
‘We onderkennen tenslotte dat onze verlangens en ons genot, waaraan voldaan kan worden door de hedendaagse kunstproductie, de geheimste en betrouwbaarste instrumenten van de hedendaagse ideologie zijn: de gehechtheid aan de esthetische behoefte en het esthetische genot waarborgen de continuering van onze archaïsche wijze van perceptie en ons cognitieve gedrag, net als in alle andere gevallen waarbij er van een superstructuur sprake is (de wet, de moraal, het geloof, het gezin en de opvattingen over seksualiteit).’
De gehechtheid aan de esthetische behoefte is een superstructuur. Deze rake typering van de Amerikaanse kunstcriticus Benjamin H.O. Buchloh is ontleend aan zijn bijdrage aan de bundel L’Exposition Imaginaire (1989), een verzameling teksten van curatoren, kunstenaars en critici die destijds een denkbeeldige tentoonstelling mochten concipiëren. Met het begrip superstructuur greep Buchloh terug op de maatschappijkritische terminologie van Marx. De superstructuur omvat de ideologische verschijnselen – kunst, religie, recht, moraal – die de onderliggende economische orde helpen legitimeren. Met zijn bewering dat de gehechtheid aan esthetisch genot zelf een superstructuur is, bedoelde hij dat onze behoefte aan schoonheid geen onschuldige, universele menselijke eigenschap is. Die behoefte wordt historisch en maatschappelijk gevormd en kan functioneren als een ideologisch mechanisme dat bestaande machtsverhoudingen bevestigt.
Dat maakte zijn bijdrage aan het boek L’Exposition Imaginaire opmerkelijk. In plaats van een denkbeeldige tentoonstelling als esthetische utopie te beschrijven, greep hij de gelegenheid aan om de ideologische functie van tentoonstellingen zelf te analyseren. Het fenomeen ‘tentoonstelling’ was voor hem geen neutrale presentatie van kunstwerken, maar een mechanisme dat culturele waarden legitimeert. Waar Buchloh nog de esthetische behoefte analyseerde als een ideologische superstructuur, kun je stellen dat die behoefte inmiddels is opgegaan in een veel bredere beleveniseconomie. Niet alleen schoonheid, maar de permanente productie van beleving, aandacht en genot is de nieuwe superstructuur geworden. In dat opzicht vormt Buchloh’s analyse uit 1989 een profetische diagnose van de wereld van sociale media, algoritmen en generatieve AI waarin we nu leven.
Een jaar voordat Buchloh zijn essay schreef, verscheen Walter de Rochebrune op het toneel. Dat was in 1988, in het tv-programma Keek op de Week, vertolkt door Wim de Bie. De Rochebrune was een voormalig mijnbouwkundig ingenieur die na de sluiting van de Limburgse mijnen zijn toevlucht had gezocht tot het tuinhuisje van zijn moeder. Daar leefde hij tussen een petroleumstel, vergeelde paperassen en een voorraad houdbare levensmiddelen, wachtend op een onvermijdelijke catastrofe. Vanuit dat tuinhuisje — een soort filosofische bunker — hield hij zijn beschouwingen over de toestand van de wereld. Hij sprak met de ernst van iemand die de complete wereldgeschiedenis nog eens had doorgenomen voordat hij de vuilnis buiten zette. Hij strooide met verwijzingen naar filosofen, natuurwetenschappers en obscure rapporten. Zijn redeneringen waren even geleerd als onnavolgbaar; je wist nooit of hij een genie of een zonderling was. Waarschijnlijk was hij het allebei.
Het thema van Walter de Rochebrune was vrijwel altijd hetzelfde: de beschaving verkeerde in een terminale fase, maar niemand had het in de gaten. De consumptiemaatschappij, de Koude Oorlog, kernwapens, milieuvervuiling, taalverloedering en de verdwijnende autonomie van de burger — alles hing met alles samen. Dat klonk destijds als vermakelijk cultuurpessimisme. Achteraf bezien had hij het misschien minder mis dan we dachten. Juist doordat hij zich vrijwillig had teruggetrokken, kon hij de maatschappij scherper waarnemen. Terwijl Nederland zich gezellig voor de tv verzamelde, koos De Rochebrune voor het tuinhuisje als een ultieme afzondering als afweer tegen de alom oprukkende mediamaatschappij en de teloorgang van het privédomein
Ik vermoed dat De Rochebrune de gedachtegang van Buchloh onmiddellijk zou hebben onderschreven, zij het wellicht in de vorm van een ingewikkelde uiteenzetting over de geometrische verhouding tussen geraniums, schuilkelders en de ondergang van het Avondland. Hij zou wederom spreken over de archeologie van de waanzin en zou waarschijnlijk hoofdschuddend hebben vastgesteld dat de mensheid inmiddels vrijwillig haar eigen observatiepost is binnengewandeld. Een ontwikkeling waarvoor hij destijds al uit voorzorg vluchtte naar een tuinhuisje zonder wifi. No wifi, no wife. Senza Madonna. Ich bin auch ein Big Brother… wie zei dat ook al weer? De binnenwereld wordt steeds meer een schijnwereld. De buitenwereld rukt steeds verder op.
