Op 9 september geef ik in Tresoar een lezing over mijn boek De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose. Althans, dat is de bedoeling. De laatste tijd speel ik namelijk met een enigszins verontrustend idee. Misschien moet ik die lezing helemaal niet zelf geven. Misschien kan ik beter iemand anders sturen. Iemand die een beetje op mij lijkt, die mijn stem enigszins kan benaderen en die vooral bereid is om woorden uit te spreken die niet door hemzelf zijn bedacht. Dat klinkt ingewikkeld, maar tegenwoordig valt dat nogal mee. Je laat een AI-chatbot de lezing schrijven, zoekt vervolgens iemand die sprekend op je lijkt en laat hem op 9 september in Tresoar jouw verhaal vertellen. Zelf kun je rustig thuisblijven. De perfecte dubbelganger is geboren.
Het idee is misschien nog vreemder dan het op het eerste gezicht lijkt. Want juist de dubbelganger speelt een belangrijke rol in het werk van Harry Mulisch. In mijn boek heb ik geprobeerd te laten zien dat Archibald Strohalm, de hoofdpersoon uit Mulisch’ debuutroman, in zekere zin als een dubbelganger van zijn schepper kan worden opgevat. Strohalm neemt iets van Mulisch over wat deze zelf niet langer met zich mee wil dragen. Hij wordt de plaatsvervanger, de stand-in, degene die in de fictie ten onder kan gaan zodat de schrijver in de werkelijkheid verder kan leven. Mulisch heeft dat later zelf in een opmerkelijke formulering samengevat: ‘Archibald Strohalm heeft mijn kruis op zich genomen.’
Daarmee krijgt het begrip ‘autocreatie’, dat bij Mulisch zo’n belangrijke rol speelt, een bijzondere betekenis. De schrijver schept niet alleen een personage, maar schept via dat personage ook zichzelf opnieuw. Wat hem in werkelijkheid bedreigt, kan hij in de fictie een andere gestalte geven. Zijn eigen psychische crisis wordt literatuur. De schrijver maakt een dubbelganger die voor hem doet wat hij zelf niet kan of wil doen. Strohalm wordt het Grote Offer van Mulisch, maar tegelijk ook een soort Lam Gods: Agnus Dei qui tollis insaniam mundi. De waanzin wordt aan de fictieve ander uitbesteed.
Op dat punt wordt de dubbelganger bijna een religieus figuur. Ook Jezus van Nazareth kan immers worden beschouwd als een dubbelganger van God. God verschijnt in menselijke gedaante en laat vervolgens zijn menselijke dubbelganger sterven aan het kruis. Het is een merkwaardige constructie: de schepper maakt een menselijk evenbeeld van zichzelf en offert dat evenbeeld vervolgens op om de schepping te redden. Bij Mulisch gebeurt iets vergelijkbaars, zij het uiteraard op een literaire en veel minder verheven schaal. Hij maakt een personage dat iets van zijn eigen innerlijke chaos draagt. Strohalm verdwijnt in de roman, Mulisch blijft bestaan als schrijver.
Je zou zelfs kunnen zeggen dat Mulisch gedurende zijn leven voortdurend met twee lichamen heeft geleefd. Er was het zichtbare lichaam van Harry Mulisch, de man die zich graag als Harry Mulisch presenteerde en die van zijn schrijverschap een bijna mythische gestalte wist te maken. Maar daarnaast was er het onzichtbare lichaam van de schrijver dat in zijn boeken rondwaarde. Dat tweede lichaam kon allerlei gedaanten aannemen. Het kon verdwijnen, sterven, herrijzen of zichzelf tot een goddelijke figuur verheffen. Juist doordat Mulisch zichzelf in zijn fictie kon laten verdwijnen, kon hij in de werkelijkheid des te nadrukkelijker verschijnen.
Daar zit voor mij ook iets merkwaardigs in de verhouding tussen zijn psychose en zijn schrijverschap. De jonge Mulisch werd rond zijn tweeëntwintigste geconfronteerd met een ‘vulkanische uitbarsting van openbaringen’. Ideeën, verbanden en betekenissen dienden zich aan alsof ze niet door hemzelf werden bedacht. De geest leek een eigen leven te leiden. Wat een bedreigende ervaring had kunnen worden, werd vervolgens opgenomen in de literatuur. Het schrijven bood een uitweg. Niet door de waan eenvoudigweg te ontkennen, maar door haar een andere gedaante te geven. De psychose werd literatuur en het schrijverschap werd een mythe.
Dat is ook de reden waarom ik mij in mijn boek zo sterk tot Mulisch aangetrokken voel. Ik heb zelf op mijn achttiende, in 1966, een psychose doorgemaakt. Ook bij mij speelde schrijven een rol. Tijdens zo’n ervaring kan de grens tussen degene die denkt en datgene wat gedacht wordt merkwaardig poreus worden. Je kunt het gevoel krijgen dat gedachten niet langer van jou zijn, maar dat jijzelf onderdeel bent geworden van een groter systeem waarin alles met alles samenhangt. De taal kan autonoom worden. De werkelijkheid lijkt te spreken. Je bent niet langer alleen degene die betekenis geeft; je wordt ook degene aan wie voortdurend betekenis wordt opgelegd.
