De ziekte van de hoogmoed

De vraag of Donald Trump geestelijk ziek is, lijkt op het eerste gezicht een psychiatrische vraag, maar al snel blijkt zij veel ingewikkelder te zijn. Wie probeert een diagnose op afstand te stellen, begeeft zich op glad ijs. Een psychische stoornis kan niet worden vastgesteld op basis van publieke optredens, tweets of politieke opvattingen alleen. Toch is er een andere vraag die wel degelijk gesteld kan worden: wat gebeurt er met de menselijke geest wanneer macht, bewondering en werkelijkheid steeds meer samenvallen? Kan macht zelf een toestand veroorzaken waarin de grens tussen zelfbeeld en werkelijkheid begint te vervagen?

De geschiedenis kent veel voorbeelden van leiders die door hun positie langzaam losraakten van de werkelijkheid. Romeinse keizers als Caligula en Nero zijn de klassieke voorbeelden, maar ook moderne dictators en machthebbers vertonen soms een opmerkelijke psychologische verandering zodra zij omringd worden door absolute gehoorzaamheid. De mens die ooit afhankelijk was van anderen, wordt plotseling iemand aan wie niemand meer durft tegen te spreken. De spiegel die hem wordt voorgehouden, toont dan niet langer zijn werkelijke gezicht, maar het beeld dat zijn omgeving van hem heeft gemaakt.

Voor dit verschijnsel bestaat een opmerkelijk begrip: het hubris-syndroom. De term werd in 2009 geïntroduceerd door de neuroloog David Owen en psychiater Jonathan Davidson om een specifieke persoonlijkheidsverandering bij machthebbers te beschrijven. Het gaat niet om een klassieke psychiatrische aandoening zoals die voorkomt in de DSM-5, maar om een toestand die ontstaat door de omstandigheden van extreme macht. De leider raakt overtuigd van zijn eigen uitzonderlijke betekenis, ziet kritiek als vijandigheid en gaat zijn persoonlijke lot vereenzelvigen met dat van het land of de organisatie die hij leidt. Hij beschouwt zichzelf niet langer als vertegenwoordiger van een gemeenschap, maar als de belichaming ervan.

Bij Donald Trump zijn verschillende kenmerken zichtbaar die aan dit patroon doen denken. Bij hem ontstaat soms de indruk dat tussen het landsbelang en zijn eigen persoon slechts een nuanceverschil bestaat. Wie hem tegenspreekt, lijkt al snel niet alleen hem, maar ook de natie tekort te doen. In die optiek verliezen instituties gemakkelijk hun functie als corrigerende macht en worden zij decorstukken die het verhaal slechts ondersteunen zolang zij hun rol naar behoren vervullen. De geschiedenis verschijnt daarbij niet zozeer als een rechter over zijn handelen, maar eerder als een biograaf die zijn aantekeningen alvast kan beginnen.

Toch is daarmee niet gezegd dat Trump door de macht veranderd is. Veel psychiaters wijzen erop dat bepaalde trekken die bij hem zichtbaar zijn — een sterke behoefte aan bewondering, een geringe tolerantie voor kritiek en een neiging om relaties vooral vanuit persoonlijk voordeel te beoordelen — al lang vóór zijn politieke carrière aanwezig waren. De macht heeft zijn persoonlijkheid misschien niet veroorzaakt, maar wel uitvergroot. Het presidentschap werd het decor waarin bestaande eigenschappen een ongekende omvang konden aannemen.

Daarmee komen we bij een veel fundamenteler probleem: de vraag waar de grens ligt tussen waan en werkelijkheid. Donald Trump  lijkt omringd door een hofhouding die zijn schijnwerkelijkheid voortdurend bevestigt. Medewerkers, bewonderaars en politieke bondgenoten versterken voortdurend het beeld van de grote leider die nooit verliest en altijd gelijk heeft. Nederlagen worden samenzweringen, kritiek wordt bewijs van vijandschap en feiten worden ondergeschikt gemaakt aan het verhaal dat moet worden verteld. Het wordt dan steeds moeilijker om vast te stellen waar de strategie eindigt en de overtuiging begint.

Dat probleem wordt zichtbaar in de enorme hoeveelheid aantoonbaar onjuiste of misleidende uitspraken die Trump heeft gedaan. Factcheckers hebben duizenden voorbeelden gedocumenteerd. Maar ook hier blijft de psychologische vraag ingewikkeld. Gelooft Trump werkelijk zijn eigen beweringen? Of gebruikt hij bewust onwaarheden omdat hij weet dat ze politiek effectief zijn? Het merkwaardige is dat het resultaat in beide gevallen hetzelfde kan zijn. De grens tussen manipulatie en overtuiging vervaagt.