Straks is er helemaal geen binnenwereld meer over, en denken we dat alles buiten ons om gebeurt. Alles – ook de dood – wordt dan verklaarbaar volgens de wetten van de buitenwereld. We naderen een tijd waarin niemand nog volledig toerekeningsvatbaar is. De vrije wil verdwijnt, en daar zijn wij in feite doodsbang voor. Het gebeurt gewoon, maar we willen het niet. De hersenwetenschap is de wetenschap van de buitenwereld die de binnenwereld is binnengedrongen en deze steeds meer in bezit zal nemen. De kans is niet denkbeeldig dat zelfs de liefde zal verdwijnen met het besef dat wij slechts ons brein zijn. De liefde die als geen ander fenomeen ons telkens weer herinnert aan een wereld die groter is dan de wereld die wij als werkelijkheid menen te kennen
Hoe dan ook, sinds het essay van Buchloh in 1989 is er inderdaad iets fundamenteels veranderd. De komst van het tv-programma Big Brother in 1999 was een symptoom van het kantelende begrip ‘surveillance’. Waar George Orwell in zijn boek 1984 een dystopie beschreef waarin mensen werden gedwongen zich bekeken te weten, boden mensen zichzelf in Big Brother vrijwillig aan als object van observatie. Zichtbaarheid werd erkenning; de camera veranderde van controle-instrument in een instrument van verlangen. Destijds leek het amusement: een groep onbekenden liet zich vrijwillig dag en nacht filmen. Toch markeerde het een kantelpunt. Sindsdien verhuisde de camera van de tv-studio naar onze broekzak. Smartphones, sociale media en slimme horloges registreren vrijwel elk aspect van ons leven. Tegenwoordig dragen wij Big Brother met ons mee en voeden hem zelf met foto’s, locaties en voorkeuren.
Wat zich heeft voltrokken is meer dan een technologische revolutie; het is een verandering van ons wereldbeeld. Gemak heeft daarbij de plaats ingenomen van wantrouwen. De macht hoeft zich niet langer te legitimeren door geweld of ideologie; zij verschijnt als dienstverlening. Navigatie-apps wijzen routes, streaming-diensten raden films aan en taalmodellen maken zinnen af voordat we ze zelf hebben bedacht. De techniek lijkt ons tegemoet te komen, terwijl zij ongemerkt onze horizon afbakent. Iedere uitbreiding van onze mogelijkheden gaat gepaard met een uitbreiding van de systemen die ons registreren. Vrijheid en controle groeien niet tegen elkaar in, maar met elkaar mee.
Met de opkomst van de kunstmatige intelligentie bereikt Big Brother een nieuw stadium. De oude Big Brother keek toe, de digitale verzamelde gegevens, de algoritmische voorspelde gedrag. Maar de generatieve Big Brother doet iets wat voorheen uitsluitend aan de mens toebehoorde: hij produceert betekenis. In de AI-maatschappij beschikt de machine over het vermogen om uit historische data nieuwe teksten, beelden en ideeën te genereren. Digitale beelden functioneren niet langer als vensters op de werkelijkheid, maar als oppervlakken waarin informatie wordt gecodeerd. Met generatieve AI ontstaat het beeld uit een dialoog tussen mens en machine middels een prompt.
De auteur verschuift van maker naar regisseur van mogelijkheden. Wie de infrastructuur van de verbeelding beheerst, bezit een diepere vorm van macht dan degene die alleen het gedrag controleert. Het gevaar is niet direct dat machines menselijk worden, maar dat een mens langzaam machine-achtig gaat functioneren: efficiënt, meetbaar, voorspelbaar en voortdurend verbonden. De ‘machinemens’ slaat zijn geheugen op in de cloud, laat zijn aandacht sturen door algoritmen en zijn verbeelding aanvullen door AI. Bovendien lijkt deze nieuwe gedaante van Big Brother niet alleen naar ons; hij leest ons. Hij berekent ons gedrag en voorspelt onze keuzes.
