
Ik was vannacht ontslagen als conservator bij het Fries Museum, maar ik liet het er niet bij zitten. Niemand had mij ook verteld waarom. Het was kennelijk een besluit dat al lang geleden was genomen en waarover alleen ik nog niet op de hoogte was gebracht. Ergens bestond een dossier waarin alles stond wat ik verkeerd had gedaan, maar juist dat dossier bleek spoorloos verdwenen. Dat was misschien nog het ergste: niet het ontslag zelf, maar het ontbreken van de reden.
Daarom zette ik mijn bureau midden op het Zaailand en ging ik gewoon verder met werken. De wereld had mij blijkbaar uit haar officiële verhaal geschrapt, maar mijn verhaal ging nog door. Zo begon een droom waar geen einde aan leek te komen. U bent dus gewaarschuwd: ook dit verhaal zal zich niet gemakkelijk laten beëindigen. Eindeloos, zoals sommige dingen in Friesland kunnen zijn. De ruimte, de luchten, de wegen die nergens lijken te eindigen. Maar ook de herinneringen, die hier soms langer blijven rondzwerven dan de mensen zelf.
Maar laat ik bij het begin beginnen. De vrijdagmarkt was in volle gang. Mensen liepen langs mijn bureau met tassen vol groenten, bloemen en tweedehands spullen, terwijl ik probeerde mijn papieren droog te houden. Het regende niet hard, maar precies genoeg om alles langzaam aan te tasten. De letters op de bladzijden begonnen uit te lopen en sommige woorden veranderden ongemerkt in andere woorden. Dat leek mij geen probleem. Ook de geschiedenis verandert op die manier: niet door één grote gebeurtenis, maar door kleine verschuivingen die pas jaren later zichtbaar worden.
Op mijn bureau lagen stapels boeken, keurig geordend. Een hele stapel ging over Geli Raubal, de jonge vrouw die in 1931 dood werd aangetroffen in Hitlers woning. Zij was zijn nicht, zijn vertrouwelinge, zijn gevangene en misschien zijn eerste grote verlies. Over haar dood was zoveel geschreven dat zij uiteindelijk verdwenen was achter de verklaringen van anderen. Iedereen had een mening over haar, maar niemand kende haar nog.
Ik wilde alles over haar weten. Niet alleen over het pistool dat naast haar gevonden werd, over de geruchten rond haar verhouding met Hitler en over de duistere kanten van zijn persoonlijkheid, maar ook over de vraag hoe een mens verandert wanneer macht, verlangen en angst zich in één lichaam ophopen. De geschiedenis had Hitler tot een monster gemaakt, maar monsters blijven altijd mensen zolang ze nog een lichaam hebben. Daarom las ik ook alles over zijn eigenaardigheden. Zijn vegetarisme na de dood van Geli, zijn afkeer van sterke drank, zijn speciale bier met nauwelijks alcohol en de verhalen over zijn lichamelijke kwalen. Het leek mij vreemd dat historici altijd de grote bewegingen beschreven en zelden de kleine menselijke details. Alsof de geschiedenis alleen door ideeën wordt gemaakt en nooit door magen, zenuwen en slechte nachten.
Naast de boeken over Hitler lagen boeken over olifanten. Ik wist niet meer precies waarom. Toch voelde ik dat er een verband bestond. Geli had iets met olifanten gehad. Hitler misschien ook. Of ikzelf. In dromen worden verbanden niet uitgelegd; zij bestaan eenvoudigweg. Olifanten herinneren zich alles, zo wordt gezegd. Misschien waren zij daarom belangrijk in een tijd waarin mensen steeds meer vergaten en machines steeds meer onthielden. Want overal om mij heen waren herinneringen verdwenen en vervangen door nieuwe versies. De computer die ik uit het Fries Museum had meegekregen, bleek niet mijn eigen computer te zijn. Het was een oud apparaat dat waarschijnlijk ergens naast een afvalcontainer had gestaan. Toch stonden er bestanden op met mijn naam. Er waren brieven die ik nooit geschreven had, foto’s van gebeurtenissen waarbij ik nooit aanwezig was geweest en hele hoofdstukken uit boeken die ik volgens de computer zelf geschreven zou hebben.
