Toen was roken heel gewoon

Etalage van een tabakswinkel in de Torenstraat op Terschelling (inmiddels verwijderd)

Lang voordat roken een gezondheidsprobleem werd, was het een taal. Een sigaret was niet alleen een rolletje tabak in papier, maar ook een gebaar, een houding, een vorm van communicatie. Wie oude films bekijkt, ziet het onmiddellijk. De manier waarop Humphrey Bogart een sigaret tussen zijn vingers hield, hoe Marlene Dietrich de rook langzaam liet ontsnappen, hoe James Dean met een sigaret zijn onverschilligheid benadrukte: het waren geen toevallige bewegingen. De sigaret hoorde bij een bepaalde manier van aanwezig zijn. Zij kon elegantie uitstralen, nonchalance, verlangen of melancholie. Een sigaret werd niet alleen gerookt, zij werd ook gespeeld.

Dat was niet zo vreemd. In vroegere tijden had vrijwel ieder gebaar betekenis. Gustave Flaubert beschreef in Madame Bovary een bal op het kasteel van een markies, waar dames met waaiers, handschoenen, juwelen en boeketten een hele geheime taal spraken. Een waaier die bewoog, een zakdoek die viel, een blik die iets langer bleef hangen: alles had betekenis. Er werd gecommuniceerd zonder woorden. In de twintigste eeuw nam de sigaret voor een deel die rol over. De manier waarop een man vuur gaf aan een vrouw, de wijze waarop iemand een sigaret opstak of haar achteloos tussen de vingers liet hangen: het waren kleine rituelen die iets uitdrukten over stijl, zelfvertrouwen en verleiding.

De filmindustrie heeft deze wereld voorgoed vastgelegd. De bloeitijd van de cinema viel samen met de bloeitijd van het roken. De sigaret werd een onderdeel van het beeld van de moderne mens. Zij hoorde bij schrijvers achter hun bureau, jazzmuzikanten op het podium, kunstenaars in cafés en acteurs in zwart-witfilms. De rook kringelde omhoog en leek de grens tussen werkelijkheid en verbeelding te vervagen.

Toen ik opgroeide, was die wereld nog springlevend. Voor mijn generatie was roken geen bijzonder gedrag. Het hoorde bij het dagelijks leven. Mijn herinneringen beginnen echter niet bij een sigaret, maar bij voetbal. In 1958 zag ik bij ons thuis Toon Hermans op televisie met zijn beroemde conference over Ajax-Elinkwijk. Het bijzondere was dat ik kort daarvoor zelf in het oude Ajax-stadion De Meer een wedstrijd tussen diezelfde clubs had gezien. Ik was toen elf jaar en woonde op loopafstand van het stadion. De wereld van Toon Hermans en mijn eigen wereld vielen even samen.

Elinkwijk was in die jaren een bijzondere club. Het had iets van een eeuwige outsider, het Klein Duimpje van de Eredivisie. Alleen al de naam klonk alsof de club uit een vergeten hoek van Nederland kwam. Toon Hermans koos Elinkwijk natuurlijk niet zomaar. Ajax tegenover Elinkwijk was het grootst mogelijke contrast: de machtige club uit Amsterdam tegenover de underdog die nooit echt een bedreiging vormde. Maar uiteindelijk ging zijn conference helemaal niet over voetbal. Hij begon bij Ajax-Elinkwijk en eindigde bij sterren, zielen en het hemelrijk. Het was filosofisch gezwam in de ruimte, maar juist daarin zat zijn kracht. Hij liet zien hoe het menselijk denken werkt: hoe één kleine gebeurtenis plotseling verbonden kan raken met de grootste vragen van het bestaan.

Misschien werken herinneringen ook zo. Ze volgen geen rechte lijn. Laatst vond ik een kindertekening terug die ik in de vierde klas van de lagere school had gemaakt. Elinkwijk speelde uit tegen Feyenoord. Achterop stond met potlood de uitslag geschreven: 5-2. Ik kan mij die wedstrijd niet herinneren, maar de tekening bracht wel onmiddellijk een hele wereld terug. Mijn eerste echte voetbalwedstrijd zag ik in 1957: Ajax tegen Sportclub Eindhoven. Daarna zat ik bijna iedere zondag in De Meer. Een jongenskaart voor vak H kostte twee kwartjes. Daarvoor moest je wel vroeg in de rij staan, want jongenskaarten waren niet in de voorverkoop verkrijgbaar.

