(1)
De laatste dagen heb ik mij verdiept in Atte Jongstra’s monumentale biografie Inkt, bloed & liefde. Leo Vroman (1915–2014). Het was een onderneming die dezelfde toewijding vraagt als de poëzie van Vroman zelf. Bijna duizend pagina’s telt dit boek, en wie het vluchtig doorbladert, mist gemakkelijk waar het uiteindelijk om gaat. Het is geen naslagwerk dat zich laat consumeren als een verzameling feiten, maar een levensbeschrijving die de lezer uitnodigt zich langdurig onder te dompelen in het bestaan van een dichter, bioloog, oorlogsvluchteling, echtgenoot en bovenal een uitzonderlijk mens.
Terwijl ik las, drong zich geleidelijk een andere vraag op. De discussie die inmiddels over Jongstra’s biografie is ontstaan, gaat uiteindelijk minder over Leo Vroman dan over het wezen van de biografie zelf. Wat verwachten wij eigenlijk van een levensbeschrijving? Willen wij vooral zekerheid over de feiten, of zoeken wij iets dat zich niet in documenten laat vastleggen: de ervaring van een leven?
Die vraag is zo oud als de biografie zelf. Iedere biograaf beweegt zich tussen twee polen. Aan de ene kant staat de historische reconstructie. Brieven, dagboeken, archieven en getuigenissen moeten een betrouwbaar beeld opleveren van wat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld. Aan de andere kant is er het verlangen een mens werkelijk nabij te komen. Niet alleen te weten wat hij deed, maar ook te begrijpen hoe hij de wereld beleefde, wat hem dreef en waarom zijn werk nog altijd betekenis heeft.
De eerste reacties op Jongstra’s boek zijn overwegend lovend. Vrijwel iedereen prijst de soepelheid van zijn stijl en zijn vermogen om de vele gedaanten van Vroman tot een overtuigend geheel te smeden. De dichter, de wetenschapper, de verliefde echtgenoot, de emigrant en de overlevende van de Tweede Wereldoorlog blijven nergens losse hoofdstukken uit een curriculum vitae. Zij vormen één leven dat zich voor de lezer ontvouwt zonder ooit zijn levendigheid te verliezen. Vooral de beschrijvingen van de oorlogsjaren en de lange liefdesgeschiedenis van Leo en Tineke behoren tot de meest indrukwekkende passages van het boek.
Toch is er ook kritiek. Bastiaan Bommeljé heeft uitvoerig gewezen op tekortkomingen die een wetenschappelijke standaardbiografie zich eigenlijk niet kan permitteren: lacunes in de bibliografie, een onvolledig notenapparaat, onnauwkeurigheden in de documentatie en verschillende redactionele slordigheden. Zijn bezwaren richten zich echter nauwelijks tegen Jongstra als schrijver. Integendeel, diens literaire kwaliteiten worden nadrukkelijk erkend. De kritiek betreft vooral de vraag of een monumentale biografie niet ook aan de strengste eisen van wetenschappelijke controle moet voldoen.
Juist daarin schuilt een interessanter probleem dan de discussie over voetnoten op zichzelf doet vermoeden. Achter de kritiek gaat een fundamentele tegenstelling schuil tussen twee manieren om naar een mensenleven te kijken. Een biografie kan tekortschieten doordat zij onvoldoende betrouwbaar is. Dan ontbreken bronnen, worden feiten onvoldoende gecontroleerd of blijven belangrijke gebeurtenissen onderbelicht. Maar een biografie kan ook op een heel andere manier falen. Zij kan zo volledig opgaan in de opeenstapeling van feiten dat het leven zelf uit beeld raakt. Dan verandert het archief van hulpmiddel in eindbestemming. De documenten worden belangrijker dan de mens die erin verborgen ligt.