Ook stonden er foto’s op van Geli Raubal. Sommige waren korrelig en zwart-wit, alsof ze uit een archief kwamen. Andere waren scherp en helder, alsof ze met een moderne telefoon waren gemaakt. Er waren zelfs bewegende beelden waarop zij sprak. Haar stem was nagebouwd door kunstmatige intelligentie. Ze vertelde dingen die zij nooit verteld kon hebben. Toch luisterde ik aandachtig. Misschien omdat een verzonnen herinnering soms overtuigender is dan een echte. Misschien omdat ook mijn eigen geheugen altijd al een soort montage was geweest.
Dat was de reden geweest van mijn ontslag, dacht ik. Niet omdat ik iets verkeerd had gedaan, maar omdat ik niet meer kon onderscheiden wat werkelijk gebeurd was en wat later aan mijn leven was toegevoegd. In een tijd waarin iedereen met één druk op de knop een verleden kon maken, werd iemand die twijfelde aan de werkelijkheid gevaarlijk. Op het Zaailand reed ondertussen de sportzomer voorbij. Het wereldkampioenschap voetbal was net afgelopen. De vlaggen hingen nog aan de gevels, maar de meeste mensen waren alweer vergeten welke emoties erbij hadden gehoord. De overwinning, de nederlaag, de woede en de vreugde waren opgegaan in duizenden filmpjes die opnieuw bekeken konden worden. De wedstrijd bestond niet meer als gebeurtenis, maar als eindeloze herhaling.
Tegelijkertijd trok de Tour de France door een landschap dat steeds warmer werd. Op de schermen in cafés en winkels reden de renners dag na dag dezelfde berg op, alsof ook de tijd zelf een etappekoers was geworden waarin iedereen probeerde vooruit te komen zonder ooit ergens aan te komen. Midden in die stroom van beelden stond Sybrand van Haersma Buma zijn laatste dozen in te pakken. Hij had al vertrokken moeten zijn, maar hij kon blijkbaar niet wegkomen uit deze wonderlijke stad. Zijn werkkamer was al leeggehaald. De ambtsketen verdween in een kist, toespraken werden opgeborgen, foto’s van officiële gelegenheden verdwenen tussen oude dossiers. Hij leek niet verdrietig. Misschien was afscheid nemen eenvoudiger wanneer je wist dat de stad gewoon verderging zonder jou. Partir, c’est mourir un peu, zeggen de Fransen.
De stad ging inderdaad verder. Leeuwarden bleef zichzelf opnieuw uitvinden. Alles moest groter, mooier, sneller en zichtbaarder worden. Zelfs herinneringen moesten tegenwoordig een evenement worden. Het verleden kreeg een decor, het heden kreeg een livestream en de toekomst werd verkocht als ervaring. Ergens tussen de verhuisdozen en de stapels boeken vond ik een oud document over een plan van de Amerikaanse geheime dienst tijdens de Tweede Wereldoorlog. Men had ooit overwogen om Hitler krankzinnig te maken door pornografische afbeeldingen boven zijn buitenverblijf op de Obersalzberg uit te strooien. Het idee was uiteindelijk afgewezen omdat het te absurd was.
Ik vond dat merkwaardig. De wereld was sindsdien immers alleen maar absurder geworden. Men had geen vliegtuigen meer nodig om een werkelijkheid te vernietigen. Een computer was voldoende. Een paar algoritmen, een eindeloze stroom beelden en uiteindelijk wist niemand meer wat echt was. Misschien was de droom van de geheime dienst uiteindelijk toch uitgekomen, alleen niet bij Hitler maar bij iedereen.Toen zag ik op één van de verhuisdozen een opschrift dat ik eerder niet had opgemerkt. CIRCUS BUMA. Daaronder stond: Aanvang drie uur. En zonder dat ik wist waarom, begreep ik dat alles wat tot nu toe gebeurd was slechts de voorbereiding was geweest.
