Het grootseminarie van Rijsenburg was ooit een van de machtigste symbolen van het Nederlandse katholicisme. Toen het in 1853 werd gebouwd, kort na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie, belichaamde het de triomfantelijke terugkeer van de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Meer dan een eeuw lang werden hier generaties priesters gevormd. Schaepman studeerde er en doceerde er later, Alphons Ariëns liep er door de gangen en ook kardinaal De Jong behoorde tot degenen die hun geestelijke vorming in Rijsenburg ontvingen. Het seminarie stond model voor een wereld die in zichzelf geloofde: een gesloten universum met een eigen moraal, een eigen hiërarchie en een vanzelfsprekend vertrouwen in het kerkelijk gezag.
Juist daarom is de geschiedenis van zijn ondergang zo veelzeggend. In 1968 werd het seminarie gesloten. Niet lang daarna verdween ook het gebouw zelf. Waar ooit priesterstudenten in stilte over de binnenplaats liepen, staan tegenwoordig appartementen. Het is een bijna tastbare metafoor voor de neergang van het Rijke Roomse Leven, dat in nauwelijks tien jaar tijd vrijwel volledig verdampte.
Die ondergang begon eerder dan vaak wordt gedacht. In november 1961 vond binnen de muren van het seminarie een gebeurtenis plaats die tegenwoordig vrijwel vergeten is: de opstand van de priesterstudenten, later bekend geworden als de Rijsenburgse revolutie. Wat begon als protest tegen een collectieve straf groeide onverwacht uit tot een fundamentele confrontatie met een autoritair gezagssysteem. Achteraf bezien was het de eerste Nederlandse studentenopstand, zeven jaar voordat de universiteiten in Tilburg, Nijmegen en Amsterdam in beroering zouden raken.
Dat deze episode zo weinig bekend is, blijft opmerkelijk. In vrijwel iedere geschiedenis van de jaren zestig vormen de Provo-beweging en de bezetting van het Maagdenhuis het beginpunt van de grote omwenteling van the sixties. De opstand in Rijsenburg wordt meestal niet eens genoemd. Toch tekenden zich daar al de contouren af van de culturele revolutie die later het hele land zou veranderen.
Het seminarie was immers precies het soort instelling dat de socioloog Erving Goffman later een total institution zou noemen: een afgesloten leefwereld waarin wonen, studeren, werken en ontspanning samenvielen en waarin het individu vrijwel volledig ondergeschikt was aan de regels van het instituut. In zulke gesloten systemen staat gezag zelden ter discussie en ontbreekt vrijwel iedere ruimte voor tegenspraak. Juist daarom was de opstand van 1961 zo opmerkelijk. Niet alleen de strafmaatregel waartegen de studenten protesteerden was van belang; belangrijker was dat zij voor het eerst openlijk de vanzelfsprekendheid van het kerkelijk gezag zelf ter discussie stelden.
Toen ik onlangs Brave rebellen (1999) van Jan ter Laak las, viel mij opnieuw op hoe modern deze gebeurtenis eigenlijk was. Ter Laak beschrijft de opstand niet als een zorgvuldig voorbereide revolutie, maar als een spontane uitbarsting van verontwaardiging. Er bestond geen ideologie, geen uitgewerkt programma en geen revolutionaire voorhoede. Juist daardoor was zij zo veelzeggend. De studenten voelden intuïtief dat de oude verhoudingen niet langer houdbaar waren. Wat in Rijsenburg gebeurde, bleek achteraf een voorbode van een veel bredere culturele verschuiving waarin gehoorzaamheid plaatsmaakte voor inspraak, autoriteit voor debat en hiërarchie voor democratisering.
Kerkhistoricus Jan Roes merkt in zijn voorwoord terecht op dat de betekenis van deze katholieke revolutie nog altijd wordt onderschat. Niet alleen de ontzuiling en de veranderende seksuele moraal, maar ook de democratisering van de Nederlandse samenleving dragen sporen van deze katholieke vernieuwingsbeweging. De ironie is dat juist een gemeenschap die eeuwenlang gebouwd was op discipline en gehoorzaamheid, uiteindelijk een belangrijke voedingsbodem werd voor emancipatie en maatschappijkritiek.
Die gedachte heeft mij altijd gefascineerd. De jaren zestig worden meestal verteld als een verhaal van marxistische studenten en linkse intellectuelen. Minder aandacht is er voor de rol die progressieve katholieken daarin speelden. Toch waren het vaak juist voormalige seminaristen, priesters en katholieke studenten die als eersten de gesloten wereld waarin zij waren opgegroeid openbraken. Hun kritiek beperkte zich niet tot de kerk. Zij richtte zich uiteindelijk op de hele samenleving.
Jan ter Laak (1938-2009) was daarvan zelf een sprekend voorbeeld. Van huis was hij uit classicus en priester. Na zijn priesteropleiding werd hij een van de drijvende krachten achter het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV). Zijn opvolger als voorzitter, Mient Jan Faber, die politiek bedrevener was dan hij, zou het IKV grote bekendheid geven vooral door zijn optreden tijdens de acties tegen de plaatsing van lange afstandsraketten in het begin van de jaren tachtig. Jan ter Laak werd later omroeppastor bij de KRO en algemeen secretaris van de katholieke vredesbeweging Pax Christi.
