Harry Mulisch was gaandeweg zijn carrière allang niet meer alleen een schrijver voor een literair publiek. Vanaf de jaren tachtig groeide hij uit tot een van de bekendste Nederlandse auteurs. De aanslag was zijn grote doorbraak: een enorme bestseller, verfilmd door Fons Rademakers, die er in 1987 een Oscar mee won. Met De ontdekking van de hemel in 1992 werd Mulisch definitief een Nederlandse literaire beroemdheid. Hij was niet alleen bekend om zijn boeken, maar ook om zijn verschijning, zijn uitspraken, zijn televisieoptredens en het zorgvuldig gecultiveerde beeld van de schrijver als publiek intellectueel.
Na zijn dood in 2010 is dat geleidelijk gaan veranderen. Mulisch lijkt steeds meer cultureel erfgoed te worden. De persoon verdwijnt naar de achtergrond, terwijl zijn boeken een zelfstandiger leven gaan leiden. De aanslag wordt niet meer gelezen omdat Harry Mulisch zo’n beroemde figuur was, maar omdat de roman inmiddels deel uitmaakt van het Nederlandse collectieve geheugen. Hetzelfde geldt, zij het op een andere manier, voor De ontdekking van de hemel. Daarin schuilt een merkwaardige paradox. De mythe van Harry Mulisch als publieke figuur kan langzaam verbleken, terwijl zijn boeken hun plaats in de literatuur behouden. Daardoor komt een andere vraag in beeld: wat blijft er over van Mulisch wanneer we hem niet langer alleen bekijken als de beroemde schrijver die hij was, maar als iemand wiens werk iets kan zeggen over de wereld waarin wij nu leven?
Die vraag was voor mij aanleiding om nog eens goed na te denken over mijn lezing over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose. Hoe kun je dit onderwerp publiekelijk aanbevelen door te wijzen op enkele raakvlakken met de actualiteit? Mijn lezing zal uiteindelijk gaan over veel meer dan Harry Mulisch en zijn mogelijke ervaringen met een psychose. Juist wanneer je het verhaal van Mulisch naast de ontwikkelingen van onze eigen tijd legt, blijken er onverwachte en soms ongemakkelijke raakvlakken te ontstaan.
De vraag bijvoorbeeld wat er gebeurt wanneer een schrijver de controle over zijn taal verliest, krijgt een geheel nieuwe betekenis nu kunstmatige intelligentie teksten kan produceren zonder dat daar een menselijke auteur, een bewustzijn of een innerlijke bron aan ten grondslag ligt. Wat Mulisch ooit als ‘autocreatie’ ervoer – het schrijven dat als vanzelf lijkt te ontstaan wanneer de auteur zijn greep op het proces loslaat – wordt door generatieve AI op een merkwaardige manier nagebootst. Grote taalmodellen produceren een eindeloze stroom woorden, zonder dat daar een innerlijk ‘ik’ achter schuilgaat. Daarmee komt ook de romantische mythe van de schrijver als unieke, scheppende geest onder druk te staan. Wie is eigenlijk de auteur wanneer een tekst ontstaat uit een interactie tussen mens en machine?
Die vraag wordt nog indringender wanneer we beseffen dat AI niet alleen teksten voor ons kan schrijven, maar ook steeds meer fungeert als een spiegel voor onze eigen gedachten, verlangens en angsten. Mensen voeren intieme gesprekken met chatbots en kunnen daarin betekenissen ontdekken die voor hen een bijzondere, soms zelfs bovennatuurlijke betekenis krijgen. Zo ontstaat een nieuwe, interactieve werkelijkheid waarin mens en machine elkaar voortdurend bevestigen. De grens tussen een gedachte die uit jezelf afkomstig is en een betekenis die door de machine wordt teruggekaatst, kan daardoor vervagen. Wat gebeurt er wanneer we onze diepste onzekerheden en verlangens gaan spiegelen aan een machine die zelf niets verlangt en niets gelooft, maar wel overtuigend taal kan produceren? Zou juist daar een nieuwe vorm van waanwerkelijkheid kunnen ontstaan, waarin de machine niet alleen onze teksten schrijft, maar ook steeds meer betekenis aan ons leven lijkt te geven?
Een tweede actueel raakpunt ligt bij de klimaatcrisis en het Antropoceen, het tijdperk waarin de mens zelf een geologische kracht van ongekende omvang is geworden. De technologische versnelling die onze samenleving heeft gevormd, heeft ons tegelijkertijd in een situatie gebracht waarin de grenzen van onze beheersbaarheid zichtbaar worden. We beschikken over steeds meer technische mogelijkheden, terwijl we steeds minder grip lijken te hebben op de gevolgen ervan. Vanuit dat perspectief kan de psychose worden opgevat als een extreme reactie op een werkelijkheid die zelf steeds moeilijker te bevatten valt. De grens tussen binnenwereld en buitenwereld kan daarbij wegvallen. De natuur dringt als het ware de geest binnen, terwijl de geest de natuur begint te ervaren als een betekenisvol en persoonlijk gebeuren. Juist die ervaring kan een ongemakkelijke metafoor worden voor de klimaatcrisis: hoe kunnen wij een werkelijkheid bevatten die zich op een schaal voltrekt die ons menselijke voorstellingsvermogen ver te boven gaat?