Het circus moest nog beginnen.Het tijdstip van drie uur had inmiddels een betekenis gekregen die groter was dan de klok zelf. Het was niet langer een uur op de dag, maar een soort afspraak tussen de wereld en zichzelf. Alsof alles wat tot dan toe gebeurd was slechts een voorbereiding was geweest en het werkelijke gebeuren nog moest beginnen. Ik kende dat gevoel. Als kind had ik het vaak gehad wanneer mijn moeder bezoek verwachtte. Dan werd het huis anders. De stoelen werden rechtgezet, de tafel werd gedekt, de kamer kreeg een bijzondere glans. Er hing een spanning die niets te maken had met de mensen die zouden komen, maar met het moment zelf. Alsof de tijd even inhield en wachtte op iets wat niemand kon benoemen. Zo was het nu ook op het Zaailand.
De markt verdween langzaam. De kramen met bloemen en groenten losten op alsof ze nooit hadden bestaan. De mensen die eerst haastig voorbijliepen, bleven staan zonder te weten waarom. De schermen waarop nog beelden van het afgelopen wereldkampioenschap voetbal en de Tour de France voorbijtrokken, werden zwart. De sportzomer, die wekenlang de wereld had beheerst, trok zich plotseling terug alsof ook zij slechts een droom binnen de droom was geweest.
Niemand leek verbaasd. Dat was misschien het meest merkwaardige. In een wereld waarin alles mogelijk was geworden, was niets meer werkelijk vreemd. Een wedstrijd kon worden beslist door een algoritme. Een foto kon bestaan zonder dat er ooit een gebeurtenis achter had gezeten. Een stem kon klinken van iemand die al lang dood was. De werkelijkheid zelf was een soort circus geworden waarin de toeschouwers niet meer wisten of zij naar de voorstelling keken of er zelf deel van uitmaakten.Toen begon de muziek. Ergens onder het Zaailand, diep onder de stenen, klonk een oude melodie. Geen moderne muziek die bedoeld was om aandacht te trekken, maar een langzaam en weemoedig circusdeuntje, alsof het uit een vergeten tijdperk omhoog kwam. Een tijd waarin mensen nog naar een tent gingen om iets te zien wat werkelijk voor hun ogen gebeurde. Eerst verschenen de paarden. Daarna de kamelen.En toen kwamen de olifanten.
Een lange stoet liep over het plein. Ze bewogen langzaam, alsof zij niet door de stad liepen, maar door de tijd. Hun poten raakten de grond met een regelmaat die bijna geruststellend was. In hun beweging zat iets ouds en onverstoorbaars. Zij hadden geen haast. Zij hoefden nergens heen. Zij droegen alleen hun eigen geheugen met zich mee. Ik dacht aan de olifanten van vroeger. Aan het circus op het Scheldeplein, toen ik nog een kind was en de wereld nog niet uit schermen bestond. Toen een dier nog een dier was en niet een afbeelding die door een computer kon worden nagebootst. Ik herinnerde mij de geur van het stro, het geluid van de mensenmassa en de verwondering waarmee ik naar die enorme dieren had gekeken. Misschien waren de olifanten daarom teruggekomen.
Niet omdat zij iets met Hitler of Geli Raubal te maken hadden. Maar omdat zij iets wisten wat mensen steeds moeilijker konden onthouden. Dat tijd niet alleen bestaat uit wat er gebeurt, maar ook uit wat er verdwijnt. Mijn moeder stond opeens naast mij. Ik wist niet waar zij vandaan kwam. In een droom hoef je dat niet te weten. Mensen verschijnen niet omdat zij ergens vandaan komen, maar omdat zij ergens nog aanwezig zijn. Zij droeg dezelfde kleding als vroeger en had de plumeau in haar hand, alsof zij ook nu nog eerst de kamer moest opruimen voordat er iets belangrijks kon gebeuren. Voor het raam stond mijn oude hobbelpaard.
Mijn moeder had er een nieuw dekentje overheen gelegd. Op de stof was een gouden kroon geborduurd. Het paard, dat vroeger alleen maar heen en weer had gewiegd, leek nu een eigen geschiedenis te hebben gekregen. Zelfs speelgoed ontkwam blijkbaar niet meer aan de behoefte om groter en belangrijker te worden. Op de grond stond mijn blokkendoos. Daarnaast mijn oude fort met soldaten. Ik zette de figuren voorzichtig op hun plaats. De soldaten stonden allemaal naar buiten gericht, alsof zij iets verwachtten. Maar er was geen vijand. Geen leger. Geen oorlog. Alleen de olifanten. Buiten bleef de tijd stilstaan. De klok kroop langzaam naar drie uur.
