
Gisteravond 20.10 uur, Harlingerstraatweg Leeuwarden
‘In ons brein schijnt een bijzonder gebied te bestaan dat je het poëtisch geheugen zou kunnen noemen en dat registreert wat ons heeft betoverd, ontroerd, wat ons leven mooi heeft gemaakt.’ Dat schrijft Milan Kundera in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Misschien is een zonsverduistering wel bij uitstek zo’n gebeurtenis die zich in dat poëtische geheugen vastzet. Niet alleen omdat de zon even verdwijnt, maar omdat ook de tijd voor een ogenblik lijkt stil te staan.
Gisteren schoof de maan weer even voor de zon. Het licht veranderde, de wereld hield haar adem in en daarna werd alles weer gewoon. Maar bij mij was ondertussen iets anders gebeurd. De eclips had een deur geopend naar 1999. Voor even was ik weer terug in die eindeloze jaren negentig, toen het millennium nog moest beginnen en de toekomst nog alle kanten op kon. De maan schoof verder, het licht keerde terug. Maar ergens in mij bleef het even donker. Ik keerde terug naar de plek waar het verleden zijn licht bewaart. Gisteren dacht ik daaraan terug, terwijl ik naar het licht keek. Het was alsof de eclips van 1999 zich even opnieuw aandiende, maar nu in mijn eigen geheugen.
Er gebeurden meer vreemde dingen in dat laatste jaar van de twintigste eeuw. Op 11 augustus werd het donker rond het middaguur. De maan kroop tussen de zon en de aarde en maximaal 143 seconden was er sprake van een totale zonsverduistering. In Nederland was ongeveer 95 procent van de zon verduisterd. Het effect viel hier overigens wat tegen. In grote delen van het land benamen de wolken het zicht of werd het minder schemerig dan velen hadden verwacht. Toch was er iets bijzonders gebeurd. De hemel had even zijn vertrouwde gezicht verloren.
Het hart was in 1999 soms ook verduisterd, want er ging natuurlijk wel eens wat mis. De samenwerking tussen het Frysk Festival en Simmer 2000 verliep zeker in het begin niet altijd even soepel. Kees ’t Hart zat als denktank in het bestuur van Simmer 2000. ‘Voor succes moet worden gevreesd,’ liet hij zich eens ontvallen. Die woorden zouden school maken. Volgens mij heeft Kees nooit helemaal geweten of hij dit feest nou leuk vond of niet. Al een paar jaar had hij de redactie van Praktikabel ingeruild voor die van het prestigieuze literaire tijdschrift De Revisor. Hij had mij gevraagd of ik een verhaal voor dat blad wilde schrijven.
Voor het eerst dompelde ik mij helemaal onder in mijn orthodox-katholieke jeugd, op zoek naar de kronkels die ik daarvan had overgehouden. Ook dat zou een goudmijn worden, zo ontdekte ik in de jaren daarna. Het was in Nevers, zo luidde de titel van mijn verhaal. De redactie van De Revisor vond het maar niks. Het ging ook over Albert Camus, en die zou pas na de aanslagen van 11 september 2001 weer in de mode komen. Met Wim Bors, destijds druk in de weer als directeur van het Media Art Festival, probeerde ik er nog een videofilm van te maken. Ook dat liep op niets uit.
De tijd is zo met ons bewustzijn verweven dat wij haar niet zomaar apart kunnen nemen. En toch proberen we dat telkens wanneer we in gedachten terugkeren naar het verleden. Een kleine aanleiding kan daarbij werken als een entkristal in een oververzadigde oplossing van herinneringen. Plotseling vormen zich de wonderlijke, kristallijnen figuren van het verleden, dwars door de tijd en dwars door de ruimte. Zo gebeurde het gisteren. Het vreemde licht van de zon bracht een hele zomer terug die ik al lang achter mij waande. Een zomer waarin ik gewoon doorwerkte, terwijl ondertussen de wereld leek te wachten op iets nieuws.
