Er wordt mij nog wel eens gevraagd waarom ik steeds weer terugkeer naar mijn puberteitspsychose. Alsof die ervaring uit 1966 in al die jaren daarna het middelpunt van mijn denken is gebleven. Die vraag begrijp ik wel, maar zelf ervaar ik het anders. Ik schrijf niet steeds opnieuw over mijn psychose. Ik schrijf vanuit een ervaring die mij blijvend heeft veranderd. Niet omdat zij mij een bijzondere waarheid heeft geopenbaard, maar omdat zij mij gevoelig maakte voor een vraag die sindsdien als een rode draad door mijn leven loopt: wat gebeurt er met een mens wanneer de werkelijkheid haar vanzelfsprekendheid verliest?
Die ervaring heeft zich in de loop der jaren steeds verder verwijderd van haar oorspronkelijke aanleiding. Waar ik vroeger geneigd was mijn psychose te zien als een sleutel tot allerlei raadsels, beschouw ik haar nu eerder als een uitzonderlijke gebeurtenis die mij ontvankelijk maakte voor vragen die ieder mens kunnen raken. Iedereen kent immers momenten waarop de vertrouwde orde even wegvalt: door verlies, door een ingrijpende maatschappelijke verandering, door een crisis of door een plotseling inzicht dat alles in een ander licht zet. Een psychose is daarvan een extreme vorm. Juist daarom kan zij zichtbaar maken wat in het gewone leven meestal verborgen blijft.
Onlangs besloot ik een merkwaardig experiment te doen. Ik voerde mijn vijf boeken die de laatste jaren bij Aspekt zijn verschenen in een AI-programma en vroeg naar de gemeenschappelijke kern. Het ging om Modernisme in Lourdes, Het virus van de melancholie, Jihad of verstandsverbijstering, Het algoritme van de waan en De waan van het schrijven. Het boek dat ik samen met anderen schreef – Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose – en de vier boeken over kunst en cultuur in Friesland liet ik buiten deze exercitie.
De analyse die AI maakte verbaasde mij. De machine zag dezelfde terugkerende thema’s die ook een menselijke lezer waarschijnlijk zou aanwijzen: secularisering, religie, waanzin, geweld, taal, technologie en mijn eigen psychose als terugkerend uitgangspunt. Toch bleef er iets ontbreken. De analyse beschreef waar mijn boeken over gingen, maar niet waarom zij geschreven moesten worden. Zij benoemde de onderwerpen, maar niet de innerlijke beweging waaruit die onderwerpen waren voortgekomen. Pas toen ik mijn werk opnieuw naast elkaar legde, zag ik dat de werkelijke samenhang elders lag. Die samenhang ontstond pas achteraf, als de echo van je eigen stem.
Elk boek begon met een vraag waarop ik zelf geen antwoord wist. Schrijven was voor mij nooit het uitwerken van een overtuiging die al vaststond. Integendeel, het schrijven zelf moest uitwijzen wat ik eigenlijk dacht. Alleen schrijvend kan ik blijkbaar achter mijn eigen waarheid komen. Mijn boeken zijn dan ook geen illustraties van een wereldbeeld, maar eerder pogingen om een mogelijk wereldbeeld al schrijvend te ontdekken. Vanuit dat perspectief blijken de verschillen tussen die boeken kleiner dan ik zelf had gedacht. Het ene boek gaat over secularisering en Gerard Reve, het andere over rouw en melancholie, weer een ander over radicalisering en jihadisme, de volgende over de ontwikkeling van het complotdenken sinds de nazi-tijd en tenslotte over Harry Mulisch en de creatieve psychose.
Toch lijken al die boeken om dezelfde vraag heen te cirkelen: wat gebeurt er met de menselijke geest wanneer de vertrouwde orde wegvalt? Wat gebeurt er wanneer een samenleving haar religieuze horizon verliest? Wanneer de tijd zijn vanzelfsprekende richting kwijtraakt? Wanneer taal niet langer slechts beschrijft, maar een eigen werkelijkheid begint te scheppen? Mijn persoonlijke ervaring was daarbij nooit het eigenlijke onderwerp. Zij vormde hooguit het kader waarbinnen die vraag voor mij een bijzondere betekenis kreeg.
