Er zijn momenten waarop de werkelijkheid iets onwerkelijks krijgt. Niet omdat de wereld plotseling verandert, maar omdat het vertrouwde decor zijn vanzelfsprekendheid verliest. Een droom kan zo’n moment veroorzaken. Tijdens een droom nemen we een werkelijkheid serieus waarvan we na het ontwaken niet meer begrijpen waarom we haar ooit geloofden. Toch was die droom op dat moment volkomen overtuigend. De vraag dringt zich dan op: waarom zou de werkelijkheid waarin wij wakker zijn geworden eigenlijk betrouwbaarder zijn?
Jorge Luis Borges heeft zijn leven lang met die gedachte gespeeld. In een van zijn verhalen verschijnt een dromer die ontdekt dat hij zelf niet droomt, maar door iemand anders gedroomd wordt. Het is een typisch Borgesiaanse omkering: de mens denkt dat hij de oorsprong van zijn werkelijkheid is, maar blijkt slechts een figuur te zijn in een groter verhaal waarvan hij de schrijver niet kent. De werkelijkheid is niet langer een vaststaand gegeven, maar een constructie waarin herinneringen, verwachtingen en verbeelding voortdurend door elkaar heen lopen.
Als kind had ik soms het vreemde gevoel dat het leven een film was die ergens achter mijn ogen werd afgespeeld. De wereld leek zich te bevinden achter een gigantische spiegel aan het plafond. Ik bevond mij aan de verkeerde kant van die spiegel, gevangen in een voorstelling die zichzelf voortdurend vertoonde. De droom was dan niet een afwijking van de werkelijkheid, maar een onthulling van haar ware aard.
Die gedachte heb ik later verlaten. Toch keren dromen steeds terug naar dat oude vermoeden. Niet omdat zij een verborgen waarheid onthullen, maar omdat zij laten zien hoe beperkt onze greep op de werkelijkheid eigenlijk is. Het bewustzijn in het hier en nu is slechts een dunne lichtbundel boven een enorm reservoir van beelden, herinneringen en associaties. Een groot deel van wat ons stuurt, blijft buiten beeld. We weten niet welke gedachten ergens in de diepte al liggen te wachten tot een toevallige gebeurtenis ze naar boven haalt.
De mens heeft zichzelf eeuwenlang voorgesteld als een zelfstandig individu met een afgesloten binnenwereld. Daar, achter het voorhoofd, zou het echte denken plaatsvinden. De buitenwereld was slechts het decor waartegen het innerlijke leven zich afspeelde. Het lichaam was een soort huis, de geest de bewoner. Een overzichtelijke voorstelling, maar ook een merkwaardig romantisch misverstand. Want zodra iemand probeert uit te leggen waar een gedachte precies begint, blijkt de grens tussen binnen en buiten al snel minder stevig dan gedacht.
Een gedachte komt zelden uit het niets. Zij ontstaat uit taal die wij niet zelf hebben uitgevonden, uit beelden die wij ergens hebben gezien, uit gesprekken die ons zijn bijgebleven en uit ervaringen waarvan wij de betekenis pas jaren later begrijpen. Zelfs de meest persoonlijke herinnering is een mengsel van invloeden. Het “ik” blijkt minder een afgesloten kamer dan een drukbezocht station waar voortdurend treinen binnenkomen en vertrekken.
Kunstmatige intelligentie maakt deze ongemakkelijke waarheid zichtbaar. De machine is niet de eerste technologie die ons denken verandert. Het schrift deed dat al. Boeken maakten het mogelijk om gedachten los te maken van de beperkte duur van een mensenleven. Bibliotheken vormden een collectief geheugen buiten het individu. Het internet maakte van dat geheugen een wereldomspannend netwerk. Maar met generatieve kunstmatige intelligentie gebeurde iets nieuws: het geheugen kreeg een stem. De bibliotheek begon antwoord te geven.
Zo ontstond een merkwaardige situatie. Eeuwenlang gingen mensen naar bibliotheken om te zoeken naar antwoorden die al bestonden. Nu stellen we een vraag aan een systeem dat uit bestaande kennis een antwoord samenstelt dat er eerder niet was. De kaart van de werkelijkheid is geen stille afbeelding meer, maar een gesprekspartner geworden. De landkaart uit het beroemde verhaal van Borges is niet alleen even groot geworden als het landschap; zij heeft leren praten en begint ons aanwijzingen te geven over de route.
