Negen jaar geleden, in 2017, verscheen mijn boek Jihad of verstandsverbijstering. Het ontstond in de nasleep van de aanslagen die Europa hadden opgeschrikt en was een poging om een moeilijk te doorgronden verband zichtbaar te maken tussen religieus extremisme, het verschijnsel psychose en de geestelijke toestand van de hedendaagse samenleving. De centrale vraag die mij destijds bezighield was hoe het mogelijk is dat jonge mensen zich kunnen verliezen in een wereldbeeld waarin geweld niet langer als kwaad wordt ervaren, maar als een weg naar verlossing, zuiverheid en absolute betekenis.
Nu kijk ik vanuit een andere tijd terug op die analyse. Waar zijn we nu? De dreiging van het jihadisme staat minder centraal dan toen, maar de vragen die eraan ten grondslag lagen zijn niet verdwenen. Integendeel: ze hebben zich verbreed. We leven inmiddels in een wereld die wordt gekenmerkt door geopolitieke spanningen, nieuwe vormen van ideologische polarisatie en een technologische revolutie die niet alleen onze manier van leven verandert, maar ook ons beeld van de mens zelf. De opkomst van kunstmatige intelligentie stelt fundamentele vragen over bewustzijn, creativiteit, autonomie en de grens tussen mens en machine. De geestelijke crisis die ik destijds beschreef, blijkt achteraf niet uitsluitend een religieuze of politieke crisis te zijn, maar raakt aan een veel dieper probleem: de zoektocht van de mens naar betekenis in een wereld waarin oude zekerheden verdwijnen.
Mijn vertrekpunt was en blijft mijn eigen psychotische ervaring als jongvolwassene. Mijn psychose in 1966 ontstond op een breukvlak in mijn leven, op het moment dat ik mij losmaakte van het katholieke wereldbeeld waarin ik was opgegroeid. Wat ik toen ervoer als een persoonlijke ontwrichting, zie ik achteraf ook als een botsing tussen twee werkelijkheden: een traditionele wereld vol symbolen, rituelen en transcendente betekenis, en een moderne wereld waarin die vanzelfsprekende samenhang begon weg te vallen. Juist die ervaring heeft mij ertoe gebracht kritische vragen te stellen bij een psychiatrie die psychische ontregeling vooral benadert vanuit classificaties, diagnoses en biologische processen.
Daarmee wil ik niet de betekenis van medische kennis ontkennen. Integendeel, psychiatrische behandeling kan van grote waarde zijn. Maar de menselijke geest laat zich niet volledig begrijpen als een biologisch systeem. Een psychose is niet alleen een verstoring van hersenprocessen; zij is ook een ervaring waarin vragen naar identiteit, betekenis, werkelijkheid en verbondenheid op een extreme manier zichtbaar worden. Wie alleen kijkt naar de symptomen, dreigt de existentiële dimensie van de ervaring uit het oog te verliezen.
Vanuit die gedachte ontstond mijn zoektocht naar het verband tussen psychose en religieus extremisme. De aanleiding daarvoor vormden de terreuraanslagen in Europa in 2016. Ik vroeg mij af waarom sommige jonge mensen, vaak opgegroeid in een geseculariseerde omgeving, zich aangetrokken voelen tot radicale ideologieën die hun een totaalbeeld van de werkelijkheid bieden. Natuurlijk zijn een psychose en een terroristische aanslag niet hetzelfde. Een psychoticus handelt niet vanuit dezelfde motieven als een terrorist en een ideologische overtuiging kan niet eenvoudig worden gereduceerd tot een psychische stoornis. Toch zag ik een raakvlak in de onderliggende ervaring van vervreemding, ontworteling en het verlangen naar een absolute betekenis.
De moderne westerse samenleving heeft veel traditionele vormen van zingeving achter zich gelaten. De secularisering heeft ons grote vrijheid gebracht, maar zij heeft ook een leegte achtergelaten die niet vanzelf wordt opgevuld. Wanneer oude symbolische structuren verdwijnen, ontstaat de vraag welke nieuwe vormen van betekenis daarvoor in de plaats komen. De mens leeft immers niet alleen van materiële welvaart, individuele vrijheid en technische vooruitgang. Hij heeft ook verhalen, rituelen en symbolen nodig die zijn bestaan in een groter geheel plaatsen.
Om dat proces te beschrijven gebruikte ik de metafoor van de caissonziekte. Zoals een duiker ziek kan worden wanneer hij te snel opstijgt naar de oppervlakte, zo kan ook een samenleving ontregeld raken wanneer oude vormen van betekenis verdwijnen zonder dat daarvoor nieuwe kaders ontstaan. De culturele decompressie die daarvan het gevolg is, kan zich uiten in verschillende vormen: religieus fundamentalisme, complotdenken, politieke radicalisering, maar ook in individuele psychische ontsporing.
