet. Alles is onmiddellijk bruikbaar. Juist daarom dreigt alles ook voorspelbaar te worden.
Tegelijkertijd prijst de kunstmatige intelligentie zichzelf voortdurend aan als hulpmiddel voor betere teksten. Daarin heeft zij overigens geen ongelijk. Ook Hugh Howey benadrukt dat vrijwel iedere schrijver AI zal gebruiken voor research, redactie, vertalingen, administratie en marketing. De machine neemt steeds meer ondersteunende taken over, zodat de schrijver zich kan concentreren op wat werkelijk creatief is. De vraag is alleen waar die grens uiteindelijk zal komen te liggen. Wat vaak onvermeld blijft is dat het creatief aanwenden van AI ook een meerwaarde kan opleveren. Sinds het voltooien van het manuscript van De waan van het schrijven ben ik volop aan het experimenteren met AI.
Psychiater Floortje Scheepers waarschuwde onlangs in de Volkskrant dat we door de opmars van kunstmatige intelligentie wel eens “basale menselijke skills” zouden kunnen verliezen. Haar zorg geldt niet de technologie zelf, maar de manier waarop wij ons eraan aanpassen. AI kan ons denken ondersteunen, maar ook ongemerkt vervangen. Als AI voor ons schrijft, samenvat, analyseert en redeneert, hoeven we steeds minder zelf na te denken, woorden te zoeken of ingewikkelde afwegingen te maken. Dat lijkt efficiënt, maar juist daardoor kunnen vermogens als kritisch denken, verbeeldingskracht en zelfstandig oordelen langzaam verschralen.
Scheepers is geen tegenstander van AI. Integendeel, zij ziet volop mogelijkheden, ook binnen de psychiatrie. Maar technologie moet volgens haar een hulpmiddel blijven en geen substituut worden voor menselijk denken en menselijk contact. De beslissende vraag is daarom: welke vermogens willen we zelf blijven behouden? Maar dat is vooral een defensieve manier van redeneren. De vraag kan ook anders worden gesteld: wat kunnen wij door AI juist leren? Technologische vernieuwing heeft altijd een winst- en verliesrekening. Neil Postman formuleerde deze gedachte ooit als volgt: “Elke technologische verandering is een ruil. De vraag is niet alleen wat een technologie toevoegt, maar ook wat zij wegneemt.” En volgens Marshall McLuhan is iedere technologie een uitbreiding van de mens, maar verandert tegelijkertijd ook degene die haar gebruikt.
Maar AI is misschien wel de eerste technologie die niet alleen onze handen of onze zintuigen uitbreidt, maar ook ons denken en daarmee ons schrijven. Dat kan inderdaad leiden tot verarming, maar evengoed tot verrijking. Zelf kijk ik daar met gemengde gevoelens naar. Ik ben zeker bezorgd over de mogelijke gevolgen, maar daarom nog niet pessimistisch. Integendeel, ik denk dat door AI het schrijverschap zelf intensief gaat veranderen. De schrijver wordt minder de alwetende schepper van een fictieve wereld en meer zoiets als dan een meesterkok die zijn eigen stijl toevoegt aan ingrediënten die grotendeels door de machine zijn verzameld. Zoals ook grote schilders in de zeventiende eeuw werkplaatsen vol assistenten hadden die het voorbereidende werk verrichtten voordat de meester zijn laatste penseelstreken aanbracht, zo zou ook de roman van de toekomst kunnen ontstaan.
Maar stel dat het creatieve vermogen van de mens zelf eveneens een machine blijkt te zijn: een organische machine weliswaar, maar werkend volgens patronen die de klassieke esthetica eeuwenlang heeft beschreven. Dan zou de gehele literatuurgeschiedenis uiteindelijk terug te voeren zijn op eindeloze variaties van dezelfde onderliggende algoritmen. Ook stijl is immers een patroon, een specifieke combinatie van terugkerende vormen. Tussen de algoritmen die kunstmatige intelligentie uit de literatuur destilleert en het menselijke denken over literatuur kan dan een vruchtbare wisselwerking ontstaan. Misschien zal AI ons uiteindelijk niet zozeer vervangen als schrijver, maar ons iets leren over de verborgen grammatica van de menselijke verbeelding.
