De waarheid is tijdelijk buiten gebruik

Vannacht was ik in Amsterdam, maar de stad herkende mij niet meer. Alle straten leken op elkaar en elke hoek bracht mij terug naar hetzelfde kruispunt. Zonder te weten hoe belandde ik in het patershuis van het Ignatiuscollege aan de Hobbemakade, het decor van mijn puberteit, die troosteloze jaren waarin Bonjour tristesse geen roman was maar een levensgevoel. Het gebouw stond verlaten. Alle deuren stonden open, maar niemand leek ooit nog van plan terug te keren. Op het eind van de lange gang lag het beeld van Ignatius naast zijn sokkel. Zijn hoofd was afgebroken en keek met glazige ogen omhoog, alsof ook de hemel inmiddels was opgeheven wegens bezuinigingen. ‘Ach, lieve Moederkerk,’ mompelde ik, ‘zelfs uw heiligen houden het niet meer vol.’

Ik liep de kapel binnen. Ook daar leek geen mens aanwezig. Toch hoorde ik iemand zingen. Een jonge mannenstem, helder als kristal en tegelijk vertrouwd, alsof ik hem mijn hele leven had gekend zonder ooit zijn naam te hebben geweten. ‘De Mensenzoon komt op de wolken ten overstaan van alle volken…’ Wie is de Mensenzoon? dacht ik. Mensenzoon? Zoon? Oon…? Alleen de laatste lettergreep bleef nog even hangen onder het gewelf voordat ook de echo haar geloof verloor. In de verte lonkte de zomer. Ik meende Liesbeth List een laatste chanson te horen neuriën, terwijl ergens een houtduif onverstoorbaar koerde: ‘Mijn opoe is dood… mijn opoe is dood…’ Daarna verbeterde hij zichzelf: ‘Nee, jouw opoe.’

Toen ik weer opkeek, zat de kapel opeens stampvol. Ik wist zeker dat zij een ogenblik tevoren nog leeg was geweest. Boven het altaar hingen televisiecamera’s aan lange zwenk-armen, alsof de wederkomst uitsluitend nog via een livestream mocht plaatsvinden. Eén camera draaide langzaam in het rond als een reusachtig wierookvat. Er kwam inderdaad rook uit, al kon het evengoed zijn dat de motor in brand stond. Op een scherm naast het altaar verscheen automatisch de ondertiteling van de liturgie. Bij ieder Amen meldde een algoritme: ‘Factcheck niet mogelijk.’ De mist werd zo dicht dat niemand elkaar nog kon zien. Toch bleef iedereen braaf naar het altaar kijken, alsof juist in het niets eindelijk iets te zien viel.

Toen de rook optrok, was de hele kerk weer leeg.

Via een zijdeur kwam ik in een kloostergang terecht. Achter de tralies van de cellen zaten nonnen die zich als prostituees hadden verkleed, of misschien waren het prostituees die zich als non hadden vermomd. Dat onderscheid leek inmiddels achterhaald. Eén van hen trok haar blonde pruik af. Daaronder bleek zij kaal te zijn, op één zorgvuldig gekrulde haarlok na, die als een laatste restant van een verbleekte ideologie over haar schedel was gelegd. Nieuwsgierig keek ik een cel binnen. Er stond een smal bed. Op de vloer lagen peuken naast een omgevallen fles cognac. In de hoek stond een bidstoel. Op een tafeltje lag een Bijbel naast een menselijke schedel. Uit de oogkassen kropen insecten met blauwgroene vleugels. Naast de schedel lag een slang te slapen. Uit zijn bek droop langzaam gif dat op de stenen vloer kleine Latijnse letters vormde. Het leek een pauselijke encycliek die nog geschreven moest worden.

‘Geef mij maar mystiek,’ dacht ik. Liefde is tenslotte niets anders dan een vergissing die weigert zich te laten corrigeren. Love is a dangerous drug. De non glimlachte. Ze had geen tanden meer. ‘Waarom kom je niet binnen?’ vroeg ze vriendelijk. Achter haar begon het crucifix langzaam te smelten. Eerst de voeten, toen de handen en tenslotte het gezicht. Christus droop in stilte naar beneden als kaarsvet. Op hetzelfde moment klonk ergens een mobiele telefoon. Het bleek de biechtstoel te zijn. Niemand nam op.

Ik draaide mij om. De kapel zat opnieuw vol. Nu stond er een zwijgende menigte achter mij. Niemand keek nog naar het altaar. Alle ogen waren op mij gericht, alsof ik degene was op wie al die tijd was gewacht. Buiten liep een voddenjood voorbij. Hij riep iets wat tegelijk op ‘Vodden!’ en ‘Moeder!’ leek. Misschien riep hij helemaal niets en was het alleen de wind die een Jiddisch accent had aangenomen. Achter hem reed geruisloos een vuilniswagen waarop in grote letters stond:‘Uw verleden wordt vandaag opgehaald.’

‘Motherfucker!’ schreeuwde ik.

Op datzelfde moment ontdekte ik dat ik naakt was. Zonder enige aanleiding kreeg ik een erectie, alsof mijn lichaam een eigen liturgie uitvoerde. Ik wierp mij tegen de dichtstbijzijnde muur en plantte mijn lans van vlees in het zachte zandsteen. De muur gaf mee als warm brooddeeg. Er klonk een diepe zucht uit het gebouw, alsof het Ignatiuscollege na zestig jaar eindelijk een orgasme bereikte. Meteen daarna begon alles te smelten. De gangen vloeiden over in de kapel, de kapel in de straat en de straat in een rivier van grijze verf. De klokken luidden achterstevoren. Regen viel omhoog. Kinderen knikkerden met hun eigen ogen. Een tram reed dwars door een boom zonder dat de boom daar bezwaar tegen maakte. Aan de overkant stond een man met een kartonnen bord waarop te lezen viel: ‘De waarheid is tijdelijk buiten gebruik.’ Niemand keek ervan op.

Vrijwel iedereen die ik daarna tegenkwam was dronken. Sommigen droegen hun hoofd onder de arm, anderen waren vergeten dat ze bestonden. Mijn moeder liep voorbij in haar oude rubberen corset. Ze groette mij niet. Misschien herkende ze mij niet. Misschien was zij het helemaal niet. Misschien was ik haar. Ik besloot naar huis te gaan, maar mijn huis bleek inmiddels eigendom van een herinnering die ik nooit had gehad. Op de voordeur hing een klein beeldscherm waarop in lichtgevende letters verscheen: ‘Uw droom is succesvol opgeslagen in de cloud.’ Daaronder volgde de vraag: ‘Wilt u deze herinnering delen?’ Ik zocht naar de knop Nee, maar die bleek om veiligheidsredenen te zijn verwijderd.