Hij was een exponent van de jaren zestig en zeventig, de tijd van actiegroepen, studentenprotesten en andere maatschappijkritische bewegingen, geleid door de in die tijd – met name vanuit de sociale wetenschappen – opkomende nieuwe secundaire elites die steeds kritischer werden ten opzichte van het oude bestel. Kritische katholieken liepen daarbij voorop. Zij hadden al sinds de jaren vijftig een pioniersrol gespeeld in een proces van emancipatie en geestelijke bevrijding. In de jaren zestig en zeventig verbrede deze beweging zich in een golf van maatschappijkritiek en pacifisme.
Ik heb Jan ter Laak één keer persoonlijk ontmoet. Dat was in juni 1979 in Amersfoort. Tegenover het kantoor van het IKV vergaderde die dag het Nationaal Overleg Gewestelijke Cultuur, waar ik namens de Friese Culturele Raad aanwezig was. Midden in de vergadering gebeurde iets wat ik mij nog altijd niet goed kan verklaren. Plotseling stond ik op, pakte mijn papieren bijeen en liep zonder een woord te zeggen de zaal uit. Bij de deur stond een lege bloemenvaas. Met een licht theatraal gebaar liet ik mijn vulpen erin vallen. Het heldere ping dat daarop volgde verbrak de stilte in de vergaderzaal.
Ik stak de straat over en liep het kantoor van Jan ter Laak binnen. Hij keek nauwelijks verbaasd toen ik mij meldde. Alsof hij mij verwacht had. We spraken bijna een uur met elkaar. Over het katholicisme, de vredesbeweging, geloof, twijfel en persoonlijke ervaringen. Af en toe ging de telefoon; daarna vervolgden wij eenvoudig ons gesprek. Achteraf herinner ik mij vooral de rust die hij uitstraalde. Hij was iemand die zijn geloof niet gebruikte om zekerheden te verkondigen, maar om vragen open te houden.
Pas veel later begon ik mij af te vragen waarom ik die middag eigenlijk naar hem toe was gegaan. in de dagen daarna zou mijn psychische evenwicht ernstig ontregeld raken en naderde ik opnieuw een psychose. Misschien herkende ik in hem, zonder dat zelf te beseffen, iemand die een brug probeerde te slaan tussen de oude katholieke wereld waarin ik was opgegroeid en de nieuwe tijd die zich aandiende. Misschien zocht ik iemand die liet zien dat geloof ook een vorm van maatschappelijke verantwoordelijkheid kon zijn.
Ons contact verwaterde al snel. Wel bleef ik zijn loopbaan volgen. Daarom schrok ik toen hij in 1996 moest terugtreden nadat klachten waren ingediend over seksueel grensoverschrijdend gedrag tijdens zijn periode als omroeppastor. Hij trok zich terug en volgde in de Verenigde Staten een intensieve therapie. Later sprak hij daar opmerkelijk zonder zelfmedelijden over. Hij zag de gebeurtenissen als de uitkomst van een probleem dat jarenlang onder de oppervlakte was blijven sluimeren en uiteindelijk niet langer kon worden ontweken. Op 13 maart 2009 werd bekend dat Jan ter Laak was overleden. Hij was zeventig jaar geworden.
Zijn levensloop weerspiegelt een andere geschiedenis van het Nederlandse katholicisme, een geschiedenis die achter de horizon verdwenen lijkt. Dat was het sociaal-bewogen katholicisme dat in de jaren vijftig hoogtij vierde. Twee van mijn oudere zussen – die inmiddels allen overleden zijn – werden destijds actief lid van de Pax Christi-beweging. Alle vier kozen zij voor een beroep in het sociaal werk of de zorg. Wat dat betreft was ik een buitenbeentje want ik heb me daar nooit mee beziggehouden. Hoe dan ook, dat was de mooie kant van het naoorlogse katholicisme, maar er was ook een schaduwzijde.
De kerk bood generaties priesters weinig ruimte om hun seksualiteit eerlijk onder ogen te zien. Dat heeft persoonlijke drama’s veroorzaakt en soms ook ernstig grensoverschrijdend gedrag mogelijk gemaakt. Maar tegelijkertijd bracht diezelfde katholieke wereld mensen voort die een beslissende rol speelden in de democratisering, de vredesbeweging en de culturele omwentelingen van de jaren zestig en zeventig.
Als ik aan dit alles terugdenk, overvalt mij telkens weer een dubbel gevoel. Het katholicisme was voor mij tegelijk een bron van bevrijding en van beklemming, van inspiratie en van vervreemding. Dezelfde wereld die mij leerde denken in termen van waarheid, schoonheid en transcendentie, legde ook een verstikkend stelsel van gehoorzaamheid en taboes op. Misschien is dat wat psychologen een double bind noemen: je kunt je pas werkelijk losmaken van iets waaraan je tegelijkertijd onherroepelijk verbonden bent.
De opstand van Rijsenburg belichaamt voor mij die paradox. Zij betekende het begin van het einde van een wereld die ik achter mij heb gelaten, maar ook van een wereld waaruit ik ben voortgekomen en die, hoezeer zij ook verdwenen is, nog altijd in mij voortleeft. Misschien is dat wel de diepste ironie van het Rijke Roomse Leven: dat juist zijn ondergang de geestelijke vrijheid mogelijk maakte waarnaar het, onbedoeld, zelf had verlangd.

