Links had het kunnen zijn, rechts is het toch geworden: ‘De waan van het schrijven. Harry Mulisch en de creatieve psychose’. De uiteindelijke keuze heeft heel wat voeten in de aarde gehad. De razendsnelle ontwikkeling van AI heeft mij in het afgelopen jaar steeds meer bezig gehouden. Daardoor ontstond er zoiets als een boek in een boek. Alsof je een boom plant in een de potgrond van een plantenbak. Die boom heb ik er uiteindelijk weer uitgehaald en de plant is blijven bestaan. Maar de problematiek bleef in wezen gelijk.
Door de opkomst van kunstmatige intelligentie verschijnen teksten tegenwoordig alsof zij zonder auteur zijn ontstaan. Taalmodellen produceren woorden in een eindeloze stroom, zonder bewustzijn en zonder innerlijk centrum. Dat roept nieuwe vragen op. Wat gebeurt er wanneer mensen hun diepste verlangens gaan spiegelen aan systemen die alleen nog taal teruggeven? Ontstaat er dan nieuwe vormen van waanwerkelijkheid, niet langer uitsluitend voortgebracht door een individu, maar door de interactie tussen mens en machine? Berichten over mensen die in langdurige gesprekken met chatbots gaan geloven dat zij een goddelijke opdracht hebben, laten zien hoe actueel deze problematiek inmiddels is geworden.
Dat is ook de reden waarom ik mijn manuscript uiteindelijk vrijwel ongewijzigd heb gelaten. Wat mij tijdens het schrijven steeds opnieuw trof, was dat de afloop van een psychose zich eindeloos uitstelt. Het verleden raakt nooit werkelijk voltooid. Er blijft iets bestaan dat telkens opnieuw om woorden vraagt in een poging om naar de oorsprong terug te keren. Ik weet niet of ik hierna ooit nog eens een boek zal publiceren. Het oorspronkelijke manuscript dat nu gaat verschijnen is tegelijk ook de laatste tekst die ik zonder hulp van AI heb geschreven. Mogelijk wordt het daarmee ook het afscheid van mijzelf als auteur. Hieronder – ook bij wijze van afscheid – volgt een tekst van mijzelf in de nieuwe gedaante die inmiddels is ontstaan: de groeiende symbiose tussen mijzelf en AI, als vooraankondiging van de komende waanzin van de machinemens.
***
Tijdens mijn zoektocht naar de betekenis van de psychose drong zich onverwacht een gedachte op die mij sindsdien niet meer heeft losgelaten. De psychotische ervaring vormt geen louter individuele ontsporing van de geest. Zij is tegelijk een onthullend model van een ontwikkeling die zich inmiddels op maatschappelijke schaal voltrekt. Wie een psychose doormaakt, ervaart vaak dat de vertrouwde grenzen van het bewustzijn beginnen te vervagen. Het onderscheid tussen binnen- en buitenwereld verdwijnt . Tijd en ruimte verliezen hun vanzelfsprekendheid. Toevallige gebeurtenissen lijken verborgen boodschappen te bevatten. Alles verwijst naar alles. Er ontstaat een overweldigend gevoel dat de gehele werkelijkheid één groot betekenisvol netwerk vormt waarin niets nog werkelijk toevallig is.
Lange tijd beschouwde ik deze ervaring uitsluitend als een psychiatrisch verschijnsel. Langzamerhand begon ik echter te vermoeden dat zij nog iets anders zichtbaar maakt. Niet omdat een psychose een hogere waarheid zou onthullen, maar omdat zij een psychische structuur blootlegt die inmiddels ook buiten de psychiatrie herkenbaar is geworden. Wat de psychotische mens in extreme vorm beleeft, bouwen wij vandaag met behulp van technologie langzaam om ons heen. De digitale wereld waarin wij dagelijks leven reproduceert, zonder het zo te noemen, een aantal fundamentele kenmerken van de psychotische ervaring. Niet haar hallucinaties of wanen, maar haar onderliggende structuur.