De controlemaatschappij waarvan Michel Foucault en Gilles Deleuze al de contouren schetsten, is een algoritmische samenleving geworden waarin observatie plaatsmaakt voor voorspelling. Macht berust niet langer op dwang, maar op waarschijnlijkheid. Zij spreekt niet in de verheven taal van religie of politiek, maar verschijnt als gemak, personalisering en gebruiksvriendelijkheid. Niet de censuur vormt haar belangrijkste instrument, maar de suggestie. Juist daarin schuilt de actualiteit van Buchlohs inzicht: macht verschuilt zich in onze verlangens. waaraan voldaan kan worden door de hedendaagse kunstproductie. Wij verlangen naar zichtbaarheid, verbinding en permanente bevestiging. De esthetiek van het kunstwerk heeft plaatsgemaakt voor de esthetiek van de interface.
Welke rol blijft er in dit krachtenveld nog over voor de kunst? Iedere nieuwe techniek riep ooit de vrees op dat menselijke creativiteit overbodig zou worden — de fotografie leek het einde van de schilderkunst, de film het einde van het theater. Toch vernietigden nieuwe media de oude vormen niet, maar dwongen ze tot herbezinning. Een kunstwerk is niet enkel een product dat een effect veroorzaakt, het is het spoor van een ontmoeting tussen een mens en de wereld. Een algoritme kan een beeld van verdriet genereren, maar het heeft nooit verdriet gekend. Menselijke creativiteit is intrinsiek verbonden met onze eindigheid. Een mens maakt kunst omdat hij sterfelijk is, omdat ervaringen verdwijnen en herinneringen vervagen.
De werkelijke toekomst van de kunst ligt daarom alleen nog in het herontdekken van datgene wat niet geautomatiseerd kan worden: niet snelheid of perfectie, maar vertraging, twijfel en kwetsbaarheid. In een wereld van overvloed wordt de kunstenaar een gids die onze blik vertraagt. Kunst gaat fungeren als een vorm van bewustzijnskritiek die zich verzet tegen de vanzelfsprekendheid waarmee de technologie onze ervaring organiseert. Zo toont de geschiedenis van Big Brother een verschuivende grens: van een externe macht die waakt, naar een netwerk dat voorspelt, tot een technologie die mede vormgeeft aan wat wij denken en verlangen.
Vrijheid wordt in deze context niet langer bedreigd door dwang, maar door verleiding. Het algoritme presenteert ons een wereld die voortdurend op onze eerdere keuzes is afgestemd. Daardoor dreigt het domein van het onbekende — de toevallige ontmoeting, de onverwachte gedachte — steeds kleiner te worden. Hierin schuilt ook de essentie van de hedendaagse levenskunst: het is een oefening in aandacht. Aandacht is schaars geworden in een cultuur die voortdurend vraagt om onmiddellijke respons. Het algoritme verkeert uitsluitend in het absolute heden van de datastroom. Een mens daarentegen draagt een verleden met zich mee en richt zich op een open toekomst. Zijn bewustzijn is geen databank, maar een steeds veranderend verhaal.
In dat perspectief krijgt de titel van mijn blog van vandaag een dubbele betekenis. De archeologie van de waanzin is tegelijk de eeuwige wederkeer van Big Brother. Niet alleen een waarschuwing voor controle en verlies van vrijheid, maar ook als een spiegel waarin en mens zichzelf opnieuw kan herkennen. De automaten dwingen ons om andermaal te formuleren wat wij altijd als vanzelfsprekend hebben beschouwd. Wat maakt een mens menselijk nu alle fraaie decorstukken worden weggehaald waarmee het humanisme het podium voor ons ooit heeft bekleed. De machines betreden steeds meer het kale toneel van wat er nog over is gebleven voor ‘de’ mens? ‘
Alleen al dat akelige woordje ‘de’ voor ‘mens’ is een anachronisme geworden. Wat overblijft is zeker niet zijn intelligentie en ook niet zijn vermogen om informatie te verwerken. Misschien zelfs niet zijn creativiteit in de traditionele zin van het woord. Het menselijke zit uiteindelijk in iets kwetsbaarders: in het vermogen geraakt te worden door het lot van andere mensen. In het vermogen ook om te herinneren wat voorbij is, te verlangen naar wat nog niet bestaat en betekenis te vinden in datgene wat nooit volledig kan worden verklaard. De dageraad van de automaten hoeft daarom niet noodzakelijk het einde van het verschijnsel ‘mens’ te betekenen.
Maar deze dageraad markeert mogelijk ook een nieuw begin. Niet de machine die mens wordt, maar mensen die opnieuw ontdekken dat alleen zij nog echt ‘mens’ kunnen zijn. Tenminste, als er nog ruimte wordt gevonden om voor die mogelijkheid ook daadwerkelijk een vorm te vinden.
(Dit was weer de korte overdenking voor vandaag van dorpspastoor Mous)