Alweer bijna dertig jaar geleden verongelukte Prinses Diana. Bij haar dood werd opeens duidelijk hoe televisie en emotie een monsterverbond aan kunnen gaan met de massa. Het was de laatste zondag van augustus in 1997 toen ik het nieuws hoorde. Ik klom meteen in de pen en schreef een tekst die de volgende dag in de Leeuwarder Courant verscheen. Die dag had ik blijkbaar een voorspellende gave want aan het slot van mijn betoog verwees ik naar het lied dat Elton John ooit schreef over de dood van Marilyn Monroe: Like a candle in the wind. Ik kon die zondag onmogelijk weten dat dit lied vijf dagen later – in aangepaste versie – door diezelfde Elton John bij de uitvaartdienst gezongen zou worden.
Leeuwarder Courant, 1 september 1997
Maar er was nog iets waar ik op wees. De oude religieuze structuren in onze samenleving waren veranderd. De transcendentie was dan weliswaar verdwenen, maar in de stratosfeer van de massamedia werden vreemde patronen zichtbaar die tegelijk oude vertrouwde trekken vertonen: de hedendaagse heilige, de martelaar van de media en wellicht – wat nog zou volgen – een virtuele Verlosser. Iedereen leek er bij betrokken te zijn. Ook bij het zien van de tv-registratie vanb= de uitvaart besefte ik dat de grote rituelen nog niet verdwenen waren. Ze hadden alleen een andere gedaante aangenomen. Het heilige had zich niet teruggetrokken uit de wereld, maar zich verplaatst naar plekken waar wij het niet altijd meer als zodanig herkennen.
Ook een andere media-gebeurtenis als Serious Request – dat in zeven jaar later in 2004 van start ging – vormde daar een treffend voorbeeld van. Een glazen huis midden in de stad, drie dj’s die zich vrijwillig laten opsluiten, een week lang voortdurende aandacht van radio, televisie en internet, duizenden mensen die samenkomen rond een gemeenschappelijk doel: het had alle kenmerken van een modern seculier ritueel. Het was geen religieuze plechtigheid in traditionele zin, maar de structuur ervan vertoonde opmerkelijke overeenkomsten met oudere vormen van religieuze beleving. Er was een offer, er was een gemeenschap, er was een gedeelde emotie en er was een podium waarop het lijden zichtbaar werd gemaakt.
De figuur van de priester had plaatsgemaakt voor de mediapersoonlijkheid. Niet langer stond iemand namens God tussen hemel en aarde, maar iemand namens de gemeenschap tussen publiek en gebeurtenis. De presentator legde uit waar het om ging, gaf betekenis aan de beelden en zorgde ervoor dat de collectieve emotie in de juiste banen werd geleid. Waar vroeger het ritueel verwees naar een hogere werkelijkheid, verwees nu het media-ritueel naar een morele gemeenschap die zichzelf in vebondenheid wilde ervaren.
Daarmee werd een merkwaardige ontwikkeling zichtbaar. De hedendaagse mens heeft grotendeels afscheid genomen van religieuze instituties, maar niet van de behoefte aan rituelen. Het verlangen naar momenten waarop een samenleving zichzelf kan herkennen, is gebleven. Alleen de vorm is veranderd. Het sacrale heeft zich verplaatst van de kerk naar het publieke domein van televisie en internet. De samenleving creëert haar eigen momenten van verbondenheid, waarbij niet langer God maar de gezamenlijke ervaring het middelpunt vormt.
Deze ontwikkeling werd al in de jaren negentig beschreven door denkers die zich bezighielden met de terugkeer van het ritueel in een ogenschijnlijk onttoverde wereld. De dood van prinses Diana was in dat opzicht een keerpunt. De enorme stroom van bloemen, brieven en publieke emoties die daarop volgde, had veel weg van een religieuze rouwplechtigheid zonder kerkelijk middelpunt. Ook de opkomst van stille tochten na maatschappelijke drama’s liet zien dat mensen behoefte bleven houden aan symbolische handelingen waarmee verdriet, boosheid of verbondenheid een plaats konden krijgen. De samenleving had geen gemeenschappelijke geloofstaal meer, maar vond nieuwe vormen om collectieve gevoelens uit te drukken.