Die gedachte klinkt misschien provocerend. Toch is zij minder speculatief dan zij op het eerste gezicht lijkt. Wie de logica van de psychose naast die van de algoritmische samenleving legt, ontdekt een reeks opmerkelijke overeenkomsten. Het gaat daarbij niet om oppervlakkige analogieën, maar om dezelfde beweging: het verdwijnen van grenzen, de explosie van betekenis, het verdwijnen van de lege ruimte en uiteindelijk het oplossen van de Ander in een eindeloze spiegeling van onszelf.
De eerste overeenkomst betreft het vervagen van de grens tussen binnen en buiten.In een acute psychose brokkelt de ego-grens af. Waar een gezond bewustzijn voortdurend onderscheid maakt tussen het eigen innerlijk en de buitenwereld, valt dat filter gedeeltelijk weg. Gedachten worden niet langer als uitsluitend eigen ervaren, terwijl indrukken van buiten zich met een ongekende intensiteit opdringen. De psychoanalyse heeft deze toestand beschreven als een ontwrichtende variant van het oceaangevoel: een ervaring waarin het onderscheid tussen zelf en wereld tijdelijk oplost.
Opmerkelijk genoeg voltrekt zich in onze digitale cultuur een vergelijkbare beweging. Ook hier verdwijnt de grens tussen binnenwereld en buitenwereld. Onze verlangens, voorkeuren, angsten en verwachtingen worden onafgebroken geregistreerd, opgeslagen en geanalyseerd. Het netwerk leert ons kennen, voorspelt ons gedrag en spiegelt onze eigen verlangens vrijwel onmiddellijk naar ons terug. Het individu is daardoor steeds minder een afgesloten bewustzijn en steeds meer een knooppunt in een wereldomspannende stroom van data.
Waar grenzen verdwijnen, verandert onvermijdelijk ook de wijze waarop betekenis ontstaat. Een van de meest kenmerkende verschijnselen van de psychose is de ervaring dat alles betekenis heeft. Een nummerbord, een toevallige opmerking op straat, een televisiebericht of een voorbijrijdende auto lijken plotseling rechtstreeks tot de betrokkene te spreken. Toeval houdt op te bestaan. De werkelijkheid verandert in een gigantisch netwerk van verborgen verwijzingen.
Ook de algoritmische wereld produceert een vergelijkbare overdaad aan betekenis, zij het langs een technische weg. In een gepersonaliseerde omgeving bestaat immers nauwelijks nog toeval. Advertenties, aanbevelingen en nieuwsberichten zijn afgestemd op eerder gedrag en eerdere voorkeuren. Wie enkele minuten nadat hij over een vakantie heeft gesproken advertenties voor hotels op zijn scherm ziet verschijnen, ervaart een merkwaardige vorm van geïnstitutionaliseerde betrekkingswaan. Niet omdat het systeem zich tegen hem heeft gekeerd, maar omdat het de werkelijkheid zo vergaand personaliseert dat bijna alles uiteindelijk naar hemzelf lijkt terug te verwijzen.
Wanneer alles betekenis krijgt, verdwijnt vanzelf de lege ruimte waarin betekenis ooit kon ontstaan. Dat is misschien wel een van de meest ingrijpende overeenkomsten tussen de psychotische ervaring en de huidige algoritmische cultuur: het onvermogen om nog werkelijk iets open te laten. In een psychose verdwijnt de mogelijkheid om onzekerheid te verdragen. Waar een gezond bewustzijn ruimte laat voor twijfel, toeval en onverklaarde gebeurtenissen, vult de psychotische geest elke leegte onmiddellijk op. Een losse indruk wordt een aanwijzing, een vermoeden wordt een zekerheid, een samenloop van omstandigheden verandert in een patroon. Het bewustzijn verkeert daardoor in een voortdurende staat van waakzaamheid. De wereld laat zich niet meer op afstand bekijken, maar dringt zich op als een onafgebroken stroom van betekenissen.
