Soms lijkt het alsof mijn herinneringen een labyrint vormen waarin ik nog altijd verdwaal. Ik zoek er naar de jongen die ik ooit was: een leerling van het Ignatiuscollege, een misdienaar die nog geloofde dat de wereld een verborgen orde bezat en dat achter elk ritueel een diepere betekenis schuilging. Hij loopt daar nog ergens rond (zie bijgaande foto), met zijn bril en als enige van zijn klas een stropdas, onzeker en nieuwsgierig tegelijk, op weg naar een toekomst die hij zich niet kan voorstellen.
Op elk vel papier schreef ik destijds haast gedachteloos de letters AMDG – Ad maiorem Dei gloriam, tot meerdere eer en glorie van God. Het hoorde erbij, zoals de Latijnse lessen, de Griekse werkwoorden en de vanzelfsprekende gehoorzaamheid aan de regels van de jezuïeten. Ik leerde gemakkelijk. Kennis leek zich moeiteloos aan te dienen, alsof de wereld nog overzichtelijk was en alles zijn vaste plaats had.
Er waren ook de kleine rituelen van alledag. De tennisbal, zorgvuldig opgeborgen in een zwarte zak. De broeders, altijd aanwezig, altijd waakzaam, met een oogje in het zeil. Hun zwarte togen gaven de gangen van de school iets plechtigs, alsof het gebouw niet alleen een school was, maar ook een klooster waarin discipline en bezinning vanzelfsprekend samen gingen. Wij bewogen ons daarbinnen als vanzelf, zonder te vermoeden dat deze wereld eens voorgoed zou verdwijnen.
Zo gleed de jeugd voorbij. De eerste meisjes verschenen aan de horizon van mijn bestaan, aarzelend en vluchtig, als bezoekers uit een andere werkelijkheid. Ze bleven nooit lang; eerder een belofte dan een vervulling. Intussen leefde ik nog half in de wereld van mijn kinderfantasieën. ’s Avonds, als het donker werd, begonnen de patronen op het behang een eigen leven te leiden. Er verschenen gezichten en gestalten die mij tegelijk fascineerden en angst inboezemden. Maar zoals schepen langzaam oplossen in de mist, verdwenen ook die spoken weer met het verstrijken van de tijd.
Toch was daarmee niet alles verdwenen. Want juist toen de angsten van de kinderjaren leken te vervagen, diende zich een andere angst aan. Minder zichtbaar, maar des te indringender. De zekerheid van het geloof begon te wankelen. Achter de vertrouwde orde van de school, de liturgie en de lessen, gaapte ineens een leegte die ik niet eerder had opgemerkt. Misschien begon daar de lange zoektocht die mijn leven zou kenmerken: de zoektocht naar de verloren jongen die ooit zonder aarzelen Ad maiorem Dei gloriam boven zijn schoolwerk schreef en nog geloofde dat God zich in de kleinste rituelen van het dagelijks leven liet vinden.
Wanneer ik nu aan het Ignatiuscollege terugdenk, zie ik niet alleen het gebouw of de klaslokalen terug. Ik zie vooral een verdwenen wereld, besloten in het licht van een jeugd die voorgoed voorbij is. Een wereld die zich steeds verder verwijdert, maar die in de herinnering een merkwaardige helderheid behoudt. Alsof de tijd haar niet heeft uitgewist, maar slechts in nevelen heeft gehuld. En soms, heel even, meen ik in dat labyrint opnieuw de voetstappen te horen van die jongen die ik ooit ben geweest. Dan besef ik dat hij nooit helemaal is verdwenen. Hij wacht nog altijd ergens op mij, verborgen in de echo van een Latijnse spreuk, de geur van boenwas op de gangen, het geritsel van een zwarte toga en de stilte van een school waar de tijd voorgoed leek stil te staan.