In september 1999 zou de manifestatie In Verbelinge in Ooststellingwerf van start gaan, waaraan ik anderhalf jaar had gewerkt en waarvoor ik vanuit Keunstwurk was ingehuurd. Voor een kleine plattelandsgemeente met 25.000 inwoners was een kunstmanifestatie met een budget van ruim zeveneneenhalve ton gulden en met kunstenaars van internationale naam geen alledaags gebeuren. Het was, schreef Karin de Mik in de NRC, de grootste kunstmanifestatie die tot dan toe in Friesland was gehouden. Voor mij was het vooral een mooie tijd. Misschien was het wel de mooiste tijd die ik hier in Friesland heb beleefd.
Ik sloeg weinig acht op de intriges en achterklap om me heen, hoewel er heel wat broeide. Het jaar 2000 stond voor de deur en sprak bij menigeen tot de verbeelding. Sommigen dachten dat de wereld zou vergaan of dat alle computers zouden stilvallen zodra het jaar 1999 voorbij was. Anderen vonden dat het met de wereld zelf niet goed ging. De antiglobalisten roerden zich bij de Battle of Seattle. Alles leek te veranderen en veel mensen gingen op zoek naar identiteit, naar iets wat houvast kon bieden in een tijd van verloren thuisgevoelens en mondiale stroomversnellingen. ‘Transitie’ noemen we dat tegenwoordig. Ook toen voelde ik dat er iets op handen was.
Dat gaf kansen voor culturele vernieuwing. Jos Thie en ik vonden dat ook. Samen schreven we een vurig pleidooi in de Leeuwarder Courant: ‘Verandering goudmijn voor Friese cultuur.’ Misschien was dat wel de stemming van die hele periode: het gevoel dat het oude voorbij was en het nieuwe nog moest beginnen. Het millennium werd een soort horizon waar iedereen zijn eigen verwachtingen op projecteerde. Gisteren, toen het zonlicht even veranderde, moest ik daaraan terugdenken. Ook nu leven we in een tijd waarin veel zekerheden verdwijnen en waarin mensen opnieuw zoeken naar een identiteit die houvast kan bieden.
Ik las in die jaren veel over rituelen en pelgrimage. Overal ter wereld maakten Friezen om útens zich op voor een grote bedevaart naar it heitelân. Het werd het ‘Het Lourdesgevoel van Simmer 2000’. Maria bleef me achtervolgen, terwijl Gerard Reve nog ver weg was. Vlak voor Kerst kreeg ik via via een verzoek uit het Vaticaan. Het beeld van de Madonna van Sevenwolde in de Friezenkerk in Rome was nodig aan een nieuw kroontje toe. Of ik een Friese kunstenaar wist die zo’n zilveren kroontje voor de Heilige Maagd kon maken. Ik ben nooit wezen kijken of de operatie ook werkelijk is gelukt.
Mijn God, wat heb ik allemaal niet ondernomen om eindelijk eens met mijn kruin boven dat Friese maaiveld uit te komen. Maar het wilde maar niet lukken. Zoiets moet je ook niet willen, realiseer ik me nu. Uiteindelijk verscheen mijn verhaal Het was in Nevers alsnog, maar nu in het Friese Trotwaer. Soms voelde ik me hier als een gestrande vogel met olie op zijn veren. Maar zelfbeklag was iets wat er bij mij altijd weer werd uitgeramd. Mijn vader had het al als levensmotto, de woorden van Paulus: ‘Als ik wil roemen, wil ik roemen op mijn zwakheden.’ Mooi gezegd, ik weet het. Ik ben niet zo. Ik ben zo ijdel als Narcissus. Op die zwakheid wil ik juist roemen. Dus … ik lijk toch een beetje op mijn vader. Papa! Ik lijk steeds meer op jou! Ach, bullshit!