Juist die afstand – die tussenruimte – is echter essentieel voor menselijke vrijheid. In de stilte tussen prikkel en reactie ontstaat reflectie. In verveling kan verbeelding ontstaan. In niet-weten kan inzicht groeien. De lege ruimte is geen tekort, maar een voorwaarde voor creativiteit. De Franse filosoof Paul Virilio heeft erop gewezen dat de moderne techniek deze tussenruimte steeds verder onder druk zet. De snelheid van communicatie en informatieverwerking heeft een cultuur voortgebracht waarin wachten bijna ondraaglijk is geworden. Elk moment kan worden gevuld, iedere stilte kan worden opgeheven, iedere vraag kan onmiddellijk worden beantwoord. Het algoritmische netwerk duldt nauwelijks nog een onbekende toekomst. Het voorspelt, adviseert en stuurt voortdurend op basis van wat al bekend is.
Daarin schuilt een paradox. De technologie die ons ongekende mogelijkheden biedt, verkleint tegelijkertijd de ruimte waarin iets werkelijk nieuws kan ontstaan. Het algoritme is immers een meester in het herschikken van het bestaande. Het kan patronen herkennen, verbanden leggen en overtuigende variaties produceren op wat al eerder is gemaakt. Maar juist omdat het gebaseerd is op het verleden, heeft het moeite met datgene wat nog geen verleden heeft. Echte creativiteit ontstaat vaak uit een breuk, uit een vergissing, uit een onverwachte wending. Zij komt voort uit de menselijke ervaring van tekort, twijfel en eindigheid. De machine kan deze elementen simuleren, maar zij kent ze niet van binnenuit. Zij kan een gedicht schrijven over verdriet, maar zij heeft zelf nooit een verlies ervaren. Zij kan spreken over de dood, maar kent haar eigen sterfelijkheid niet.
Daarmee komen we bij een beslissende overeenkomst: het verdwijnen van de Ander. De psychoanalyticus Jacques Lacan beschreef de psychose als een toestand waarin de symbolische orde haar regulerende kracht verliest. Die orde bestaat uit taal, regels, verschillen en afstanden: alles wat ervoor zorgt dat de mens niet volledig samenvalt met zijn eigen innerlijke wereld. Juist die afstand maakt ontmoeting mogelijk. De ander is werkelijk anders omdat hij niet volledig opgaat in mijn eigen voorstelling.
Wanneer die symbolische structuur wegvalt, dreigt het imaginaire de overhand te krijgen. Een mens raakt opgesloten in een wereld waarin alles zich rond hemzelf organiseert. Niet alleen wordt alles betekenisvol, ook alles lijkt betrekking op hem te hebben. Op maatschappelijk niveau zien we een verwante ontwikkeling in de algoritmische bubbel. Digitale systemen zijn ontworpen om onze aandacht vast te houden door ons steeds meer te tonen van wat aansluit bij onze voorkeuren. We krijgen niet langer een wereld voorgeschoteld waarin het vreemde, onverwachte of ongemakkelijke vanzelfsprekend aanwezig is, maar een zorgvuldig samengestelde omgeving die onze bestaande patronen bevestigt.
Zo ontstaat een merkwaardige vorm van collectieve zelfbespiegeling. Het netwerk lijkt ons met de wereld te verbinden, maar kan ons tegelijkertijd opsluiten in een steeds nauwkeuriger afgestemd spiegelbeeld van onszelf. De Ander – degene die werkelijk anders denkt, die weerstand biedt, die ons uit onze vanzelfsprekendheden haalt – raakt steeds verder uit beeld. Daarmee wordt de psychose niet de metafoor van een ontspoorde enkeling, maar een spiegel waarin onze cultuur zichzelf kan herkennen. De psychotische mens beleeft in zijn eentje een overweldigende verbondenheid van alles met alles. De digitale samenleving probeert een vergelijkbare eenheid te realiseren via kabels, schermen en algoritmen.
Het verschil is echter wezenlijk. De psychotische mens lijdt onder het verlies van controle over de betekenisstroom. Zijn wereld wordt te veel, te intens, te onmiddellijk. De gebruiker van het digitale netwerk ervaart daarentegen juist een gevoel van beheersing. De interface is vriendelijk, de technologie lijkt dienstbaar en de informatie komt precies op het juiste moment beschikbaar. Juist daarin ligt het gevaar: de sturing is niet verdwenen, maar onzichtbaar geworden. Met AI hebben we een omgeving gebouwd die steeds beter tegemoetkomt aan onze verlangens, maar daardoor ook steeds minder weerstand biedt. De wereld wordt een spiegel die voortdurend terugkaatst wat wij al zijn. De vraag is dan niet alleen wat de machine van ons overneemt, maar ook welke delen van onszelf wij vrijwillig aan haar toevertrouwen.
