Opgroeien in de Watergraafsmeer

Het bestaat allang niet meer: het schilderij dat ik eind jaren zestig aan het canvas toevertrouwde. Alleen op een oude foto is het op de achtergrond nog te zien. Als ik er nu naar kijk, zie ik weer de jongen van toen, die met zijn ziel onder de arm door de straten van de Watergraafsmeer liep. Het ei dat de man op het doek zo behoedzaam vasthoudt, was mijn eigen kwetsbare ziel, blootgesteld aan een kantelende wereld. Destijds hing het aan de muur van mijn kamer in de Wakkerstraat. Een kamer die allang door anderen wordt bewoond, in een stad die onherkenbaar is veranderd.

In die tijd kwam ik nog wel eens in de Martelaren van Gorkum op het Linnaeushof — de plek die men tegenwoordig strak en functioneel ‘de Hofkerk’ noemt. Ik zocht er destijds niet de mis of het geloof, maar kapelaan Tönis. We probeerden ruimte te claimen voor de jeugd en wilden de kelder huren voor onze jeugdsociëteit Omega. De Kerk probeerde krampachtig haar bakens te verzetten, maar ze was al te laat; ze vergat te luisteren naar de stemmen van de nieuwe generatie. Tijdens een van die bezoeken zag ik in de pastorie een kartonnen doos met afgedankte spullen staan. Bovenop lag een zware, ijzeren kerksleutel. Zonder na te denken gleed hij in mijn binnenzak. Een tastbaar stukje heiligdom, zomaar gestolen uit een instituut dat langzaam in elkaar stortte.

De tijd is genadeloos voor vriendschappen. Ik kende Hans Kraan nog van het Ignatiuscollege, de man bij wie ik in de Wakkerstraat op kamers woonde. Hans werd later een overtuigd marxist, bouwde in no time een internationaal netwerk op en schreef voor De Nieuwe Linie. Hij werd een roomse revolutionair, bezetter van het Maagdenhuis, en een belangrijk woordvoerder op het Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout, maar ook redactielid van het Nijmeegse tijdschrift Tegenspraak, dat een brug wilde slaan tussen het marxisme en de bevrijdingstheologie.

Maar Omega was de kiem van dat alles. Hans had de sociëteit in 1967 opgericht als een veilige haven voor jongeren die op drift waren geraakt door de woelige tijdgeest. Hans was een groot liefhebber van The Who. Vooral hun song Won’t Get Fooled Again kon hem bijkans in extase brengen; misschien hoorde hij daarin iets van een levensmissie. Ik hield destijds niet zo van die ruige muziek en begreep het nooit zo goed. Er was volop muziek in die tijd.

In 2017 wilden Hans een ik elkaar nog eens ontmoeten in onze oude omgeving. We spraken af in Café Nieuw Rozenburgh aan de Middenweg. Tegenwoordig hangt er een hip, modern bord aan de gevel: Elsa’s Café. Maar voor ons bleef het voor altijd ‘Willem’. Die middag spraken Hans en ik over Nescio. Hans had diens weduwe, Aagje Tiket (1983-1974), ooit nog zien lopen op het Linnaeushof. We haalden herinneringen op en namen ons voor om de geschiedenis van Omega eindelijk eens op te schrijven. Geen zoetsappig, nostalgisch document, maar een scherpe reportage over de jeugdcultuur in de nadagen van het Rijke Roomse leven. Het was de tijd waarin de kerken leegstroomden en de discotheken vol liepen. Het boek is er nooit gekomen. De plannen zijn, net als de tijd zelf, tussen onze vingers doorgeglipt. Hans overleed in 2019.

Ook Louis van Gaal, die in zijn jeugd op het Galileïplantsoen woonde, kwam als roomse jongen in de Martelaren van Gorkum. Van Gaal groeide op als Aloysius Paulus Maria van Gaal in een groot rooms-katholiek gezin waarin het geloof een vanzelfsprekende plaats innam. Hij was de jongste van negen kinderen. De jonge Van Gaal werd destijds geen lid van Omega, maar van Bacchus, de sociëteit voor de ‘soulkickers’ die op vrijdagavond in diezelfde kelder trokken. Wij van Omega waren de hippies, het langharige tuig. Louis droeg zo’n strakke soulbroek met wijde pijpen waar ik van gruwde. Maar hoezeer we ook verschilden, we hebben in diezelfde vochtige kelder onder de kerk gedanst… all night long.