Maar terug naar 1999, het jaar voorafgaand aan de millenniumwende. Aan mijn mederedactieleden van Praktikabel stelde ik voor om een aantal bekende Nederlanders uit te nodigen om een preek te schrijven voor de komende duizend jaar. Een nieuwe toekomst, tweeduizend jaar na de geboorte van Christus. We maakten een lijst met namen als Mient Jan Faber, Bernard Delfgauw, Jan Foudraine, Lolle Nauta, Hessel Miedema, prof. L.A. Diepenhorst, Pierre Jansen, Roel van Duijn, Willem Aantjes, prinses Irene, Simon Vinkenoog en pater Van Kilsdonk. Vogels van zeer diverse pluimage. Zeven van hen werden inderdaad per brief uitgenodigd om een preek voor het nieuwe millennium te schrijven.
Het project ging uiteindelijk niet door omdat er te weinig toezeggingen binnenkwamen. Pater Van Kilsdonk, die ik nog kende uit mijn tijd op het Ignatiuscollege, antwoordde met een vriendelijke brief die ik nog altijd heb bewaard. In mijn jonge jaren had ik hem ooit beticht van intellectuele prostitutie, maar dat alles was inmiddels vergeven en vergeten. Pater Van Kilsdonk overleed in 2008 op negentigjarige leeftijd. Als er een hemel zou bestaan, dan mocht deze ketterse jezuïet van Petrus zeker naar binnen, daar twijfel ik niet aan. Maar hij zou er al gauw weer terugverlangen naar dit tranendal beneden.
De hemel was ver weg in die tijd. Alleen de bomen groeiden tot in de hemel in die eindeloze jaren negentig, die nu dan eindelijk op hun einde liepen. Aan de dood dachten we niet, laat staan aan wat ons daarna nog te wachten zou staan. De toekomst leek eindeloos en het nieuwe millennium werd vooral als een belofte ervaren. Niemand kon toen weten wat er allemaal nog zou gebeuren. Niemand wist hoe snel de wereld zou veranderen, hoeveel mensen zouden verdwijnen en hoeveel van onze zekerheden achteraf illusies zouden blijken.
Misschien is dat wat een zonsverduistering zo bijzonder maakt. Je weet dat de zon niet werkelijk verdwijnt. De maan schuift er slechts even voor. Toch verandert op zo’n moment alles. Het vertrouwde licht wordt vreemd. De bomen, de huizen, de straat, de gezichten om je heen: alles lijkt even uit een andere werkelijkheid afkomstig. Gisteren keek ik naar de zon en zag ik niet alleen het heden. Ik zag ook die andere zon, van 11 augustus 1999, en daarmee een wereld die allang voorbij is.
Zo werkt misschien ook de herinnering. Het verleden is niet verdwenen. Het staat alleen achter het heden, zoals de zon achter de maan. Soms schuift er iets tussen: een foto, een geur, een stem, een zin uit een oud boek of het vreemde licht van een zomeravond. Dan wordt het verleden plotseling zichtbaar. Niet zoals het werkelijk was, want ook dat weten we nooit precies meer, maar zoals het in ons poëtisch geheugen is blijven bestaan. Een verleden dat zich telkens opnieuw laat betoveren door het licht van het heden.
En wat zou je daar trouwens moeten doen, in die hemel? Je kunt er niemand begraven. Je kunt er geen troostende woorden spreken bij een graf. Niemand heeft verdriet in de hemel. Niemand verlangt terug naar wat voorbij is. Misschien zou je er juist heimwee krijgen naar alles wat hier gebroken, tijdelijk en vergankelijk is. Naar een verloren zomer, een onvervuld verlangen, een brief die je bewaard hebt, een verhaal dat ooit werd afgewezen. Misschien is de hemel daarom zo troosteloos. Er is geen verduistering en dus ook geen herinnering aan het licht. Hooguit een herinnering aan een jaar dat het hart verduisterd was.