Liever heimwee dan Amsterdam

Amsterdam is een stad waarin je kunt dwalen. Friesland is een land waarin dat niet kan. Amsterdam is ook een stad van vluchtige indrukken en kortstondige ontmoetingen. Het bewustzijn dat eigen is aan de moderne metropool ontstond pas in de late negentiende eeuw. In het Parijs van de grote boulevards verscheen de flaneur ten tonele: de mens die ziet en gezien wil worden, die zich laat meevoeren door de stroom van de menigte en tegelijk op afstand blijft. Zijn bewustzijn is aanwezig en afwezig tegelijk.

De menigte, zo ontdekte Baudelaire, is een reservoir van elektrische energie, verborgen achter een sluier van anonimiteit die golft door de straten van de oude metropool. De stad wordt een caleidoscoop die zelf over bewustzijn lijkt te beschikken. De flaneur is een vorst in zijn eigen rijk, een dolende vreemdeling die nergens zijn incognito verliest. In het ritme van zijn omzwervingen schuilt iets van de slaapwandelaar: een ontvankelijkheid voor het onverwachte, voor de schok van het ogenblik. Het moderne bewustzijn ontstond misschien wel uit de noodzaak om die schok te bezweren. Het stedelijke bewustzijn is een vorm van zelfgekozen trance, een bescherming tegen de voortdurende overprikkeling. Maar die trance bestaat in Friesland niet. Nogmaals, hier kun je niet dwalen.

Meer dan eens heb ik in de afgelopen decennia met de gedachte gespeeld om terug te keren naar Amsterdam, de stad waar ik geboren en getogen ben en waar ik de eerste dertig jaar van mijn leven doorbracht. Toch was er altijd iets dat mij ervan weerhield. In de loop der jaren ben ik te zeer met Friesland vergroeid geraakt. Mijn wortels zitten inmiddels in Friese grond. Hier ken ik de mensen, hier heb ik mijn geschiedenis opgebouwd. In Amsterdam ken ik nauwelijks nog iemand. Mijn dochter woont er met haar gezin, maar daar houdt het ongeveer mee op. Mijn vroegere klasgenoten en vrienden zijn inmiddels over het hele land uitgewaaierd. Amsterdam is een stad voor wie gebleven is, niet voor wie terug wil keren.

En toch overvalt mij soms een merkwaardig verlangen. Niet zozeer naar Amsterdam zelf, maar naar het gevoel dat die stad ooit bij mij opriep. Ik droom nog wel eens dat ik op een zondagochtend in een rinkelende tram zit. Leeuwarden op zondagochtend is immers het toppunt van verstilling. Dan denk ik onwillekeurig aan de woorden van Leo Vroman uit zijn gedicht Indian Summer – een gedicht doet het immers altijd goed; het wekt tenminste de indruk dat je niet helemaal van de straat bent:

Neen, zelfs tastend om heide en strand,
– en al sluit ik krampachtig de oren
om nog Hollandse stormen te horen –
heb ik toch liever heimwee dan Holland.

Al sterf ik soms van heimwee naar het geluid van een Amsterdamse tram, toch heb ik liever heimwee dan Amsterdam. Schrijven is misschien wel de meest hardnekkige poging om een verleden terug te vinden dat voorgoed verdwenen lijkt. In een tram kun je half dromend naar buiten kijken en je gedachten laten afdwalen. Achter het glas lijken de mensen over straat te drijven als vissen in een aquarium, alsof je eigen bewustzijn tijdelijk is ondergedompeld in het brein van de stad.

Ik zou willen schrijven over gebouwen die verdwenen zijn, maar in mijn geheugen nog altijd overeind staan. En ook over gebouwen die er nog staan, maar die je in gedachten kunt laten verdwijnen, omdat ze ooit niet bestonden. Neem het gebouw van De Nederlandsche Bank aan het Frederiksplein. Als jongen heb ik die kantoorkolos nog zien verrijzen, begin jaren zestig. Daarvóór lag op die plek een wonderlijke ruïne: de overblijfselen van het Paleis voor Volksvlijt, dat in 1929 door brand werd verwoest.

Ik zou willen schrijven over mijn herinneringen aan die merkwaardige plek. Ik zie de donkere gaanderijen nog voor me, de overdekte passage waar je dwars doorheen kon lopen. Hier en daar was nog een winkel open, maar de meeste stonden al jaren leeg. Gerard Reve heeft er nog boven gewoond. Er bestaan prachtige foto’s waarop hij samen met Willem Frederik Hermans over de dakgoot balanceert of ligt te zonnebaden op het leien dak van de gaanderij.

Er wordt wel eens beweerd dat dichters niet te gelukkig moeten zijn. Ze functioneren het best in een stad waarin zij zich een displaced person voelen. Dan roept niet alleen de architectuur emoties op, maar grijpt de emotie ook de architectuur aan om zichzelf te verbeelden. Op het snijvlak van werkelijkheid en herinnering krijgt zelfs een straatnaam een bijna magische lading. Amsterdamse straatnamen resoneren nog altijd in mijn geheugen. Ze openen deuren naar een verleden dat nooit helemaal voorbij is.