De media werden niet alleen een middel om gebeurtenissen te verspreiden, maar namen ook functies over die vroeger door religieuze rituelen werden vervuld. Door miljoenen mensen op hetzelfde moment naar dezelfde beelden te laten kijken, ontstond een gedeelde werkelijkheid. Het nieuws kreeg een bijna mythische dimensie. Gebeurtenissen werden niet alleen geregistreerd, maar ook geïnterpreteerd en voorzien van symbolische betekenis. De wereld veranderde daardoor steeds meer in een podium waarop wij gezamenlijk naar onszelf kijken. Wat niet op het scherm verschijnt, lijkt nauwelijks te bestaan. Het moderne ritueel heeft daarom een merkwaardige eigenschap: het voltrekt zich niet alleen in de werkelijkheid, maar vooral ook in de blik van degenen die ernaar kijken op tv. We zien graag samen hetzelfde en waarderen het ook om door allen gezien te worden
Daarmee zijn we terug bij Big Brother. Ook dat televisieprogramma – dat in 1999 van start ging – maakte deel uit van het grote keerpunt. Voor het eerst werd het dagelijks leven zelf tot een massa spektakel gemaakt. Mensen werden opgesloten in een huis en hun gewone handelingen werden het onderwerp van massale observatie. Er gebeurde ogenschijnlijk niets bijzonders, en juist dat werd interessant. Het alledaagse leven werd theater. Big Brother liet daarmee iets zien wat later overal zou terugkeren: een mens die zichzelf vrijwillig zichtbaar maakt. De camera was niet langer alleen een instrument van controle, maar ook een middel om te bestaan. Letterlijk gezien worden door iedereen werd een vorm van erkenning van het eigen bestaan.
In diezelfde geest bedacht ik samen met Gerard Tonen – destijds directeur van Schouwburg De Harmonie – in 2001 het project Byld-Brother, een kunstproject waarin kunstenaars tijdelijk zouden worden opgesloten in een glazen atelier in de foyer van de Leeuwarder schouwburg. Het plan was eenvoudig en tegelijk typerend voor die overgangstijd. Camera’s zouden het creatieve proces voortdurend volgen. Het publiek kon via internet meekijken, reageren en contact onderhouden met de kunstenaar. Het atelier werd een glazen ruimte waarin niet alleen het kunstwerk, maar ook het ontstaan ervan onderwerp van observatie werd. Gerard Tonen vertrok en het project ging niet door, maar Keest ’t Hart nam het idee in 2002 in vereenvoudigde vorm uiteindelijk op in een groot kunstproject dat in het Fries Museum plaatsvond.
De kunstenaar werd in dit project een soort seculiere kluizenaar. Hij trok zich terug uit de wereld, maar zou tegelijkertijd volledig zichtbaar worden. De afzondering werd een vorm van openbaarheid. Het creatieve proces veranderde in een ritueel dat door de blik van anderen zijn betekenis kreeg. Niet alleen het eindresultaat telde, maar vooral de voortdurende aanwezigheid voor het oog van het publiek. Achteraf bezien was Byld-Brother een kleine voorstudie van de wereld waarin wij nu leven. De sociale media hebben de logica ervan volledig overgenomen. Iedereen beschikt tegenwoordig over een eigen glazen huis. Iedereen kan zichzelf uitzenden, documenteren en presenteren. De grens tussen privé en publiek is steeds poreuzer geworden. Het individu is tegelijk bewoner en bewaker van zijn eigen digitale ruimte.
Daarmee verschijnt een nieuwe gedaante van ‘Big Brother is watching you‘. Niet langer is deze seculiere, alomtegenwoordige God de externe controleur die ons bespiedt. Hij is ook het systeem waarin wij dagelijks zelf deelnemen omdat wij gezien willen worden. De camera buiten ons en de camera in onszelf zijn samengevallen. Wij controleren niet alleen anderen; wij leren onszelf voortdurend bekijken door de ogen van een denkbeeldig publiek. Het oude religieuze Alziende Oog heeft daarmee een opmerkelijke metamorfose ondergaan. Het is niet verdwenen, maar gedigitaliseerd. Het kijkt niet meer vanuit de hemel neer op de mens, maar verschijnt in de vorm van schermen, databanken en algoritmen. Het vraagt niet langer of wij goed of slecht hebben gehandeld, maar registreert eenvoudigweg wat wij doen. Het oordeel heeft plaatsgemaakt voor analyse.
Toch blijft de behoefte achter al deze systemen dezelfde: de behoefte aan orde, betekenis en verbondenheid. Een mens verdraagt de chaos van het bestaan moeilijk zonder symbolische structuren. Waar vroeger religie een kosmische orde bood, bieden nu media en technologie een nieuwe vorm van samenhang. Het verschil is alleen dat het nieuwe heilige niet meer boven ons staat, maar zich overal om ons heen bevindt.
De grote vraag is daarom niet of het Alziend Oog terug is. Hij is nooit verdwenen. Hij heeft alleen geleerd zich aan te passen aan een wereld waarin niemand nog gecontroleerd, maar bijna iedereen graag gezien wil worden. De nieuwe Big Brother draagt geen uniform en spreekt geen dreigende taal. Hij verschijnt ook niet als goddelijke Mensenzoon op de wolken. Hij verschijnt als een onweerstaanbare uitnodiging om deel te nemen aan de nieuwe religieuze rituelen. En daarin schuilt zijn grootste macht. Sterker nog: zijn almacht.