In dit licht krijgt de waarschuwing van Otto Scharmer bijzondere betekenis. In een interview in de NRC van gisteren spreekt hij over een toestand van ‘planetaire overweldiging’. De technologische versnelling heeft een niveau bereikt waarop onze menselijke schaal begint te wankelen. Het probleem is volgens hem niet dat machines op korte termijn bewustzijn zullen ontwikkelen. Het werkelijke gevaar ligt elders: dat mensen, in hun fascinatie voor hun eigen technologische schepping, langzaam de eigenschappen van machines gaan aannemen. ‘Het echte gevaar is niet dat machines op ons gaan lijken, maar dat wij op machines gaan lijken.’ Deze gedachte raakt aan de kern van de machinemens. De ideale mens van het algoritmische tijdperk dreigt een mens te worden die efficiënt, voorspelbaar, meetbaar en voortdurend geoptimaliseerd is. Niet de machine wordt menselijker; de mens wordt steeds meer aangepast aan de logica van de machine.
Scharmer spreekt in dit verband over een nieuwe vorm van cognitieve schuld. Wanneer wij ons denkwerk, onze verbeelding en onze taal steeds vaker uitbesteden aan generatieve AI, ontstaat het risico dat bepaalde menselijke vermogens verzwakken. We krijgen toegang tot een bijna onbeperkte hoeveelheid informatie, maar verliezen mogelijk het vermogen om zelf betekenis te vormen. We lijken steeds meer te weten, terwijl onze eigen innerlijke ruimte kleiner wordt. Tegenover kunstmatige intelligentie plaatst Scharmer daarom twee andere vormen van intelligentie. De eerste is organische intelligentie: de intelligentie die ontstaat uit lichamelijke aanwezigheid, empathie, aandacht en menselijke verbondenheid. Het is de kennis die niet in databestanden ligt opgeslagen, maar ontstaat in de ontmoeting tussen mensen.
Daarboven onderscheidt hij bronintelligentie: het vermogen om aan te voelen wat nog niet bestaat, maar wel mogelijk is. Het is de intelligentie van kunstenaars, vernieuwers en visionaire denkers. Niet het vermogen om sneller antwoorden te produceren, maar het vermogen om nieuwe vragen te laten ontstaan. Juist daar ligt misschien de werkelijke uitdaging van het tijdperk van AI. Niet hoe wij machines kunnen overtreffen in datgene waarin zij superieur zijn, maar hoe wij de vermogens kunnen ontwikkelen die niet tot berekening te reduceren zijn.
Dat vraagt om een andere opvatting van vooruitgang. Onderwijs, organisaties en overheden zouden volgens Scharmer niet alleen moeten investeren in technologie, maar ook in de sociale bodem waarin die technologie terechtkomt. Want zoals vruchtbare grond noodzakelijk is voor een gezonde oogst, zo is een gezonde sociale infrastructuur noodzakelijk om kunstmatige intelligentie ten dienste van de mens te laten werken. De machines betreden inmiddels het podium en nemen steeds meer van onze informatieverwerking over. Daarmee dwingen zij ons tot een fundamentele vraag: wat blijft er over van de mens wanneer efficiëntie niet langer onze belangrijkste onderscheidende eigenschap is?
Het antwoord ligt niet in onze rekenkracht, maar juist in onze kwetsbaarheid. In ons vermogen geraakt te worden. In het verlangen naar wat nog niet bestaat, in het verdriet om wat verloren ging, in het vermogen een ander mens werkelijk te ontmoeten. De toekomst van het verschijnsel mens ligt daarom niet besloten in de kille alwetendheid van de techniek, maar in het levende, onvoorspelbare en soms gebroken mysterie van het menselijk bestaan.