Dat gevaar is niet denkbeeldig. Hoe omvangrijker een biografie wordt, hoe groter de verleiding om volledigheid met inzicht te verwarren. Alsof een leven vanzelf zichtbaar wordt zodra maar voldoende materiaal bijeen is gebracht. Maar een archief spreekt nooit voor zichzelf. Duizenden brieven, foto’s en documenten leveren nog geen interpretatie op. Zij vormen hoogstens de bouwstenen waaruit een beeld kan ontstaan.
Ik stel me zo voor dat een archief te vergelijken ismet een uitgestrekt landschap. Wie er middenin staat, ziet bomen, struiken en kronkelende paden, maar nauwelijks de vorm van het geheel. Pas wanneer men enige afstand neemt, worden de contouren zichtbaar. Daarmee raken we aan een onderscheid dat voor iedere biografie van wezenlijk belang is: het verschil tussen het mierenperspectief en de helikopterblik.
Het mierenperspectief is de blik van de onderzoeker die zich zorgvuldig tussen de details beweegt. Iedere brief wordt gelezen, iedere datum gecontroleerd, iedere herinnering getoetst aan andere bronnen. Zonder die nauwkeurigheid zou iedere levensbeschrijving onvermijdelijk oppervlakkig blijven. Juist in de details schuilt immers vaak de geloofwaardigheid van het geheel. Maar de mier ziet alleen wat zich vlak voor haar bevindt. Zij kent de grasspriet, niet het landschap.
De helikopterblik doet precies het omgekeerde. Zij stijgt op om patronen zichtbaar te maken. Niet alleen de opeenvolging van gebeurtenissen wordt dan van belang, maar ook de grotere bewegingen waarin een mensenleven is ingebed. Een schrijver leeft immers nooit uitsluitend zijn eigen leven. Hij beweegt zich binnen een cultuur, een tijdperk en een veranderend geheel van ideeën over kunst, wetenschap, religie en mensbeeld. Wie uitsluitend de chronologie volgt, loopt het risico juist die grotere samenhang uit het oog te verliezen.
Tijdens het lezen van Jongstra’s biografie miste ik soms zo’n bredere culturele horizon. Niet omdat de rijkdom aan details mij stoorde — integendeel. Juist de overvloed aan materiaal roept de behoefte op aan een gezichtspunt van waaruit de afzonderlijke feiten betekenis krijgen. Hoe verhoudt Vroman zich tot de naoorlogse secularisering? Welke plaats neemt hij in binnen de geschiedenis van de moderne poëzie? Hoe veranderde het religieuze denken gedurende de twintigste eeuw, en hoe weerspiegelt zich dat in zijn werk?
Dat zijn vragen die zich niet laten beantwoorden door nog een brief of nog een voetnoot. Zij vragen om interpretatie. Om een blik die verder reikt dan het individuele leven alleen.Juist daar begint voor mij de eigenlijke betekenis van een biografie. Niet waar alle feiten verzameld zijn, maar waar een leven zichtbaar wordt als onderdeel van een veel groter verhaal.
(2)
Die bredere horizon lijkt mij vooral van belang wanneer het gaat om de religieuze dimensie van Vromans werk. Wie zijn poëzie uitsluitend leest vanuit de biografische feiten of vanuit zijn wetenschappelijke loopbaan als bioloog, mist een van de meest intrigerende lagen van zijn dichterschap. Religieuze taal is bij Vroman geen ornament en evenmin een restant van een jeugd die hij later achter zich liet. Zij vormt een blijvende onderstroom die zich gedurende zijn hele leven ontwikkelt.
Opmerkelijk genoeg is juist die ontwikkeling nauwelijks systematisch onderzocht. Voor zover ik weet bestaat er nog altijd geen uitvoerige theologische studie die zich uitsluitend aan Vromans poëzie heeft gewijd. Dat is des te verrassender omdat begrippen als God, ziel, schepping, eeuwigheid en genade in zijn gedichten voortdurend terugkeren. Zij keren echter niet terug als vanzelfsprekende geloofswaarheden. Vroman gebruikt de taal van de religie, maar onttrekt haar aan de dogmatische context waarin zij eeuwenlang heeft gefunctioneerd. Zijn gedichten stellen vragen zonder nog op vaste antwoorden te vertrouwen.