In die kelder heb ik geleerd wat het betekent om verliefd te worden. Bij Van Gaal ging het niet anders. Zijn eerste vrouw, Fernanda Obbes, leerde hij kennen op een avond in Bacchus — een parallel die mij trof, omdat ook ik mijn eerste vrouw ontmoette op een avond in Omega. Het geloof van Van Gaal hield stand tot 1994, toen Fernanda op slechts 39-jarige leeftijd overleed aan alvleesklierkanker, enkele maanden na de diagnose. Die gebeurtenis betekende een beslissende breuk in zijn leven. In interviews sprak hij daar later openhartig over.

Bij mij verliep het afscheid van het geloof veel geleidelijker. Het begin van dat proces tekende zich al af in de tweede helft van de jaren zestig. En zoveel schelen we niet in leeftijd, Van Gaal is vier jaar jonger dan ik. Ik heb hem als jongen in de Watergraafsmeer nooit persoonlijk ontmoet. Hans Kraan misschien wel, maar ik heb hem daar nooit over gehoord. Hans Kraan en Louis van Gaal deelden ook dezelfde lager school: de Lidwina-school op het Linnaeushof. Zelf heb ik mijn lagere school in Amsterdam Zuid gevolgd. Elke dag met de bus op en neer, eerst lijn D en dan lijn E. Hans heeft overigens als jongen wel de kleine Johan Cruijff zien voetballen. Na zijn dood verscheen daar een artikel over in het voetbaltijdschrift Hard Gras, een verhaal dat eerder op mijn site was verschenen. (zie: hier)

Louis van Gaal (1951) en Johan Cruijff (1947), die ook slecht vier jaar scheelden en beiden opgroeiden in de Watergraafsmeer, speelden in hun jonge jaren ooit tegen elkaar. Jeugdvriend Hans Cocx vertelde over Van Gaal: “We voetbalden na school altijd met andere kinderen … en een enkele keer Johan en Henny Cruijff.” Onlangs zag ik een documentaire terug over de jeugd van Louis van Gaal. Daarin rende hij over het gras van de Radioweg — exact de plek waar ik vroeger als kind mijn knieën openhaalde. We deelden dezelfde jeugd in de Watergraafsmeer, destijds misschien wel de mooiste buurt van Nederland. Barber van der Pol schreef er later weemoedig over:

‘In Oost waar je in je hart zult blijven wonen / spelen Lowietjes nu met allochtonen / zonder het te weten in het paradijs.’

Het paradijs van toen heeft plaatsgemaakt voor de dynamiek van nu. Wat echter altijd is gebleven, is het mysterie van de liefde. Liefhebben is je hart weggeven. Misschien was geloven ooit wel precies hetzelfde. Credo betekent Cor do: ik geef mijn hart. Die twee werelden delen een slot dat vraagt om dezelfde, zware sleutel. De sleutel die ik destijds in de kerk De Martelaren van Gorkum in mijn binnenzak stak, als een stilletjes meegenomen bewijs dat het er allemaal echt is geweest.

Drie weken voordat Hans Kraan overleed in 2019, heb ik hem nog opgezocht. Hij woonde inmiddels in de Bijlmermeer, na decennia lang in Maastricht te hebben gewoond, als een bevlogen docent aan een HBO-instelling. Zijn huwelijk was op de klippen gelopen en zijn gezondheid was langzaam maar onontkoombaar achteruit gegaan. Samen keken we die middag terug op een wonderlijke tijd. Bij het afscheid gaf ik hem de sleutel van de kerk die ik ooit gestolen had.

“Moet ik die soms aan Petrus teruggeven als ik straks voor de hemelpoort sta?” vroeg Hans. 

“Je weet maar nooit,” zei ik.