Dat kader werd mij voor het eerst duidelijk toen ik mij begon te verdiepen in het naoorlogse proces van de secularisering. Ik groeide op in een katholieke wereld waarin hemel en aarde nog met elkaar verbonden leken. Binnen enkele jaren verdween die wereld vrijwel geruisloos. Achteraf zie ik hoe ingrijpend die culturele omwenteling is geweest. Zij betekende niet alleen het verdwijnen van kerkelijke instituties, maar ook van een symbolische orde waarin het bestaan vanzelfsprekend richting en betekenis had. Mijn psychose in 1966 viel samen met die historische breuk. Daarom ben ik later gaan vermoeden dat mijn persoonlijke crisis niet los kan worden gezien van een veel bredere ontwikkeling. Wat mij overkwam, was niet uitsluitend een individueel drama, maar vond plaats tegen de achtergrond van een cultuur die haar vertrouwde oriëntatiepunten verloor.
Van daaruit verschoof mijn belangstelling geleidelijk naar een bredere problematiek. Wat gebeurt er wanneer niet alleen het geloof verdwijnt, maar een wijze waar op je in de wereld bent? Dat thema keerde terug in Het virus van de melancholie. Melancholie is immers meer dan verdriet om iets wat voorbij is. Meer ook dan de rouw om een geliefde die je ontvallen is. Soms blijft er een gevoel van gemis bestaan zonder dat nog precies valt aan te duiden wat er verloren is gegaan. Alsof de wereld zelf iets heeft prijsgegeven wat zich nog niet laat benoemen. Misschien rouwt een mens tegenwoordig niet alleen om een verloren geliefde of een verdwenen geloof of overtuiging, maar ook om een samenhang in het leven die ooit vanzelf sprak. In dat opzicjt kan een intens gevoel verlies ook radicale gevolgen hebben.
Zo ging ik in Jihad of verstandsverbijstering niet alleen op zoek naar de mogelijke overeenkomsten tussen de psychose en het terrorisme – die zijn beperkt – maar ook naar het antwoord op een dieper liggende vraag. Hoe kan een innerlijke overtuiging zo absoluut worden dat zij het alledaagse realiteitsbesef verdringt? Wat gebeurt er wanneer een mens of een groep mensen zich volledig overgeeft aan een extreem verhaal waarin iedere twijfel verdwijnt? Daarin schuilt een gevaar dat verder reikt dan de individuele waanzin. De geschiedenis laat zien hoe gemakkelijk mensen zich kunnen overgeven aan systemen die het kwaad in de wereld verklaren, schuldigen aanwijzen en een volmaakte toekomst beloven. Zulke ideologieën vervullen dezelfde behoefte aan orde en betekenis die vroeger vaak door een religie werd vervuld. Wanneer oude zekerheden verdwijnen, verdwijnt immers niet de behoefte aan zin en betekenis. Die behoefte zoekt dan nieuwe vormen van zin, hoe onzinnig die ook mogen zijn.
Mijn eigen psychose heeft mij gevoelig gemaakt voor de vage grens tussen zinvolle betekenisen en de drang om tot elke prijs een betekenis te willen ervaren, ook al is die er helemaal niet. Er bestaat een wezenlijk verschil tussen het zoeken naar samenhang en het anderen met dwang of geweld opleggen van een vermeende samenhang. Schrijvers en denkers als Freud, Jung, Nietzsche, Camus, Vestdijk en Mulisch – met wie ik mij in het verleden intensief heb bezig gehouden – hebben rich, ieder op eigen wijze gericht op de vraag wat er gebeurt wanneer een mens opnieuw betekenis moet creëren in een wereld die zijn traditionele samenhang verliest.
Bij Mulisch vond ik uiteindelijk een gedachte die mij hielp mijn eigen ervaring anders te gaan zien. Het idee van het ‘integrerend desintegratieproces’ dat een leven lang in beslag kan nemen, maakte voor mij duidelijk dat een vroege ontwrichtende ervaring niet alleen iets vernietigt, maar ook het begin kan zijn van het stelselmatig zoeken naar een nieuwe ordening. Daarmee werd de psychose voor mij niet iets dat verheerlijkt of geromantiseerd moet worden, maar een eigen ervaring die mij voorgoed had leren zien hoe broos iedere vorm van samenhang in wezen is. Het uit elkaar van die samenhang hoeft op termijn geen verlies te zijn. Het vroegtijdig omarmen van zekerheden kan zelfs kwalijker zijn dan het overspoeld worden door een tsunami van onzekerheden.