Dat verschijnsel is niet nieuw. Ook bij totalitaire leiders uit het verleden is vaak de vraag gesteld of zij zelf geloofden in de mythen die zij verspreidden of dat zij slechts cynisch gebruikmaakten van de macht van leugens. Adolf Hitler bijvoorbeeld was zowel producent als gevangene van zijn eigen wereldbeeld. Een waan kan immers niet alleen een persoonlijke vergissing zijn; zij kan ook een sociaal systeem worden waarin duizenden mensen gezamenlijk gevangen raken.

Daarom is het te eenvoudig om waan te zien als het tegenovergestelde van rationaliteit. Een waan is vaak juist extreem logisch binnen zijn eigen gesloten systeem. Wie eenmaal uitgaat van bepaalde veronderstellingen, kan daaruit met grote consequentie conclusies trekken. Het probleem is niet dat de redenering ontbreekt, maar dat het uitgangspunt onaantastbaar is geworden. De werkelijkheid wordt niet langer gebruikt om overtuigingen te corrigeren; de werkelijkheid moet zich aanpassen aan de overtuiging.

De filosoof Steven Pinker heeft in zijn boek Rationaliteit (2021) gewezen op de gevaren van nepnieuws, complottheorieën en het verdwijnen van gedeelde waarheidscriteria. Hij benadrukt het belang van rationeel denken, statistiek en kritisch onderwijs. Maar de geschiedenis laat zien dat irrationaliteit niet simpelweg ontstaat door een gebrek aan opleiding of kennis. Het irrationele kan zich vermenigvuldigen dwars tegen elke wet van de ratio in. Zo ontstaat een toestand van de geest die vaak ten onrechte wordt gezien als een disfunctioneren van het rationele vermogen. Ook hoogopgeleide samenlevingen kunnen bezwijken voor collectieve illusies. De kracht van een waan ligt juist in het feit dat zij mensen betekenis geeft. Zij biedt een verhaal waarin alles verklaard kan worden en waarin toeval verandert in bedoeling.

Dat zou ook de kern kunnen zijn van het probleem rond Trump. Zijn succes berust niet alleen op de vraag of zijn uitspraken waar of onwaar zijn. Het berust op een verlangen naar een werkelijkheid waarin alles helder is, waarin schuldigen kunnen worden aangewezen en waarin één sterke leider orde brengt in een chaotische wereld. Zijn politieke kracht komt voort uit dezelfde menselijke behoefte waaraan mythen en religies altijd hebben voldaan: de behoefte aan een verhaal dat groter is dan de werkelijkheid zelf.

Nietzsche schreef ooit dat waarheden uiteindelijk metaforen zijn waarvan mensen vergeten zijn dat het in wezen metaforen zijn. Daarmee bedoelde hij niet dat alle feiten onbelangrijk zijn, maar dat mensen altijd leven binnen verhalen die zij gezamenlijk betekenis geven. Het gevaar ontstaat wanneer één verhaal zichzelf verheft tot de enige waarheid en geen ruimte meer laat voor twijfel.

Donald Trump is daarom niet alleen een psychiatrisch vraagstuk, maar ook een cultureel symptoom. Hij toont een samenleving waarin beeldvorming steeds vaker belangrijker wordt dan werkelijkheid, waarin de kopie soms overtuigender lijkt dan het origineel en waarin politiek steeds meer op theater gaat lijken. In die zin is  een man die zo lang hij de rol van de grote leider heeft gespeeld dat de vraag verdwenen is of hij de rol nog speelt of werkelijk geworden is wat hij beweert te zijn. De tragiek van zulke leiders is dat zij uiteindelijk gevangen raken in het paleis dat zij zelf hebben gebouwd.

In het geval van Trump is dat zijn eigen balzaal. Zolang de spiegels daarvan blijven spiegelen en het applaus blijft klinken, lijkt de illusie onaantastbaar. Maar vroeg of laat komt het moment waarop de werkelijkheid zich meldt. Dan blijkt niet alleen de machthebber kwetsbaar, maar ook de samenleving die zijn droomwereld mogelijk heeft gemaakt. De vraag is dan niet alleen: is Trump slachtoffer van zijn eigen hoogmoedswaan. De vraag die daaronder ligt, luidt als volgt. Waarom zijn zoveel mensen bereid om hem niet alleen te geloven, maar ook om samen met hem in dat waanpaleis te gaan wonen alsof het hun eigen geboortehuis is?

Verklaren kan ik het niet echt. Toch rest er voor mij slechts één conclusie. Hoogmoed is de basis van de autocratie, en hoogmoed berust in dit geval op een wat al te groot geloof in jezelf dat je niettemin op anderen weet over te dragen.