Vanaf mijn huis liep ik in een half uur naar het stadion. Nadat ik mijn kaartje had gekocht, ging ik vaak nog even naar huis terug. Later keerde ik terug en wachtte op het moment waarop de stadionspeaker zijn stem door de krakende luidsprekers liet klinken: “Goedemiddag dames en heren. Welkom in het Ajax-stadion.” Daarna volgden de rugnummers, eerst van de bezoekers en daarna van Ajax. Iedere naam van een Ajax-speler werd begroet met gejuich. De spelers maakten hun warming-up, verdwenen weer naar de kleedkamer en kwamen even later gezamenlijk het veld op.

En dan waren er de geluiden. Het geroezemoes op de tribunes, de bal die werd rondgespeeld, de muziek uit de luidsprekers en tussendoor de reclameboodschappen. “Heerlijk helder Heineken.” “Dit is de man, dit is zijn Amstel.” En natuurlijk: “Ay, ay, ay, die Caballero. Dat is pas een sigaret.” Niemand vond dat vreemd. Reclame voor sigaretten hoorde bij voetbal zoals het grasveld en het scorebord. Achter de doelen stonden grote borden met sigarettenmerken. Op mijn oude tekening van Feyenoord-Elinkwijk staat nog een reclame die bijna vergeten is: “Een Roxy? Ja graag!”

Die zin vat een tijdperk samen. Roken was heel gewoon. Sigarettenmerken hadden allemaal hun eigen uitstraling. Roxy, Caballero, Lexington, Peter Stuyvesant, Chief Whip, Miss Blanche. Het waren niet zomaar producten, maar namen die een bepaalde wereld opriepen. Zelfs kinderen kenden de merken. We spaarden de kartonnen doosjes en speelden met de plaatjes van de verpakkingen. De sigaret hoorde bij de cultuur, ook al waren wij nog veel te jong om te begrijpen wat dat betekende.

Later ben ik zelf gaan roken. Zoals zoveel jongeren in de jaren zestig hoorde het bij volwassen worden. Je voelde je groter met een sigaret in de hand. Achteraf bezien was dat natuurlijk een merkwaardige paradox: je voelde je onafhankelijk door iets te doen waarvan je uiteindelijk afhankelijk werd.

Toch was de sigaret meer dan alleen nicotine. Zij was een ritueel. Een sigaret opsteken betekende een moment van rust. Eerst het pakje openen, de sigaret tussen de vingers nemen, vuur zoeken, de eerste trek. Even hoefde er niets. De wereld stond een paar minuten stil. Misschien verklaart dat waarom zoveel schrijvers en kunstenaars rookten. Niet omdat een sigaret inspiratie gaf, maar omdat zij een kleine onderbreking bood in de voortdurende stroom van gedachten.

Toen ik in 1977 begon te werken op een kantoor, rookte vrijwel iedereen. Op bureaus stonden volle asbakken en aan het einde van de dag hing er een blauwe waas in de kamers. Niemand sprak over frisse lucht of schadelijke stoffen. Rook hoorde bij de ruimte. Ik zag onlangs een oude opname van het televisieprogramma Top of Flop waarin de panelleden bijna verdwenen achter een gordijn van rook. Tegenwoordig is zo’n beeld bijna onvoorstelbaar.

Langzaam veranderde dat. In de jaren zestig verschenen de eerste onderzoeken naar de relatie tussen roken en longkanker. Ik herinner mij dokter Meinsma, de man die in Nederland het gezicht werd van de anti-rookcampagne. Hij werd door veel rokers gezien als een fanatiekeling. Frans Halsema maakte er zelfs een liedje over. Achteraf kreeg Meinsma natuurlijk gelijk, maar cultuur verandert niet alleen door feiten. Gewoonten, herinneringen en rituelen verdwijnen veel langzamer.

Zelf heb ik ongeveer veertig jaar gerookt. Geen extreme kettingroker, maar toch stevig genoeg. In 2002 stelde een arts astma vast en ben ik van de ene op de andere dag gestopt. Cold turkey. Ik heb nooit werkelijk heimwee gehad naar het roken. En toch zijn er momenten waarop de herinnering zich onverwacht aandient. Vooral wanneer het leven onrustig wordt, denk ik soms terug aan dat oude gevoel: de sigaret tussen je lippen, de geur van tabak, de eerste rook die langzaam naar binnen trekt. Niet omdat ik opnieuw wil beginnen, maar omdat herinneringen zich niet laten corrigeren door medische kennis.