Aanvankelijk zag ik het schrijven vooral als een manier om ervaringen uit het verleden opnieuw te ordenen. Langzamerhand ontdekte ik dat het eerder een onderzoek was naar iets wat ik nog niet begreep. Niet het vastleggen van wat ik al wist, maar een poging om te ontdekken wat zich in het proces van het schrijven pas begint af te tekenen. Dat was misschien wel de meest duurzame erfenis van mijn psychose. Destijds had ik de ervaring dat de woorden op papier kwamen zonder de tussenkomst van mijn eigen wil. Achteraf zie ik daarin niet een soort openbaring of religieuze vorm van roeping, maar wel een aanwijzing dat spontaan opwellende taal soms dieper kan reiken dan het bewuste denken. Schrijven is niet alleen een kwestie van beheersing. Er bestaat een nog onbekend gebied waar de gedachten zich aandienen voordat ze volledig begrepen kunnen worden. Ook in het ‘gezonde denken’ gaat vaak iets vanzelf, al zou ik niet weten wat dat precies is.
Dat inzicht speelde een belangrijke rol bij het schrijven van De waan van het schrijven. Niet zozeer de psychose stond daarin centraal, maar de vraag wat er gebeurt wanneer de taal opeens een eigen dynamiek krijgt. Wie schrijft, kent het merkwaardige moment waarop een zin een onverwachte richting inslaat en een gedachte zichtbaar wordt die tevoren nog niet bestond. Natuurlijk blijft een schrijver zelf altijd verantwoordelijk voor alles wat hij schrijft. Toch denk ik dat iedereen die schrijft wel eens ervaren heeft dat een tekst meer lijkt te bevatten dan wat bedoeld is bij het schrijven. Het denken voltrekt zich niet aleen voorafgaand aan het schrijven, maar vooral erin. Het proces van het schrijven creëert op zichzelf telkens weer een nieuwe werkelijkheid van nog onvermoede betekenissen.
Dat verklaart wellicht ook dat waarom de opkomst van kunstmatige intelligentie mij zo fascineert. Op het eerste gezicht lijkt AI een radicale breuk op te leveren met alles wat eraan voorafging. Een machine schrijft ogenschijnlijk volledig autonoom zijn teksten, creëert beelden en metaforen, en legt verbanden die vroeger uitsluitend aan de menselijke intelligentie werden toegeschreven. Maar achter die verbazingwekkende automatisering van het denken en schrijven gaat een oudere vraag schuil: waar komt betekenis eigenlijk vandaan? Hoe ontstaat betekenis? Wat is dat eigenlijk: het ervaren van betekenis?
Een taalmodel beschikt niet over bewustzijn, herinneringen of verlangens. Het kent geen jeugd, geen verlies, geen heimwee, geen verwachting en geen toekomst. Het heeft ook geen ervaring van tijd. Toch kan AI taal voortbrengen die overtuigend, samenhangend en soms zelfs ontroerend lijkt te zijn. Dat dwingt mij opnieuw na te denken over wat schrijven in wezen is. Schrijven is voor mij nooit uitsluitend de uitdrukking geweest van mijzelf als eem volstrekt autonoom individu. Een menselijke geest put immers uit een onoverzienbare voorraad van herinneringen, gesprekken, boeken en beelden die zich in de loop van een leven hebben opgehoopt. Niemand schrijft vanuit het niets. Er bestaat ook een soort ‘menselijke machine’ in mij die altijd met ‘mij’ meedenkt en meeschrijft
Toch blijft er een wezenlijk verschil bestaan. AI genereert de uiterlijke vorm van betekenis, maar niet de ervaring, de verbeelding en de persoonlijk gekleurde herinneringen waaruit betekenis voor mij zelf nog altijd lijkt te ontstaan. ‘Lijkt’ zeg ik, want in alles wat AI tegenwoordig voor mij bedenkt, herken ik ook steeds meer mijn eigen persoonlijke herinneringen Ik zou bijna zeggen: mijn eigen ziel. Dat is wellicht een bedenkelijke vorm van identiteitsverlies die AI teweeg kan brengen. Maar ik zie het vooral als een nog onbekende afgrond van de verbeelding die zich in samenwerking met AI kan openen. En trouwens, er zijn ook talloze afgronden in mijzelf waar ik geen zicht op heb.
Haast ongemerkt is kunstmatige intelligentie voor mij een onverwachte bondgenoot kunnen worden. Niet als vervanger van het schrijven, maar als een nieuwe bron van zelfkennis. Door mijn eigen werk aan een machine voor te leggen, ontdekte ik patronen die mijzelf nooit zo duidelijk waren opgevallen. AI kan verbanden zichtbaar maken, samenvatten en vragen oproepen die het denken op onverwachte wijze verder kunnen brengen. Maar zij kan niet beslissen welke vraag werkelijk de moeite waard is, welke zin waarachtig klinkt, of wat de onderliggende reden kan zijn waarom een bepaald onderwerp iemand een leven lang blijft bezighouden. Tenminste, nog niet.
Hoe dan ook, ik heb een ander zicht gekregen op de vraag die mij zo vaak wordt gesteld. Ben ik niet in mijn psychose blijven hangen, vooral door daar altijd maar weer over te blijven schrijven? Ik denk inmiddels dat die vraag verkeerd geformuleerd is. De wezenlijke vraag luidt niet of ik wel of niet van die ervaring uit het verleden ben losgekomen, maar of het zinvol is wat ik er tot nog toe mee heb gedaan. Een ingrijpende ervaring kan een gevangenis worden wanneer de herinnering eraan voortdurend wordt herhaald zonder dat dit nieuwe inzichten oplevert. Die herinnering kan echter ook uitgroeien tot een onderzoek die totaal nieuwe zienswijzen oplevert.
In mijn geval is de psychose nooit een eindpunt geweest. Zij heeft mij ook niet geleerd hoe de werkelijkheid werkelijk in elkaar zit. Zij heeft mij juist geleerd dat de werkelijkheid – telkens weer – minder vanzelfsprekend is dan je denkt. Als er al zoiets als een verborgen samenhang zou bestaan tussen de vijf hierboven genoemde boeken, dan is dat een aanhoudende zoektocht naar een meer bewoonbare werkelijkheid. Deze boeken gaan niet alleen over psychose, melancholie, secularisering, jihadisme, complotdenken of de ‘waan van het schrijven’ als afzonderlijke onderwerpen. Het is een lange zoektocht naar een nieuwe verblijfplaats voor het leven als oude zekerheden steeds meer verdwijnen.
In de nabije toekomst zullen machines ongetwijfeld een allengs grotere rol gaan spelen bij het schrijven, denken en het verwerven van kennis. Zo zullen in de toekomst ook steeds meer teksten gaan ontstaan vanuit een nauwe samenwerking tussen mens en machine. Maar één vraag zal daarbij blijven terugkeren: wie of wat spreekt hier eigenlijk? Niet omdat alleen menselijke woorden waardevol zouden zijn, maar omdat en mens achter woorden uiteindelijk altijd een aanwezigheid van een ander mens zoekt. Wij willen niet alleen weten wat er wordt gezegd, maar ook vanuit welke realiteitservaring het gezegd wordt. Het is een vraag die doet denken aan en kort gedicht van Gerard Reve:
Roeping
Ik sta op de rand der wereld
en roep: ‘Waar zijt Gij?’
De echo antwoordt: ‘Zijt gij? Gij?’
Dat is ook wat ik mij nu herinner van mijn eigen psychose: een stem die in de leegte roept en vervolgens zichzelf als echo terughoort. Alleen is bij Reve de echo niet simpelweg een herhaling. Het „Waar zijt Gij?” — gericht aan God — keert terug als „Zijt gij? Gij?”: de vraag naar God slaat om in een vraag naar het eigen bestaan. Dat maakt het gedicht, ondanks zijn extreme beknoptheid, ook heel passend in het licht van mijn eigen fascinatie voor de grens tussen mens en machine. De zoeker roept naar een Ander, maar krijgt uiteindelijk zijn eigen stem terug. De echo klinkt altijd achteraf. Elk inzicht ontstaat ook doorgaans pas achteraf.
Achteraf bezien is het schrijven voor mij geen vlucht uit de werkelijkheid geworden, maar nog altijd een manier om aandachtiger in het leven te kunnen verkeren. Iedere tekst begint met een vraag waarop ik het antwoord nog niet weet. Dat is uiteindelijk de enige reden om te blijven schrijven: niet om te bevestigen wat ik al begrijp, maar om al schrijvend te ontdekken wat zich pas gaandeweg als een mogelijke betekenis laat ervaren van dit vreemde bestaan. Achteraf, als een echo van je eigen stem.