Ik voelde opnieuw dat oude gevoel in mijn buik. Hetzelfde gevoel dat ik vroeger kreeg wanneer er mensen op bezoek kwamen. Een mengeling van verlangen en angst. Alsof elk belangrijk moment ook iets bedreigends had, omdat je nooit wist wat het zou veranderen. Mijn moeder maakte de kamer nog één keer schoon. De wijzers bereikten drie uur. Er gebeurde niets.De wereld wachtte.Vijf minuten gingen voorbij. Tien minuten. Een kwartier. Het circus bleef onzichtbaar.
Toen begonnen de olifanten te lopen. Niet naar een circustent, zoals ik had verwacht, maar in de tegenovergestelde richting. Langzaam trokken zij weg van het Zaailand, alsof zij een andere bestemming hadden. Ik liep achter hen aan. De stad veranderde opnieuw. De gebouwen verdwenen. De moderne gevels maakten plaats voor lege ruimte. Het asfalt verdween onder mijn voeten. Ik zag het landschap van vroeger terug: het opgespoten land, de spoordijk in de verte, de eindeloze vlakte waar de toekomst ooit nog moest beginnen.
Ik dacht dat ik naar het circus liep. Maar naarmate ik verder kwam, begreep ik dat ik ergens anders heen ging. Ik liep naar een begrafenis. Een kunstenaar was gestorven. Ik kende hem nauwelijks. Misschien had ik hem ooit ontmoet. Misschien had ik alleen zijn naam ergens gelezen. Toch voelde zijn dood alsof er iets van mijzelf verloren was gegaan. Alsof niet alleen een mens gestorven was, maar ook een bepaalde manier van kijken naar de wereld. De familie stond rondom het huis. Er werd gehuild. Maar niemand wist precies waarom. Misschien omdat een mens sterft. Misschien omdat een tijdperk sterft. Misschien omdat alles wat wij proberen vast te houden uiteindelijk toch door onze vingers glipt.
Binnen stond de kist. Er klonk muziek. Geen treurmars, maar een wonderlijke mengeling van kerkelijke klanken en circusmuziek. Alsof de hemel en de aarde voor één keer hadden besloten samen een voorstelling te geven. Er zweefden kleine engeltjes door de ruimte. Niemand vond dat vreemd. Ook God leek aanwezig, niet als een rechter, maar als iemand die nieuwsgierig keek naar hoe het allemaal zou aflopen. Ik voelde een enorme aandrang om te huilen. Niet alleen om de kunstenaar. Ik huilde om de tijd die voorbij was gegaan. Om mijn moeder. Om mijn jeugd. Om de olifanten op het Scheldeplein. Om de boeken die ooit genoeg waren en nu voortdurend opnieuw geschreven moesten worden. Om een wereld waarin alles bewaard leek te worden, maar waarin juist daardoor zoveel verloren ging.Ik huilde zonder mij te verbergen. En dat voelde als een opluchting.
Achter in de ruimte stond Buma. Hij had zijn ambtsketen nu definitief afgelegd. Naast hem stonden zijn verhuisdozen, netjes dichtgeplakt. Hij leek niet verdrietig. Misschien omdat ieder einde ook een bevrijding kan zijn. Hij keek nog eenmaal rond. Daarna maakte hij een diepe buiging. Niet voor een publiek. Niet voor de stad. Maar voor het hele toneelstuk waarin iedereen ooit een rol heeft gespeeld. En toen begreep ik eindelijk dat het circus nooit bedoeld was geweest om ons te vermaken. Het circus was het leven zelf. De mensen, de dieren, de koningen, de dwazen, de bestuurders, de kunstenaars en de kinderen met hun blokkendozen. Iedereen liep mee in dezelfde optocht, zonder precies te weten waarheen.
Maar waar was de clown gebleven? Misschien was hij wel de enige die het geheim van het bestaan kende. Mocht het leven onverhoopt toch een zin of betekenis hebben, dan had alleen hij daarvan geweten. Maar zoals dat met clowns gaat: iedereen kijkt naar hem, en niemand gelooft hem.