
Eindelijk is hij er dan: De waan van het schrijven. Harry Mulisch en de creatieve psychose. Na jaren van zoeken, schrijven, herschrijven en twijfelen heeft dit boek zijn weg naar de wereld gevonden. Een bijzonder moment, want het manuscript werd vorig jaar bekroond met de Van Helsdingenprijs van de Stichting Psychiatrie en Filosofie. Die erkenning voelde als een bevestiging dat een persoonlijke en literaire zoektocht ook een bredere betekenis kan hebben.
In dit boek keer ik terug naar een opmerkelijke, maar onderbelichte episode uit het leven van Harry Mulisch. Op tweeëntwintigjarige leeftijd werd hij getroffen door een psychotische ervaring die hij later zelf omschreef in termen van een stroom van beelden, openbaringen en boodschappen. In de periode dat deze innerlijke vulkaan uitbarstte, werkte hij aan zijn eerste roman Archibald Strohalm. Wat aanvankelijk een literaire onderneming leek, veranderde in een proces van zelfonderzoek en zelfschepping. Het schrijven werd een alchemistisch laboratorium waarin chaos en orde, vernietiging en geboorte elkaar ontmoetten.
Mulisch noemde dit proces ‘autocreatie’: de schrijver die zichzelf al schrijvend opnieuw uitvindt. Zijn psychotische ervaring was geen voetnoot in zijn kunstenaarschap, maar vormde een van de verborgen bronnen waaruit zijn indrukwekkende oeuvre zou ontstaan. De waan bleek niet alleen een ontsporing, maar ook een breukvlak waarop iets nieuws het licht kon zien.
Met dit boek stel ik een vraag die verder reikt dan één schrijver: wat gebeurt er wanneer de grenzen tussen verbeelding en werkelijkheid beginnen te verschuiven? Kan een psychotische ervaring, naast alle ontwrichting die zij met zich meebrengt, ook onderdeel zijn van een langer ontwikkelingsproces? En wat zegt dat over de manier waarop wij kijken naar creativiteit, taal en bewustzijn?
Mijn zoektocht naar Mulisch werd tegelijkertijd een reis naar mijn eigen verleden. In 1966, toen ik achttien jaar oud was, beleefde ik zelf een psychotische episode. Het verloren gegane manuscript dat ik destijds schreef, was achteraf gezien mijn eigen poging tot autocreatie. Door Mulisch als spiegel te gebruiken, kon ik opnieuw kijken naar de merkwaardige alchemie van het schrijven dat soms vanzelf lijkt te gaan.
De waan van het schrijven is uiteindelijk een boek geworden over schrijven, waanzin en het creatieve vermogen dat daarin besloten ligt. Over de vage grens tussen ontregeling en inspiratie. En over de vraag of juist op momenten waarop een mens zichzelf volledig dreigt kwijt te raken, ook iets nieuws geboren kan worden. Het vuur kan zelfs de regen overwinnen. Dat is een krachtig beeld dat kan staan voor bevrijding door vernietiging. Maar het vuur kan ook ín de regen verborgen gaan, als de creatieve of levenschenkende kracht die zelfs in verdriet, ontregeling of wanhoop altijd nog aanwezig blijft.
.