Ik ben er niet meer helemaal zeker van of ik zelf wel ben die mijn weblog schrijft. Dat klinkt als het begin van een zorgwekkend verhaal, maar in feite is het een tamelijk praktische constatering. Wie jarenlang teksten produceert, merkt op een gegeven moment dat de schrijver en degene die schrijft niet altijd meer dezelfde persoon zijn. Er ontstaat een merkwaardige afstand tussen de man achter het toetsenbord en de figuur die uit zijn teksten naar voren komt. De eerste drinkt koffie, zoekt zijn bril en vraagt zich af waar hij zijn sleutels heeft gelaten. De tweede heeft overal een mening over en formuleert zinnen alsof hij zijn hele leven op de komst van dit ene moment heeft gewacht.
Dat verschil wordt groter naarmate de teksten zich opstapelen. Een weblog is geen dagboek dat netjes het leven weerspiegelt. Het is eerder een parallel universum waarin een tweede versie van de schrijver rondloopt. Deze digitale dubbelganger is niet noodzakelijkerwijs wijzer of interessanter, maar hij heeft wel het voordeel dat hij altijd het laatste woord heeft. Hij kan jaren later terugkomen op iets wat de schrijver allang vergeten is. Hij bewaart overtuigingen die inmiddels zijn verdwenen en herinneringen die nooit helemaal hebben bestaan. Het internet heeft daarmee een merkwaardige eigenschap gekregen: het maakt van de mens een archief van zichzelf.
De vraag wie ik eigenlijk ben, wordt daardoor steeds ingewikkelder. Ben ik degene die ik denk dat ik ben? Ben ik degene die anderen in mij zien? Of ben ik vooral de verzameling teksten, foto’s en digitale sporen die ik door de jaren heen heb achtergelaten? Het antwoord ligt waarschijnlijk ergens tussen deze mogelijkheden in. Een mens is tegenwoordig niet langer één persoon, maar een kleine familie van versies die elkaar voortdurend in de weg zitten. Er is de biologische versie die ouder wordt, de sociale versie die zich aanpast en de digitale versie die onvermoeibaar doorgaat alsof tijd slechts een hinderlijke technische beperking is.
Dat laatste heeft iets geruststellends en iets verontrustends tegelijk. Een weblog lijkt op een roman waarvan de hoofdpersoon niet weet dat hij een personage is. De schrijver denkt dat hij zichzelf uitdrukt, maar ondertussen ontstaat er een figuur die zijn eigen logica ontwikkelt. Wie schrijft, neemt altijd een houding aan. Zelfs wanneer hij beweert volkomen eerlijk te zijn, kiest hij een perspectief. De werkelijkheid wordt niet weergegeven, maar bewerkt. Iedere tekst is een kleine ingreep in de werkelijkheid, een poging om orde te scheppen in de chaos van ervaringen.
Dat geldt zeker op internet, waar iedere gedachte onmiddellijk een openbaar bestaan krijgt. Een zin die ooit alleen bedoeld was voor het eigen bureau, belandt plotseling in de openbaarheid. Hij krijgt lezers die de schrijver niet kent en betekenissen die hij niet heeft voorzien. De auteur laat zijn woorden los en ontdekt vervolgens dat woorden uitstekende wandelaars zijn. Ze trekken eropuit zonder toestemming te vragen en komen soms terug als vreemdelingen die beweren familie te zijn.
Het merkwaardige is dat de schrijver op internet tegelijk almachtig en machteloos is. Hij beheert zijn eigen kleine universum, maar hij heeft geen controle over wat er buiten dat universum gebeurt. Hij kan een tekst plaatsen, verwijderen, aanpassen of negeren, maar zodra een woord eenmaal de digitale ruimte is ingestuurd, begint het een eigen leven te leiden. In dat opzicht lijkt een weblog op een moderne vorm van magie. De schrijver spreekt een formule uit en ergens ver weg begint iets te bewegen.
Daarmee is de oude droom van almacht op een merkwaardige manier werkelijkheid geworden. Niet omdat de mens werkelijk machtiger is geworden, maar omdat hij een wereld heeft geschapen waarin hij voortdurend aanwezig kan zijn. Hij kan zichzelf laten verschijnen wanneer hij wil. Hij kan zijn verleden herschrijven, zijn gedachten ordenen en zijn bestaan voorzien van een doorlopende commentaarstem. Hij is zijn eigen verteller geworden.
Maar daarmee ontstaat ook een wonderlijk probleem. Wie is het eigenlijk die uiteindelijk aan het woord is? Is de ‘ik’ die beweert dat hij ‘ik’ is eigenlijk wel ‘ik’? De oude religies hadden daar een eenvoudige oplossing voor. Er was een God die alles zag. Het Alziend Oog bevond zich boven de wereld en hield toezicht op het handelen van de mens. Voor kinderen was dat soms een akelige gedachte. God zag niet alleen de grote zonden, maar ook de kleine misstappen die volwassenen liever niet benoemden. Het universum beschikte over een onzichtbare toezichthouder die niets vergat en overal van wist.
Dat idee is verdwenen, maar niet helemaal verdwenen. Het heeft slechts een andere gedaante aangenomen. Het Alziend Oog is verhuisd van de hemel naar de cloud. Waar vroeger God alles wist, weten nu databanken alles. Waar vroeger de engelen het grote boek bijhielden, zorgen tegenwoordig servers ervoor dat niets verloren gaat. Het verschil is vooral technisch. De behoefte aan een allesziende instantie blijkt hardnekkiger dan de instantie zelf.
Ik heb afscheid genomen van God, maar niet van het verlangen om alles vast te leggen. Integendeel. Ik leef in een tijd waarin het bewaren belangrijker lijkt te zijn geworden dan het beleven. Iedere gebeurtenis krijgt onmiddellijk een digitale afdruk. Een reis wordt pas werkelijk wanneer er foto’s van bestaan. Een ervaring krijgt pas betekenis wanneer zij gedeeld kan worden. