Fietsen door Amsterdam-Zuid

Eergisteren fietste ik weer eens door Amsterdam-Zuid, de buurt waar ik mijn hele schoolgaande jeugd heb doorgebracht. Ik ben geboren in 1947, een babyboomer twee jaar na de oorlog. Als kind wist ik nauwelijks iets van de Holocaust. Er werd mij weinig over verteld. De oorlog was voorbij en het leven moest verder. De wederopbouw bracht een nieuwe wereld voort waarin weinig plaats leek voor het verleden. Achteraf denk ik dat de verdrongen herinnering aan de oorlog in de jaren vijftig samenging met een andere verdringing: die van de seksualiteit. Vooral binnen de katholieke zuil heerste een zwijgcultuur waarin veel niet benoemd werd. Wij waren de kinderen van de wederopbouw, maar ook kinderen die opgroeiden in de schaduw van Auschwitz. Alleen wisten wij dat laatste nog niet.

Mijn nostalgische tocht was begonnen vanaf Station Amsterdam-Zuid. Ik fietste door het Beatrixpark dat na al die jaren heel mooi is geworden. Opeens moest ik hoognodig poepen en ik bedacht mij hoe Gerard Reve dat op meer gepaste wijze zou verwoorden. Hij schreef wel eens: ‘Ik moet geloof ik een drol van stront maken.’ Maar hoe doe je zoiets onzichtbaar in het Beatrixpark?  Ik herinnerde mij dat niet ver hiervandaan – aan de Diepenbrockstraat – zich de kapel bevindt van De Vrouwe van Alle Volkeren. Ik spoedde mij daarheen, vol op de pedalen. En nadat ik nog snel een kaarsje had gebrand voor de Heilige Maagd, heb ik mij naar de – aldaar in het voorportaal aanwezige – openbare toiletruimte begeven. Om het voorts ook op gepaste wijze, reviaans uit te drukken: ik wist thans dat het uur der waarheid was aangebroken. Mijn buik sprak tot mij, en haar boodschap was duidelijk, hier op dit sacrale privaat, waar ik, na enkele ogenblikken van ernstige overweging, mij van mijn overtollige aardse ballast ontdeed. Het was een grote opluchting. God zij geloofd.

Ik reed weer weg en zag aan de overzijde van de straat het torentje van Vossiusgymnasium, waar Gerard Reve nog een blauwe maandag in de schoolbanken heeft gezeten. Daarna fietste ik – al dwalend – dwars door de Rivierenbuurt, en kwam uiteindelijk uit op de Apollolaan, in de buurt waar ook de straten zijn waar ik nog als kind heb gespeeld. Het was een mooie zomerdag met af en toe wat druilerige regen. Op straat was niets te zien van wat zich hier tachtig jaar geleden heeft afgespeeld. De huizen staan er nog allemaal in die prachtige architectuur van de Amsterdamse School die ik als kind heel gewoon vond. Alleen de bomen zijn een stuk hoger geworden op de Churchilllaan. Voor de rest lijkt er niet veel veranderd. En toch is het verleden niet weg. Het leeft voort in een vraag die hoe dan ook terugkeert in het heden. Hoe kan het ultieme kwaad ontstaan in een wereld die zichzelf beschaafd noemt?

Ik acht het niet ondenkbaar dat Hitler pas werkelijk uit het collectieve geheugen zal verdwijnen wanneer mijn generatie van de babyboomers is uitgestorven. Hetzelfde geldt voor het beeld van de wederopbouw, met zijn gevoelens van heimwee en nostalgie. Mijn generatie heeft de oorlog niet meegemaakt, maar groeide wel op in de schaduw ervan. De open horizon van de jaren vijftig was tegelijk een horizon van angst voor de leegte. Er was een merkwaardige combinatie van hoop en stilte. Alles leek nieuw te beginnen, maar onder die nieuwe wereld lag een verleden dat nauwelijks werd uitgesproken. De toekomst werd letterlijk uit de grond gestampt, terwijl het geheugen van de oorlog nog grotendeels begraven lag.

In 1965, toen ik in de hoogste klas van de middelbare school zat, verscheen The Face of God after Auschwitz van de liberale rabbijn Ignaz Maybaum. Ik heb dat boek destijds niet gelezen, maar ik weet nog goed dat de titel mij intrigeerde. Hoe moest je je het gezicht van God na Auschwitz voorstellen? Die vraag zou enkele jaren eerder niet eens bij mij zijn opgekomen. Maybaum probeerde Auschwitz te begrijpen tegen de achtergrond van de secularisatie. Volgens hem verdwijnt met het christendom niet vanzelf het messianistische verlangen naar verlossing. Er kan juist een nieuw type mens ontstaan: een geseculariseerde mens die nog altijd gevormd is door het christendom, maar de religieuze oorsprong van zijn waarden heeft losgelaten. Het oude verlangen naar verlossing kan dan omslaan in een politieke missie van uitsluiting en vernietiging.

Dat is een zware en gechargeerde gedachte, maar er zit iets in dat mij is blijven bezighouden. Wat gebeurt er wanneer een samenleving haar oude religieuze zekerheden verliest, terwijl de behoefte aan absolute goedheid, verlossing en een definitieve overwinning op het kwaad blijft bestaan? Kan het kwaad juist radicaler worden wanneer het niet langer als kwaad wordt herkend, maar als een noodzakelijke stap naar een betere wereld? Kortom, de utopie als verdringing van het kwaad. Maybaum zag in het nationaalsocialisme een ontsporing van zo’n geseculariseerd messianisme. Hitler keerde goed en kwaad om. De vijand werd niet langer beschouwd als een mens met wie men in conflict was, maar als een absoluut kwaad dat moest verdwijnen. Het totalitaire denken begint waar de ander niet langer als ander mag bestaan.

Voor mij kreeg die vraag pas veel later betekenis. Als kind leefde ik immers in een heel andere wereld. De Rivierenbuurt vormt de plattegrond van mijn jeugd. Voor de oorlog woonden daar ongeveer 17.000 Joden. Zo’n 13.000 van hen overleefden de Holocaust niet. Toch fietste ik als kind gewoon door diezelfde straten. Ik ging naar school, speelde op straat en dacht niet aan de mensen die daar enkele jaren eerder hadden gewoond. De verlaten woningen waren al in de oorlog snel leeggehaald. Anne Frank schreef over het ‘ontmeubelen’ van de huizen. Zij woonde aan het Merwedeplein, midden in de buurt die voor mij later vooral een decor van mijn jeugd zou worden. De geschiedenis was daar letterlijk aanwezig, maar voor mij nog onzichtbaar.

Ook de Apollolaan kende een verleden waarvan ik als kind niets wist. Op 24 oktober 1944 werden daar 29 gevangenen gefusilleerd als represaille voor de liquidatie van een SD-officier. Onder hen waren mannen die eerder bij een razzia in de Rivierenbuurt waren opgepakt. Jaren later liep ik dagelijks langs die plek. Een paar huizen verderop leerde ik in 1964 mijn eerste tango dansen. Dat contrast blijft mij fascineren. Op dezelfde plek waar mensen waren gefusilleerd, werd jaren later gedanst. Waar de geschiedenis een plaats van dood had gemaakt, speelde het leven zich alweer in volle glorie af. De herinnering was niet verdwenen, maar ze was uit het dagelijks leven verdwenen. Misschien is dat wel wat periode van wederopbouw doet: ze ruimt niet alleen de puinhopen op, maar ook een deel van het geheugen.

In mijn herinnering waren de jaren vijftig vooral een tijd van leegte en ruimte. Er waren lege wegen, nieuwe wijken, opgespoten bouwlanden en betonnen flats die overal uit de grond verrezen. De toekomst leek eindeloos. Het doffe gedreun van heimachines begeleidde de uitbreiding van Amsterdam. De jaren vijftig waren voor mij een toekomst zonder geheugen. Er was een enorm verlangen naar vooruitgang, maar tegelijk een onuitgesproken verleden. De oorlog was aanwezig in monumenten, in de twee minuten stilte op de avond van 4 mei, als telkens weer de woorden van Leo Vroman klonken: ‘Kom vanavond met verhalen…’ Maar welke verhalen waren dat? Wij babyboomers groeiden op in de vrede die de oorlog had achtergelaten zonder werkelijk te begrijpen wat die vrede had gekost.

Mijn lagere school was katholiek, maar het beeld van het Rijke Roomse Leven was minder gesloten dan het achteraf soms lijkt. Binnen de katholieke wereld voltrokken zich in de jaren vijftig al grote veranderingen. Mensen als Marga Klompé en Carl Romme stonden aan het begin van ontwikkelingen die later zouden uitlopen op de grote maatschappelijke omwenteling van de jaren zestig. Ook de literatuur was allang in beweging. De Vijftigers, Hermans, Reve en Anna Blaman brachten een andere toon, waarin twijfel, schuld, seksualiteit en eenzaamheid steeds nadrukkelijker naar voren kwamen. De katholieke zuil leek van buitenaf onveranderlijk, maar van binnenuit begon zij al te barsten. De grote omwenteling van de jaren zestig kwam niet uit het niets; zij was in de jaren vijftig al begonnen.

Alle wegen leidden voor mij uiteindelijk terug naar het Ignatiuscollege, waar ik in 1960 aan mijn middelbare school begon. In de geordende wereld van de jezuïeten leerden wij Latijnse naamvallen en lazen wij Augustinus over de oorsprong van het kwaad. Maar over de oorlog die nog maar vijftien jaar achter ons lag, werd niet veel gesproken. Behalve dan door die wonderlijke geschiedenisleraar, mijnheer Fontaine, die dacht dat Hitler de antichrist was. Het leek vaak of de geschiedenis elders had plaatsgevonden. Alsof het kwaad een filosofisch probleem was dat bij Augustinus thuishoorde en niet iets dat zich kort tevoren in de straten van Amsterdam had gemanifesteerd. Dat zwijgen heeft mij misschien meer gevormd dan ik toen kon vermoeden. Ik leerde over het leven door de gevoelens van anderen, zodanig zelfs dat ik gevoelens ging voelen die niet de mijne waren geweest en het ook nooit echt zouden worden.

De vraag naar het kwaad werd voor mij geleidelijk een persoonlijke vraag. Als God goed is, waar komt het kwaad dan vandaan? En als God niet bestaat, waarom zou een mens dan nog voor het goede kiezen? In mijn puberteit probeerde ik die vragen zelf te beantwoorden. Ik las existentialistische literatuur, filosofie en romans waarin schuld en eenzaamheid voortdurend terugkeerden. Het denken over het kwaad werd gaandeweg ook een denken over mijzelf. Dat proces liep uiteindelijk uit op een psychose. Achteraf bezien was dat misschien mijn persoonlijke manier om een wereld te begrijpen waarin de oude zekerheden verdwenen, maar het verlangen naar betekenis nog altijd overweldigend groot was. De oorlog was in mijn jeugd verzwegen, maar de vragen die hij opriep waren daarmee niet verdwenen.

Inmiddels is de Holocaust voor bijna iedereen geschiedenis geworden. De laatste mensen die de oorlog bewust hebben meegemaakt, verdwijnen. Tegelijkertijd keert de herinnering steeds nadrukkelijker terug in het publieke debat. De Nederlandse overheid probeert de herinnering levend te houden met Holocaust-educatie en allerlei campagnes. Maar Auschwitz is inmiddels ook een politiek referentiepunt geworden. Sinds 7 oktober 2023 is dat nog sterker zichtbaar. In het debat over Israël en Gaza worden herinneringen aan Joodse vervolging, antisemitisme, genocide en de Holocaust voortdurend tegenover elkaar geplaatst. Aan de ene kant is er de begrijpelijke angst dat de geschiedenis zich opnieuw zou kunnen herhalen; aan de andere kant bestaat het gevaar dat Auschwitz wordt gebruikt als politiek wapen om hedendaagse conflicten te definiëren.

Daar ligt voor mij een belangrijk probleem. Wat gebeurt er wanneer Auschwitz niet meer alleen een herinnering aan het verleden is, maar ook een argument in het heden? Hitler wordt dan gemakkelijk een metafoor, Auschwitz een scheldwoord en de Holocaust een maatstaf waarmee iedere actuele vijand kan worden aangeduid. Juist daarom moeten we voorzichtig zijn met historische vergelijkingen. Niet iedere oorlog is Auschwitz. Niet iedere politieke tegenstander is Hitler. Maar het omgekeerde is evenzeer waar: het verleden heeft zijn betekenis niet verloren omdat het niet letterlijk kan worden herhaald. De betekenis van Auschwitz ligt misschien juist in het vermogen om de mechanismen te herkennen die eraan voorafgingen.

Die mechanismen zijn minder spectaculair dan de historische catastrofe zelf. Het begint met het aanwijzen van een absolute vijand, met het reduceren van mensen tot een bedreiging, met het geloof dat eigen veiligheid alleen mogelijk is wanneer de ander verdwijnt. Het begint wanneer een mens niet langer als mens wordt gezien, maar als vertegenwoordiger van een categorie die als gevaarlijk, minderwaardig of onaanvaardbaar wordt beschouwd. Juist daarin kan de herinnering aan Auschwitz nog altijd actueel zijn, zonder dat iedere hedendaagse oorlog of elk politiek conflict ermee gelijkgesteld hoeft te worden.

Dat is de overgang die mijn generatie heeft meegemaakt. Ik groeide op in een wereld die probeerde te vergeten om opnieuw te kunnen beginnen. Mijn kleinkinderen groeien straks op in een wereld waarin steeds meer herinneringen tegelijk beschikbaar zijn. De vraag is niet langer alleen wat wij ons herinneren, maar ook hoe wij met die herinneringen omgaan. De laatste babyboomers verdwijnen inmiddels langzaam uit beeld. Haast elke dag zie ik een rouwadvertentie van iemand die ik gekend heb. Daarmee verdwijnt ook de generatie die de naoorlogse stilte nog uit eigen ervaring heeft beleefd. Wat ervoor in de plaats komt, is een wereld waarin de Tweede Wereldoorlog steeds verder weg raakt in het verleden, maar waarin de morele betekenis ervan voortdurend opnieuw wordt opgeëist.