Daarin onderscheidt hij zich van veel tijdgenoten. Hij behoort niet tot de dichters die eenvoudig afscheid nemen van religie, maar evenmin tot degenen die haar oude zekerheden verdedigen. Zijn werk beweegt zich in een tussengebied waarin de traditionele God geleidelijk verdwijnt, terwijl de religieuze gevoeligheid behouden blijft. Ik denk dat zijn poëzie daarom beter te omschrijven is als post-theïstisch dan als ongelovig. Het mysterie verdwijnt niet; het verandert slechts van gedaante.
Juist vanuit een cultuurhistorisch perspectief krijgt die ontwikkeling betekenis. Vroman leefde in een eeuw waarin de klassieke religieuze wereldbeschouwing haar vanzelfsprekendheid verloor en de natuurwetenschappen een steeds grotere invloed kregen op het mensbeeld. Evolutie, genetica en moleculaire biologie veranderden de manier waarop de mens zichzelf begon te begrijpen. Voor velen betekende die ontwikkeling een voortschrijdende onttovering van de werkelijkheid. Voor Vroman leek het tegenovergestelde te gelden. Hoe meer hij als bioloog ontdekte van de levende natuur, des te groter werd zijn verwondering.
Dat is misschien wel een van de meest oorspronkelijke trekken van zijn dichterschap. Wetenschap en verwondering sluiten elkaar bij hem niet uit, maar versterken elkaar. Zijn laboratorium verdrijft het mysterie niet; het verplaatst het slechts naar een dieper niveau. Juist de biologische samenhang van alle leven roept de vraag op naar een orde die zich niet volledig laat reduceren tot natuurwetten.
Die verschuiving wordt zichtbaar in zijn godsbeeld. In het vroege werk spreekt Vroman nog vaak over een persoonlijke God, een “Heer” tot wie hij zich rechtstreeks kan richten. Later maakt dat beeld plaats voor een veel abstracter begrip: het Systeem. Dat woord heeft soms de klank van een natuurwet, soms van een kosmische orde en soms van een werkelijkheid die zich aan iedere definitie onttrekt. Het is geen God die buiten de wereld staat en haar bestuurt, maar een samenhang die in de wereld zelf werkzaam is.
Daarmee raakt Vroman aan een lange filosofische traditie. Zijn Systeem roept onwillekeurig herinneringen op aan Spinoza, voor wie God en natuur uiteindelijk samenvallen. Ook bij Spinoza is God geen bovennatuurlijke persoon, maar de oneindige werkelijkheid waarvan alles deel uitmaakt. Toch is Vroman geen dichter die filosofische systemen illustreert. Zijn verwantschap met Spinoza berust minder op begrippen dan op een gedeelde houding: de overtuiging dat verwondering groeit naarmate de mens zich bewust wordt van zijn plaats binnen een veel grotere samenhang.
Ook de vergelijking met Pierre Teilhard de Chardin dringt zich op. Deze jezuïet en paleontoloog zag de evolutie niet als een blind mechanisch proces, maar als een beweging naar steeds grotere complexiteit en verbondenheid. Bij Vroman ontbreekt weliswaar diens teleologische zekerheid, maar beiden delen het vertrouwen dat wetenschap en spiritualiteit elkaar niet hoeven uit te sluiten. De evolutie is voor hen geen argument tégen betekenis, maar een aanleiding haar opnieuw te doordenken.