Daarmee komt tegelijk ook een derde raakpunt in beeld: de opmerkelijke bloei van complotdenken, desinformatie en nepnieuws. In de digitale wereld is de werkelijkheid steeds meer samengesteld uit beelden, verhalen, algoritmen en interpretaties die elkaar voortdurend versterken. De vraag is daardoor niet langer alleen wat waar is, maar ook wie of wat bepaalt wat wij als waar ervaren. Tijdens de coronapandemie werd zichtbaar hoe gemakkelijk onzekerheid kon omslaan in een gesloten geloofssysteem waarin ieder tegenbewijs juist als bevestiging van het complot werd opgevat. De logica werd bijna circulair: ik geloof in een complot omdat het een complot is. Daarmee lijkt iets wat vroeger als een individuele psychotische ontsporing werd beschouwd, in bepaalde vormen een collectief verschijnsel te worden. Wanneer steeds grotere groepen mensen hun eigen werkelijkheid construeren, ontstaat de ongemakkelijke vraag of het gezonde verstand nog wel een gemeenschappelijke basis heeft.
Dit alles brengt ons terug bij de manier waarop wij met psychische ontregeling zelf omgaan. De traditionele psychiatrie heeft de neiging extreme ervaringen te beschrijven in termen van symptomen, stoornissen en biologische afwijkingen. Maar er bestaat inmiddels ook een andere benadering, waarin juist het ervaringsperspectief centraal staat. De stroming van de Mad Studies sluit daarbij aan: niet alleen de vraag wat er met iemand ‘mis’ is, maar ook de vraag wat iemand daadwerkelijk heeft meegemaakt en welke betekenis die ervaring in een levensloop kan krijgen. In De waan van het schrijven wordt psychose daarom niet simpelweg voorgesteld als iets wat je moet onderdrukken of weg medicaliseren. Een ervaring waarin de tijd lijkt stil te staan, waarin taal autonoom wordt of waarin de grens tussen binnen en buiten verdwijnt, kan ook worden gezien als een ingrijpende existentiële crisis die om interpretatie en integratie vraagt. Dat betekent niet dat psychose romantisch of heilzaam zou zijn, maar wel dat er naast de vraag naar behandeling ook ruimte moet blijven voor de vraag naar betekenis.
Vanuit deze vier raakvlakken ontstaan vier stellingen die tijdens de lezing als discussiepunten kunne gaan dienen. De eerste luidt: nu kunstmatige intelligentie moeiteloos teksten laat ontstaan zonder innerlijke bron of bezieling, is de romantische mythe van de unieke, scheppende auteur definitief dood. Wat Mulisch ooit zocht in het principe van de ‘autocreatie’ ( het vanzelf ontstaan van teksten) lijkt door de machine letterlijk te zijn gerealiseerd. Maar misschien is daarmee juist een nieuwe vraag ontstaan: wat blijft er van het schrijverschap over wanneer de taal niet langer noodzakelijk uit een schrijver hoeft voort te komen? En wat gebeurt er wanneer wij onze diepste verlangens en angsten gaan spiegelen aan een machine die zelf niets ervaart, maar ons wel voortdurend van betekenis voorziet?
De tweede stelling is nog radicaler: een psychotische crisis is in het tijdperk van het Antropoceen niet alleen een medisch of biologisch defect, maar kan ook worden opgevat als een wanhopige revolte tegen de kille, gemechaniseerde logica van onze maatschappij. De psychose wordt dan niet verheerlijkt, maar gelezen als een extreme vorm van verzet tegen een werkelijkheid die zelf steeds extremer en onbegrijpelijker wordt. Als de grens tussen de innerlijke geest en de uiterlijke natuur tijdens een psychose kan verdwijnen, zou die ervaring dan misschien – hoe paradoxaal ook – iets zichtbaar kunnen maken van de enorme schaalsprong die de klimaatcrisis van ons vraagt? Misschien moeten we juist leren omgaan met het verlies van controle, in plaats van steeds opnieuw te proberen de wereld volledig beheersbaar te maken.
De derde stelling sluit daar direct op aan: het hedendaagse complotdenken laat zien dat de psychose niet langer uitsluitend een individuele psychiatrische ontsporing is, maar in zekere zin mainstream is geworden als symptoom van de ineenstorting van ons collectieve gezonde verstand. Dat is uiteraard geen psychiatrische diagnose van complotdenkers, maar een provocerende manier om naar onze cultuur te kijken. Wanneer algoritmen ieder individu zijn eigen informatieve werkelijkheid voorschotelen en mensen steeds gemakkelijker in zichzelf bevestigende verhalen terechtkomen, wordt de vraag naar een gedeelde werkelijkheid urgenter dan ooit. Misschien is de moderne mens niet zozeer zijn werkelijkheid kwijtgeraakt, als wel geconfronteerd met een overvloed aan mogelijke werkelijkheden. Maar hoe leven we samen wanneer iedereen in een andere werkelijkheid lijkt te wonen?
En tenslotte is er de meest persoonlijke en misschien ook de meest controversiële stelling: de traditionele psychiatrie loopt het risico de geestelijke en creatieve betekenis van extreme crisiservaringen uit het oog te verliezen wanneer zij deze uitsluitend als defecten en symptomen benadert. Het gaat daarbij niet om een romantisering van psychose of om het ontkennen van het lijden dat ermee gepaard kan gaan. Het gaat om de vraag of behandelen en begrijpen elkaar moeten uitsluiten. In het verhaal van Mulisch krijgt die vraag een bijzondere lading. Zijn psychotische ervaring werd uiteindelijk niet het einde van zijn ontwikkeling, maar een bron waaruit zijn schrijverschap zich verder kon ontvouwen.
Reminder: Op woensdag 9 september om 20.00 uur geef ik in Tresoar (café De Gouden Leeuw) een lezing over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose.
Toegang gratis, inloop vanaf 19.30 uur. U bent van harte welkom! Opgave: zie hier.