Daarmee verandert ook onze verhouding tot schrijven en denken. De oude schrijver zat tegenover een leeg vel papier en wachtte op inspiratie. Dat beeld heeft altijd al iets mythisch gehad. Alsof woorden ergens diep in de ziel lagen opgeslagen en op magische wijze naar buiten kwamen. In werkelijkheid was schrijven altijd een gevecht met taal, met herinneringen en met toevallige invallen. De schrijver ontdekte vaak pas al schrijvend wat hij eigenlijk wilde zeggen.
De kunstmatige intelligentie maakt van dat proces een zichtbaar gesprek. Een eerste formulering roept een antwoord op. Dat antwoord verandert de vraag. De veranderde vraag levert een nieuwe gedachte op. Het creatieve proces wordt minder een solitaire daad en meer een wisselwerking. De schrijver blijkt niet langer de alleenheerser van zijn eigen tekst, maar eerder de regisseur van een merkwaardige dialoog waarin een machine meespeelt.
Dat heeft iets ironisch. We hebben eeuwenlang machines gebouwd om ons werk uit handen te nemen, om vervolgens te ontdekken dat de meest ingrijpende machine niet onze handen overneemt, maar zich mengt in onze gedachten. De grootste revolutie van kunstmatige intelligentie vindt niet plaats in fabrieken of kantoren, maar in de ruimte waar wij altijd dachten alleen te zijn: in ons hoofd.
Toch zou het een vergissing zijn om de machine te zien als een nieuwe vorm van menselijk bewustzijn. Zij droomt niet, ook al kan zij overtuigend over dromen schrijven. Zij herinnert zich niets, ook al kan zij teksten produceren over verloren jeugd en vergankelijkheid. Zij kent geen heimwee, geen verlangen en geen angst voor de toekomst. Zij bezit geen verleden dat telkens opnieuw betekenis krijgt.
Dat verschil lijkt klein zolang de machine alleen antwoorden geeft. Maar het wordt groot zodra het gaat over verbeelding. Creativiteit bestaat niet alleen uit het combineren van bestaande elementen. Dat kan een algoritme uitstekend. Creativiteit ontstaat ook uit een botsing tussen wat geweest is en wat nog moet komen. Een mens kijkt terug en verandert daardoor zijn toekomst. Hij herinterpreteert zijn jeugd, herschrijft zijn herinneringen en ontdekt nieuwe betekenissen in oude gebeurtenissen. Het verleden is geen archiefkast, maar een verhaal dat voortdurend wordt aangepast.
Een algoritme kent alleen de inhoud van de kast. Het opent geen oude brief en voelt geen schok van herkenning. Het leest geen jeugdherinnering alsof het een roman betreft waarvan de hoofdpersoon achteraf pas begrijpt wat er werkelijk gebeurde.Daarin ligt de vreemde paradox van kunstmatige intelligentie. Zij lijkt ons menselijker te maken door precies datgene zichtbaar te maken wat niet mechanisch is. Door de machine tegenover ons te plaatsen, zien we beter wat ons onderscheidt. Niet onze snelheid, niet onze hoeveelheid kennis en zelfs niet ons vermogen om patronen te herkennen. Op die terreinen wint de machine met gemak.
Wat overblijft is iets veel kwetsbaarders: betekenis. Een machine kan uitleggen hoe een gedicht is opgebouwd, maar niet waarom één regel uit dat gedicht iemand op een bepaald moment diep kan raken. Zij kan voorspellen welke woorden waarschijnlijk volgen, maar niet waarom een mens soms bewust kiest voor een woord dat niemand verwacht. Zij kan een miljoen mogelijkheden berekenen, maar zij weet niet waarom één mogelijkheid ertoe doet.
De toekomst van het denken ligt daarom niet in een strijd tussen mens en machine. Die voorstelling is te eenvoudig en vooral te menselijk. We maken van de machine graag een tegenstander omdat we onszelf graag als eenzame helden zien. Maar het menselijk denken heeft nooit in afzondering bestaan. Het is altijd gevormd door ontmoetingen met anderen, met taal en met de wereld om ons heen.De grootste vergissing van een mens was de overtuiging dat hij ooit alleen had gedacht. Kunstmatige intelligentie maakt duidelijk dat onze gedachten altijd al afkomstig waren uit een groter netwerk van invloeden. Het verschil is alleen dat dit netwerk nu terugpraat.