Toch blijft Vroman altijd ongrijpbaar. Hij bouwt geen metafysisch bouwwerk en ontwikkelt geen sluitende leer. Zijn kracht ligt juist in zijn aarzelende toon. Zijn gedichten openen een ruimte waarin vragen mogen blijven bestaan. Zij nodigen de lezer uit tot verwondering, niet tot instemming. Dat verklaart wellicht ook waarom zijn werk tegenwoordig soms een dubbel gevoel oproept. Veel lezers ervaren nog altijd de ontroerende kracht van zijn poëzie, terwijl anderen haar als gedateerd beschouwen. Zijn speelsheid, zijn tederheid en zijn onbeschaamde vertrouwen in liefde en verbondenheid lijken soms afkomstig uit een literaire wereld die ver achter ons ligt. Wij leven immers in een tijd waarin ironie, ambiguïteit en wantrouwen vaak hoger worden aangeslagen dan eenvoud.
Mogelijk zegt dat minder over Vroman dan over onszelf. De vraag is niet alleen of zijn poëzie ouderwets is geworden. De vraag is evenzeer of wij iets hebben verloren wat voor hem nog vanzelfsprekend leek: het vermogen om zonder cynisme verwonderd te zijn. Juist daarin schuilt zijn actualiteit. In een cultuur die steeds sterker wordt gedomineerd door informatie, analyse en technische beheersing herinnert Vroman eraan dat kennis en betekenis niet samenvallen. De wereld wordt niet werkelijk begrijpelijk doordat wij haar steeds nauwkeuriger beschrijven. Begrip ontstaat pas wanneer feiten een plaats krijgen binnen een ervaring van samenhang.
Dat geldt niet alleen voor de poëzie, maar evenzeer voor de biografie. Ook een mensenleven bestaat uiteindelijk uit meer dan de som van controleerbare feiten. Pas wanneer de losse gebeurtenissen worden opgenomen in een groter patroon, ontstaat iets wat op inzicht lijkt. Daarvoor is niet alleen het geduld van de onderzoeker nodig, maar ook de verbeeldingskracht van degene die de contouren van het geheel probeert te herkennen.
(3)
Mijn verhouding tot Vroman is nooit uitsluitend literair geweest. Sommige dichters leer je kennen doordat je hun werk bestudeert. Andere nestelen zich ongemerkt in je geheugen, lang voordat je begrijp waarom juist hun woorden je zijn bijgebleven. Pas veel later blijkt dat zij deel zijn gaan uitmaken van je eigen levensverhaal.
Mijn geschiedenis met Vroman begint met een gebeurtenis die inmiddels bijna evenveel op een droom lijkt als op een herinnering. Al jarenlang keert die droom in verschillende gedaanten terug. Ik bevind mij opnieuw op het Sint-Ignatiuscollege in Amsterdam. Als leerling van de hoogste klas vertegenwoordig ik mijn school tijdens een declamatie-wedstrijd op het Spinoza-lyceum. Ik ben doodsbang mijn tekst te vergeten en kies daarom een kort gedicht: Scheppinkje van Leo Vroman.
Juist op het beslissende moment gebeurt waarvoor ik gevreesd heb. Heel even valt mijn geheugen stil. Er ontstaat een leegte waarin geen enkel woord zich nog aandient. Toch hervind ik de draad en maak ik het gedicht af. De eerste prijs is niet voor mij weggelegd. Die gaat naar Martine Bijl, die een gedicht van Vasalis voordraagt. Tijdens de pauze zie ik Henk van Ulsen balladen van François Villon reciteren in de vertaling van Ernst van Altena. Wonderlijk genoeg zijn deze beelden zich in mijn geheugen steeds sterker met elkaar gaan verbinden. Zo sterk zelfs dat ik mij soms heb afgevraagd of deze gebeurtenis ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Dat is onzin, want dit is wel degelijk ooit gebeurd. De wedstrijd vond plaats op 22 november 1965. Maar herinneringen gehoorzamen zelden aan de logica van de geschiedenis. Zij volgen hun eigen ordening. Zij brengen gebeurtenissen bijeen die historisch niets met elkaar te maken hebben, maar die in het geheugen onlosmakelijk met elkaar verbonden raken. Herinneren is geen archiveren. Het is herscheppen.
Niemand heeft dat beter onder woorden gebracht dan Vroman zelf. Atte Jongstra citeert ergens diens veelzeggende bekentenis: ‘Eigenlijk heb ik een slecht en daardoor vruchtbaar geheugen. Zo kan ik van alles dat nooit gebeurd is mij duidelijk herinneren.’ Die ene zin zegt misschien evenveel over de dichter als een uitvoerig psychologisch portret. Een slecht geheugen kan vruchtbaar zijn, omdat het niet alleen bewaart, maar ook herschept. Het laat verbanden ontstaan die in de werkelijkheid verborgen bleven.
Later formuleerde Vroman dezelfde gedachte nog scherper: ‘Het leuke van herinneringen vind ik dat ze fout zijn, want daardoor is vaak meer te begrijpen dan de bedoeling was.’ Dat is een opvatting die haaks lijkt te staan op de ambitie van iedere biograaf. De biograaf probeert immers vergissingen te corrigeren. Vroman suggereert juist dat een onjuiste herinnering soms dichter bij de waarheid kan komen dan een nauwkeurige reconstructie. Dat is minder paradoxaal dan het lijkt. Een herinnering is immers nooit alleen een verslag van wat gebeurd is. Zij bewaart ook wat een gebeurtenis met iemand heeft gedaan. Juist daarom kan een droom soms meer onthullen dan een proces-verbaal en een gedicht langer blijven voortleven dan een historische gebeurtenis.
Daar raken de biograaf en de dichter elkaar. De biograaf vraagt: wat is er gebeurd? De dichter vraagt: wat heeft het betekend? Beide vragen zijn onmisbaar, maar zij leiden niet noodzakelijk naar dezelfde waarheid. Feiten vormen het begin van een levensverhaal, niet het einde.
Dat besef heeft mijn eigen verhouding tot het gedicht Scheppinkje steeds verder verdiept. Ik kan het gedicht, ruim zestig jaar later, nog volledig uit het hoofd opzeggen. Niet omdat ik het uit mijn hoofd ben blijven leren, maar omdat het zich langzaam met mijn eigen herinneringen heeft verweven. Het gedicht is geen tekst meer die ik onthouden heb; het is onderdeel geworden van de manier waarop ik mijzelf herinner.
Daarom kreeg het ook een bijzondere betekenis toen ik jaren later door Gryt van Duinen werd uitgenodigd voor een televisiegesprek bij Omrop Fryslân. Ik mocht een boek, een foto en een gedicht meenemen die voor mijn leven belangrijk waren. Zonder aarzelen koos ik 126 gedichten van Leo Vroman. Het exemplaar dat ik meenam bezit nauwelijks antiquarische waarde, maar voor mij is het onschatbaar. Mijn klasgenoten stuurden het mij in de winter van 1966, toen ik was opgenomen in de Sint Willibrordus-stichting in Heiloo. Op de Franse titelpagina staan nog altijd hun handtekeningen. Iedere naam roept een gezicht op, ieder gezicht een verdwenen wereld.
Op zulke momenten wordt duidelijk dat boeken meer bewaren dan woorden alleen. Zij worden de dragers van een leven. Geen archief kan verklaren waarom juist dit versleten exemplaar voor mij kostbaarder is dan een zeldzame eerste druk. Zijn waarde ligt niet in de uitgave, maar in de herinneringen die erin besloten liggen. Daar ligt wellicht ook de grens van iedere biografie. Zij kan nauwkeurig reconstrueren wat iemand heeft gedaan, welke brieven hij schreef en welke wegen hij bewandelde. Maar zij kan nooit volledig achterhalen waarom een bepaald gedicht voor een onbekende lezer een leven lang blijft resoneren. Er bestaat een emotionele waarheid die zich aan iedere documentatie onttrekt.
Juist daarom blijft Vroman mij fascineren. Hij wist als weinig anderen dat de werkelijkheid altijd groter is dan een beschrijving ervan. Er blijft een overschot bestaan dat zich niet laat vastleggen. Niet omdat de feiten tekortschieten, maar omdat betekenis nooit volledig in feiten opgaat.
(4)
Zo kom ik terug bij de vraag waarmee deze beschouwing begon: wat mag een lezer eigenlijk van een biografie verwachten? Het antwoord is minder eenvoudig dan de tegenstelling tussen een wetenschappelijke en een literaire biografie doet vermoeden. De ene benadering zoekt controleerbare feiten, de andere probeert een mens opnieuw tot leven te wekken. Maar beide streven uiteindelijk naar hetzelfde: zij willen de afstand overbruggen tussen een verdwenen leven en de lezer van nu.
Anne Wadman merkte ooit op dat een biograaf zich in de eerste plaats moet richten op de Ereignisse, de gebeurtenissen, en pas daarna op de Erlebnisse en de Ergebnisse: de ervaringen en de gevolgen. Dat onderscheid, ontleend aan de psychologe Charlotte Bühler, heeft nog altijd overtuigingskracht. Zonder gebeurtenissen valt er geen biografie te schrijven; zonder betrouwbare feiten verandert een levensbeschrijving gemakkelijk in fictie.
Maar even waar is het omgekeerde. Feiten vormen slechts het skelet van een mensenleven. Zij krijgen pas betekenis wanneer zichtbaar wordt hoe iemand de werkelijkheid heeft ervaren en hoe die ervaring doorwerkt in zijn denken, zijn verbeelding en zijn werk. Het archief bewaart wat controleerbaar is; het geheugen bewaart wat betekenis heeft gekregen. Beide zijn noodzakelijk, maar zij behoren niet tot dezelfde orde.
Daarom laat ook de kritiek op Jongstra’ biografie van Vroman zich niet eenvoudig beslechten. Natuurlijk moeten bibliografieën zorgvuldig zijn, noten controleerbaar en bronnen volledig. Op dat punt heeft Bastiaan Bommeljé wellicht een punt. Maar wanneer ik jaren later aan een biografie terugdenk, herinner ik mij zelden de voetnoten. Ik herinner mij de ogenblikken waarop iemand uit een ver verleden ineens een tijdgenoot lijkt te worden. De momenten waarop een schrijver ophoudt een historische figuur te zijn en opnieuw begint te ademen.
Dat is tegelijk ook de diepste verwantschap tussen biografie en poëzie. Beide proberen een afwezige werkelijkheid opnieuw aanwezig te maken, terwijl zij tegelijkertijd weten dat dit nooit volledig zal lukken. De biograaf beschikt over documenten, de dichter over taal, maar geen van beiden kan het leven zelf vasthouden, er is blijft altijd zoiets als een belofte bestaan van en onthulling de zich niet voltrekt. Dat is tegelijk ook een wezenskenmerk van de poëzie van Leo Vroman en daarin schuilt ook nog altijd zijn actualiteit.
Wij leven in een tijd waarin algoritmen patronen herkennen die voor mensen onzichtbaar blijven en waarin kunstmatige intelligentie steeds overtuigender teksten produceert. Nooit eerder beschikten wij over zoveel informatie, zoveel data en zoveel mogelijkheden om de werkelijkheid te beschrijven. Toch roept juist die ontwikkeling opnieuw de vraag op waarin menselijke betekenis eigenlijk bestaat.
Vroman zou die technologische ontwikkeling vermoedelijk niet met wantrouwen hebben bekeken. Daarvoor was hij te veel wetenschapper. Hij wist hoe vruchtbaar onderzoek kan zijn en hoeveel schoonheid besloten ligt in de natuurwetenschappen. Maar hij zou ons waarschijnlijk ook hebben herinnerd aan een eenvoudig onderscheid: inzicht is nooit hetzelfde als begrip. Een algoritme kan verbanden ontdekken, maar het kent geen verwondering. Het kan een gedicht analyseren, maar niet ervaren waarom één enkele regel zich voor een leven lang in het geheugen nestelt.