Dat roept een nog fundamentelere vraag op: wat gebeurt er met de inspiratie? Schillers rotte appels in zijn bureaula, Balzac in zijn monnikspij, Proust liggend in zijn verduisterde slaapkamer, Simenon met zijn twintig geslepen potloden, Hemingway die de schrijfmachine wantrouwde omdat zij woorden te snel aaneensmeedde — al die rituelen waren pogingen om iets ongrijpbaars op te roepen. Inspiratie gold eeuwenlang als een bezoek van buitenaf: eerst van de Muzen, later uit het onbewuste. De romantiek maakte van de schrijver een autonoom genie. Het modernisme brak vervolgens dat genie weer af door schrijven steeds nadrukkelijker te onderwerpen aan formele procedés, toeval, wiskundige structuren en conceptuele regels. De computer bestond nog nauwelijks, maar de literatuur begon zich al algoritmisch te gedragen.
In dat opzicht is kunstmatige intelligentie misschien minder een breuk dan een culminatie. Zij voltooit een ontwikkeling die al eeuwen gaande is. Wat ooit inspiratie heette, verschijnt steeds vaker als een patroon dat zich laat analyseren, modelleren en reproduceren. Maar daarmee verdwijnt het verlangen naar inspiratie nog niet. Integendeel. Juist nu de machine de vorm kan overnemen, wordt de vraag naar de oorsprong van betekenis des te urgenter. De machine leert schrijven zoals wij altijd hebben geschreven. Hugh Howey merkt op dat hij zich er soms op betrapt dat hij tijdens het reviseren van oude verhalen denkt: deze zin klinkt wel erg als AI. Vervolgens beseft hij dat het precies andersom is. Niet hij schrijft als een machine; de machine heeft geleerd te schrijven zoals hij en duizenden andere schrijvers al jarenlang schreven.
Dat inzicht relativeert veel doemscenario’s. De economische betekenis van kunst zal ongetwijfeld veranderen. Er zullen romans verschijnen die volledig door AI zijn geschreven, romans die prijzen winnen en miljoenen lezers vinden. Maar tegelijkertijd zal er een groeiende groep blijven bestaan die juist de menselijke maker zoekt achter een tekst, zoals liefhebbers van vinylplaten de voorkeur geven aan het gekraak van een analoge opname boven de perfectie van digitale reproductie.
Toch zal één criterium wellicht overeind blijven: niet of een tekst door een mens of door een machine is geschreven, maar of hij werkelijk iets in beweging brengt in degene die leest. Maar de behoefte zal altijd blijven bestaan om te weten wie of wat er aan het woord is. Want betekenis ontstaat niet alleen uit woorden, maar ook uit het vermoeden dat achter die woorden een leven schuilgaat. Zelfs een AI-tekst kan dat vermoeden wekken. Hoe ingewikkeld wil je het hebben? Zolang je niet weet of in de woorden die je leest een mens of een machine aan het woord is – of beide – blijft de lezer zitten met een ongemakkelijke vraag. ‘Ik heb een vraag…,’ zal hij altijd blijven denken, ook als hij zeker weet dat hij nooit een antwoord krijgt.
En soms duikt die vraag onverwacht op, niet in een filosofisch betoog maar midden in de alledaagse stroom van beelden en filmpjes die ons internet overspoelt. Ik zag onlangs op YouTube een filmpje van een zingend kind met het liedje Ik heb een vraag. Het was zo’n opeenstapeling van clichés dat ik nauwelijks kon geloven wat ik zag. Mijn eerste gedachte was: dit móét wel een waanzinnig slechte nep-creatie zijn, gegenereerd door AI. Maar nee, het was echt. Echt nep, zou je kunnen zeggen. Juist die menselijke overdaad aan sentimentaliteit, die merkwaardige mengeling van onschuld en kitsch, was iets wat een algoritme nooit zou kunnen bedenken. Zelfs niet gevoed met miljoenen voorbeelden uit het verleden. Want AI kan het verleden eindeloos nabootsen, maar het zijn de menselijke ontsporingen van het sentiment die tot het einde der tijden voor welke machine dan ook onnavolgbaar zullen blijven.