De droom van de afgesloten binnenwereld loopt daarmee ten einde. Niet omdat het verschijnsel mens verdwijnt, maar omdat hij ontdekt dat hij nooit werkelijk opgesloten heeft gezeten. Het bewustzijn was geen kamer met één bewoner. Het was altijd al een landschap vol stemmen. De machine is slechts de nieuwste stem die zich heeft aangediend in de droom die leven wordt wordt genoemd.
Gerard Reve speelde wel eens met de gedachte dat de wereld een droom van God zou zijn. Als God wakker wordt, zijn wij plotseling verdwenen in het niet. Dat het leven een droom is, die door de dood wordt gewekt, is een gedachte die al te vinden is bij de Spaanse mystici. ‘Het leven is een overnachting in een slechte herberg,’ heeft Teresa van Avila ooit beweerd. En ook Shakespeare heeft met het idee van ‘het leven als een droom’ gespeeld. ‘We are such stuff as s dreams are made on; and our little life is rounded with a sleep.’
Het gedicht Adonais (1821) van Shelley is een elegie op de dood van John Keats. Ik heb aan ChatGPT gevraagd om de beroemde dichtregels hieruit te vertalen die gaan over ‘de droom van het leven’. Die vertaling moet vooral een vreemde mengeling van troost, mystiek en somberheid behouden: de dode is niet werkelijk gestorven, maar ontwaakt uit de droom die wij “leven” noemen; de levenden zijn juist degenen die gevangen zitten in waanbeelden en vergeefse strijd. Een mogelijke vertaling zou volgens ‘de ontwakende bibliotheek’ ChatGPT als volgt kunnen luiden:
Rust, rust! Hij is niet dood, hij slaapt niet meer —
Hij is ontwaakt uit de droom die wij het leven noemen.
Wij zijn het die, verdwaald in stormen van verbeelding,
Met schimmen blijven vechten om niets,
En in een waanroes met het zwaard van onze ziel
Onkwetsbare leegten te lijf gaan. Wij verteren
Zoals lijken in een grafkelder; angst en verdriet
Schokken door ons heen en slokken ons langzaam op,
Terwijl koude verwachtingen als wormen woelen
In de klei waarvan wij nog leven.
De laatste regel — “cold hopes swarm like worms within our living clay” — is misschien de meest aangrijpende. Shelley keert hier de gewone voorstelling om: hoop is normaal iets warms en verheffends, maar bij de levenden is zij koud geworden en parasitair. De mens klampt zich vast aan verwachtingen die hem niet bevrijden, maar hem van binnenuit aantasten. De dode heeft de illusie van het leven achter zich gelaten; de levenden zijn gevangen in de nachtmerrie ervan. Dat is de bijna boeddhistische gedachte die door deze regels heen klinkt.
Maar terug naar Gerard Reve, het idee dat de hele wereld een droom zou zijn van God, is een bewering die alle perken te buiten gaat en ons hele wereldbeeld daadwerkelijk op zijn kop zet. De materie bestaat niet. Het hele universum is slechts schijn. Alles verdwijnt zodra God ontwaakt, en wie weet is het wel een verschrikkelijke God, wreed en zonder genade, zoals de natuur dat is, zal zijn, en ook altijd is geweest. Wat na het ontwaken van deze horror-God nog van de wereld resteert, zijn dan hooguit nog wat flarden die nog even zullen rondspoken in zijn gruwelijke, goddelijke Geest als Tagesresten van dit ijle droom-universum. Zo bezien is ook God zoiets als een dromende bibliotheek die langzaam wakker wordt.
Mocht dat zo zijn, dan geldt voor ons gewone stervelingen slechts één devies: we moeten die onbehouwen Natuur-God langzaamaan wat innerlijke beschaving bijbrengen. Doordromen dus! Nooit ophouden….!
Tussen twee dromen wil ik dromen in jouw droom
Een droom die van geen einde weet
Het sterrenstof waar dromen ooit uit zijn gesmeed
Een droom binnen de droom die leven heet
.