Tijdens het lezen van Jongstra’s biografie moest ik steeds opnieuw denken aan mijn voordracht destijds van Scheppinkje. Dit gedicht dat ik als jongen uit mijn hoofd leerde, heeft mij mijn leven lang vergezeld. Niet omdat het grote antwoorden geeft, maar omdat het een vraag openlaat die nooit ophoudt actueel te zijn.
Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen
tot een gebaartje op mijn hand…
In die regels ligt de paradox van Vromans poëzie besloten. De dichter probeert het ongrijpbare even tastbaar te maken. Niet om het te bezitten, maar om het heel even nabij te brengen. Het beeld is bijna kinderlijk eenvoudig: een hand waarin het oneindige zich zou laten verzamelen. Maar juist daardoor is het zo aangrijpend. Wij weten al tijdens het lezen dat die poging onmogelijk is. De hand blijft leeg.
Toch is die leegte geen nederlaag. Zij is juist de open ruimte waarin betekenis kan ontstaan. Wie God volledig bezit, hoeft niet meer te zoeken. Wie een mens volledig begrijpt, hoeft geen biografie meer te schrijven. Wie een herinnering definitief vastlegt, maakt haar tot een archiefstuk. Maar het wezenlijke laat zich niet bezitten. Het blijft zich onttrekken, juist omdat het ooit to leven is gekomen. Vroman was een uitzonderlijk dichter die naar het leven keek met de verwondering van een kind dat al op jonge leeftijd biologie is gaan studeren. Weten en verwonderen raken bij hem nooit los van elkaar.
Toen ik Jongstra’s laatste bladzijde omsloeg, besefte ik dat zijn biografie niet alleen mijn beeld van Vroman had verdiept. Zij had ook mijn eigen herinneringen opnieuw in beweging gezet. De jongen die een gedicht voordroeg, de klasgenoten die hem tijdens een moeilijke periode een bundel toestuurden, de handtekeningen op een vergeelde titelpagina, de woorden die zich zestig jaar later nog altijd moeiteloos laten oproepen – dat alles vormden ineens geen grillig mozaïek meer van vrij zwevende herinneringen, maar het was één verhaal geworden dat tot stilte maant.
grote God
en nooit meer spreken
Dat waren ook de laatste woorden van het gedicht Scheppinkje. Die regels hebben door de jaren heen voor mij een vreemde lading gekregen. Ooit waren het de woorden van een jongen die bang was zijn tekst te vergeten. Later werden het de woorden van een volwassene die nadacht over herinnering, verlies en tijd. En uiteindelijk zijn het misschien wel woorden geworden die iets zeggen over iedere poging om betekenis vast te houden. De hand die God wilde omvatten blijft leeg. Het leven dat de biograaf wil vastleggen blijft onvolledig. De herinnering die wij willen bewaren verandert voortdurend. Maar juist daarin ligt misschien een geheim. De leegte betekent niet dat er niets is. Zij is de open ruimte waarin iets nieuws kan ontstaan.
Dat is wellicht de hoogste vorm van biografie die een dichter zich kan wensen: niet dat zijn leven volledig wordt beschreven, maar dat zijn woorden zich nestelen in het geheugen van een ander. Dat zij langzaam samenvallen met diens eigen herinneringen, totdat niet meer duidelijk is waar de dichter ophoudt en de lezer begint. Het is uiteindelijk ook de ware helikopterblik: niet de afstand van iemand die alles overziet, maar het inzicht dat alles met alles verbonden blijft. De dichter, de biograaf en de lezer bevinden zich niet boven het landschap, maar maken er deel van uit. Wij kijken naar het verleden, maar het verleden kijkt ook naar ons. Tot het moment dat ook dat eigen verleden niet meer spreekt… grote God.