Je zou dat de diepste betekenis van het fenomeen dubbelganger kunnen noemen: hij ontstaat op het moment dat je jezelf niet meer helemaal kunt samenvallen met jezelf. Er komt een tweede ik tevoorschijn. In de literatuur kan dat een personage worden. In een psychose kan het een stem, een waanbeeld of een ander zelf zijn. En tegenwoordig kan het ook een digitale gestalte worden. Want wat Mulisch met zijn personages deed, kunnen wij nu op een bijna letterlijk machinale manier doen. We kunnen een tekst laten schrijven door een kunstmatige intelligentie en vervolgens iemand anders vragen die tekst uit te spreken. De schrijver wordt dan een merkwaardig overbodige figuur.
En daarmee ben ik terug bij mijn lezing van 9 september. Stel dat ik werkelijk iemand vind die voldoende op mij lijkt. Ik geef hem de door AI geschreven tekst van mijn lezing. Hij staat op het podium in Tresoar, kijkt de zaal in en vertelt mijn verhaal. De aanwezigen herkennen mijn manier van denken, mijn onderwerpen en misschien zelfs mijn zinswendingen. Alleen: ik ben het niet. Of beter gezegd: ik ben het wel, maar dan via een omweg. Mijn dubbelganger spreekt woorden uit die door een machine zijn gegenereerd en die vervolgens aan mij worden toegeschreven. Wie spreekt er dan eigenlijk?
Dat zou een prachtige demonstratie zijn van wat ik in mijn boek met ‘de waan van het schrijven’ probeer te onderzoeken. Want wie is tegenwoordig nog de schrijver? Is dat degene die de oorspronkelijke gedachte had? Degene die de prompt invoerde? De machine die de zinnen produceerde? De persoon die de tekst voordraagt? Of degene die achteraf zegt: dit is mijn verhaal? De schrijver lijkt langzaam uiteen te vallen in verschillende dubbelgangers.
Dat is precies wat Mulisch ons al veel eerder heeft laten zien. Zijn schrijverschap was zelf een soort dubbelgangersmachine. Hij maakte personages die iets van hem overnamen, om vervolgens zelf als schrijver des te sterker tevoorschijn te komen. Nu beschikken wij over machines die hetzelfde principe op een nog radicalere manier kunnen uitvoeren. De machine schrijft, de dubbelganger spreekt en de oorspronkelijke auteur kan thuisblijven. De mens is dan niet verdwenen, maar ergens onderweg vervangen door een reeks stand-ins.
Archibald Strohalm nam ooit het kruis van Harry Mulisch op zich. Misschien moet mijn dubbelganger op 9 september mijn spreekbeurt maar overnemen. en zijn verhaal beginnen met dewoorden: “Dames en heren, ik ben hier niet.” En als hij dat vervolgens heel consequentdoet, kan ik daarna eindelijk beweren dat ook ik aan autocreatie heb gedaan: ik heb mezelf geschreven, mezelf vervangen en ben vervolgens als mijn eigen dubbelganger in de zaal verschenen. De waan van het schrijven heeft dan een merkwaardige apotheose gekregen. De schrijver is verdwenen, maar zijn tekst staat nog overeind. Of misschien moet ik het nog anders formuleren: de schrijver is niet verdwenen. Hij heeft zich eenvoudigweg vermenigvuldigd. Hij is werkelijk mens geworden en leeft onder ons.
Ik zou zelfs nog een stap verder kunnen gaan en de mensen in de zaal pas halverwege laten ontdekken dat ik helemaal niet degene ben die op het podium staat. Dan is de dubbelganger niet langer alleen het onderwerp van de lezing, maar wordt hij zelf een theatrale gebeurtenis. Misschien moet ik dat maar doen. Want nu ik dit eenmaal heb bedacht, kan niemand er op 9 september nog zeker van zijn wie er eigenlijk spreekt: mijn dubbelganger, of ikzelf, over de waan van het schrijven. ‘Ik’ is sowieso een merkwaardig woord, vooral in combinatie met ‘zijn’. Mulisch schreef ooit: ‘Ik kan niet dood zijn. Het zijn altijd de anderen die dood zijn.’ Wie ‘ik’ zegt, roept daarmee onvermijdelijk een ander in het leven: een dubbelganger die achter dat woord schuilgaat. Dus straks in Tresoar: ik zal er niet zijn. Of toch wel? Komt dat zien en oordeel zelf!
Reminder: Op woensdag 9 september om 20.00 uur geef ik in Tresoar (café De Gouden Leeuw) een lezing over De waan van het schrijven – Harry Mulisch en de creatieve psychose.
Toegang gratis, inloop vanaf 19.30 uur. U bent van harte welkom! Opgave: zie hier.