De straatnamen van Leeuwarden doen dat niet. Ze zijn mij vertrouwd geworden, maar ze dragen geen echo van mijn jeugd. Ze wijzen de weg, maar openen geen verborgen kamers van de herinnering. In deze stad kan ik niet dwalen. Niet door de straten, en al helemaal niet in mijn gedachten.

In de jaren negentig voerde Wim T. Schippers actie om het bankgebouw op het Frederiksplein af te breken en op die plaats het Paleis voor Volksvlijt opnieuw op te bouwen, steen voor steen, in zijn oorspronkelijke gedaante. Hij kreeg nauwelijks bijval. Het was een typisch on-Nederlands idee. Wij wantrouwen historische replica’s en koesteren een diepgewortelde afkeer van al te opzichtig sentiment. Zelfs onze ruïnes onderhouden we liever niet.

En toch word ik soms overvallen door een diep heimwee naar een gebouw dat niet meer bestaat. Misschien zelfs naar een stad die nooit gebouwd is, naar een toekomst die ooit denkbaar leek maar nooit werkelijkheid werd. Juist daarom vind ik het gebouw van De Nederlandsche Bank zo intrigerend. Het is een gebouw dat er eigenlijk nooit had moeten komen. Maar nu het er eenmaal staat, zou ook zijn verdwijnen weer een verlies betekenen. Zelfs wat ooit een aantasting van het geheugen leek, wordt uiteindelijk zelf onderdeel van dat geheugen.

Jaren geleden bracht ik eens een bezoek aan Berlijn.  Op de enorme bouwplaats waar ooit het Palast der Republik had gestaan, werd gewerkt aan de wederopbouw van het oude Berliner Stadtschloss. Het contrast kon nauwelijks groter zijn. Het Palast der Republik was in de jaren zeventig door de DDR gebouwd als een paleis voor het volk, een monument van glas en beton, op de plaats waar ooit het achttiende-eeuwse stadsslot had gestaan. Dat slot was na de oorlog zwaar beschadigd en door de communistische machthebbers definitief afgebroken.

Na de Duitse hereniging keerde de geschiedenis zich om. Het Palast der Republik verdween op zijn beurt en maakte plaats voor een reconstructie van het verdwenen stadsslot. Plotseling bleek niet alleen het verleden te kunnen verdwijnen, maar ook de toekomst van gisteren. En zoals te verwachten viel, kregen veel voormalige Oost-Berlijners heimwee naar het gebouw dat jarenlang door anderen als een architectonische mislukking was beschouwd.

Zo kruipt het verlangen waar het niet gaan kan. Nostalgie is zelden een verlangen naar het verleden zoals het werkelijk was. Vaak verlangt zij naar een verleden dat nooit heeft bestaan, of naar een toekomst die ooit mogelijk leek maar nooit werkelijkheid werd. Heimwee is een wonderlijke emotie: zij richt zich even gemakkelijk op wat verdwenen is als op wat nooit is gekomen.

In haar boek The Future of Nostalgia beschrijft Svetlana Boym hoe gebouwen zulke hybride verlangens kunnen oproepen. Architectuur is meer dan steen en beton; zij nestelt zich in het geheugen. Gebouwen worden bewaarplaatsen van herinneringen, maar evenzeer van verwachtingen die nooit zijn ingelost. Wie door een stad loopt, beweegt zich daarom niet alleen door de ruimte, maar ook door verschillende lagen van de tijd.

Dat hadden de surrealisten al begrepen. Walter Benjamin schreef onvergetelijke bladzijden over de Parijse passages, die hij beschouwde als droomhuizen van de moderne tijd. De flaneur dwaalt niet alleen door de stad, maar ook door zijn eigen herinneringen. Zijn blik springt voortdurend heen en weer tussen werkelijkheid en verbeelding. Iedere straat kan een herinnering oproepen; iedere gevel een mogelijkheid die nooit verwezenlijkt is.

Baudelaire zag in de flaneur de kunstenaar van de moderne stad. De voortdurende stroom van indrukken, de schokken van het verkeer, de vluchtige ontmoetingen met onbekenden: ze vormen geen bedreiging, maar de grondstof van de verbeelding. De stad leert ons kijken zoals een dichter kijkt. Niet naar de dingen zelf, maar naar de onzichtbare verbanden ertussen, naar de correspondances waarin herinnering, verlangen en zintuiglijke ervaring samenvallen.

Dat is wat wat ik uiteindelijk mis wanneer ik aan Amsterdam denk. Niet de stad zelf, niet de drukte en zelfs niet de tram. Wat ik mis is de mogelijkheid om al dwalend door de straten ongemerkt ook door mijn eigen verleden te lopen. In Amsterdam ben ik mijn jeugd kwijtgeraakt. In Friesland heb ik wortel geschoten. Amsterdam is mijn geboortegrond, maar niet langer mijn woonplaats. Toch blijft die stad zich aandienen als een landschap van herinneringen waarin ik eindeloos kan rondlopen. Niet omdat ik er werkelijk naar terug zou willen, maar omdat de verbeelding er vrij spel heeft.

Daarom heb ik liever heimwee dan Amsterdam. Want heimwee verlangt niet naar een stad zoals zij werkelijk was. Heimwee bewaart de ruimte tussen herinnering en werkelijkheid, tussen wat verdwenen is en wat nog altijd voortleeft in de verbeelding.