Wanneer ik nu terugkijk, zie ik dat deze analyse zich niet beperkt tot het religieuze domein. De behoefte aan transcendentie blijkt niet verdwenen toen God uit het centrum van de westerse cultuur verdween. Zij heeft zich verplaatst. Waar vroeger religie het kader bood voor vragen over oorsprong, bestemming en verlossing, zien we tegenwoordig dat ook technologie een dergelijke functie kan gaan vervullen.
De snelle opkomst van kunstmatige intelligentie maakt deze ontwikkeling duidelijk zichtbaar. Rond AI ontstaan verwachtingen die soms doen denken aan oude religieuze beloften: het overwinnen van menselijke beperkingen, het bereiken van een vorm van onsterfelijkheid, het creëren van een intelligentie die ons overstijgt. De droom van het trans-humanisme bevat een verlangen dat diep in de menselijke geschiedenis geworteld is: de wens om niet langer gebonden te zijn aan kwetsbaarheid, toeval en sterfelijkheid.
Daarmee ontstaat een nieuwe vraag. Wat gebeurt er wanneer de machine niet alleen een instrument wordt, maar een spiegel waarin de mens zichzelf opnieuw probeert te definiëren? Wanneer intelligentie, creativiteit en taal niet langer uitsluitend menselijke eigenschappen lijken te zijn? De uitdaging van kunstmatige intelligentie ligt niet alleen in de technische mogelijkheden, maar vooral in de manier waarop zij ons mensbeeld beïnvloedt. Zo kan ongemerkt een nieuwe vorm van radicalisering ontstaan. Het is niet zozeer een verachting van al het menselijke die deze radicalisering aandrijft, als wel een ontspoorde liefde voor een hoger doel dat al het menselijke overstijgt, wat tot een morele verblinding kan leiden. Love is crazy, love is blind.
In dat opzicht vertoont onze tijd een opvallende overeenkomst met de periode die ik in Jihad of verstandsverbijstering onderzocht. Ook nu gaat het om een zoektocht naar een absoluut houvast in een wereld die steeds minder vaste grond lijkt te bieden. Alleen is het object veranderd. De vraag is niet langer uitsluitend hoe mensen reageren op het verdwijnen van religieuze betekenis, maar ook hoe zij omgaan met een werkelijkheid waarin technologie steeds meer menselijke functies overneemt en daarmee en religieus getinte belofte lijkt te bevatten.
Dat maakt de psychose voor mij opnieuw interessant als symptoom van een oplopende culturele spanning. Niet omdat onze samenleving psychotisch zou worden, maar omdat de psychose iets zichtbaar maakt wat ook in de cultuur speelt: de kwetsbaarheid van onze werkelijkheidsbeleving. Een psychose kan worden gezien als een extreme ervaring waarin de grens tussen innerlijke en uiterlijke werkelijkheid vervaagt. Maar ook de hedendaagse cultuur worstelt steeds meer met die grens. Digitale werelden, algoritmische werkelijkheden en kunstmatig gegenereerde beelden maken het onderscheid tussen echt en onecht steeds ingewikkelder .
Achteraf zie ik dat Jihad of verstandsverbijstering en mijn latere beschouwingen over kunstmatige intelligentie twee hoofdstukken vormen van dezelfde zoektocht. Het boek van negen jaar geleden ging over de geestelijke gevolgen van het verlies van transcendentie. Wat mij nu interesseert is de opkomst van een nieuwe vorm van transcendentie die door de machine wordt gegeneerd. Waar vroeger een mens mens boven zichzelf wilde uitstijgen door religie, lijkt hij dat nu te willen bereiken door te speculeren over de technologie als gerealiseerde sciencefiction.
De grote uitdaging van de komende tijd is daarom niet alleen de vraag wat kunstmatige intelligentie ons brengen kan, maar vooral wat en mens zelf nog in een wereld waarin steeds meer menselijke eigenschappen technisch kunnen worden nagebootst. De psychiatrie, maar ook de filosofie, de kunst en de religie-wetenschappen, zullen opnieuw moeten nadenken over de menselijke geest als drager van betekenis.
Alleen vanuit zo’n breed mensbeeld zullen wij wellicht ooit kunnen wij begrijpen waarom mensen soms ontsporen in waan gevolgd door geweldsuitspattingen. Maar ook waarom een mens steeds opnieuw zoekt naar iets dat groter is dan zichzelf. Die zoektocht naar transcendentie verdwijnt niet. Zij verandert slechts van gedaante. De beslissende vraag is uiteindelijk niet hoe intelligent de machine wordt, maar hoeveel menselijkheid wij bereid zijn prijs te geven in onze fascinatie voor haar mogelijkheden.
De toekomst zal niet zal worden beslist door de kracht van onze technologie, maar door ons vermogen de menselijke maat te bewaren. Want de geschiedenis leert dat elke tijd zijn eigen normaliteit creëert. En juist daarom blijft het zaak af en toe aan die normaliteit te twijfelen. Want wie nooit een beetje gek lijkt, loopt het grootste risico zich ongemerkt aan de waan van zijn tijd aan te passen. Die waan van de tijd kan knettergek zijn en totaal verblind. De liefde die daaruit voorkomt draagt dan dezelfde kenmerken.
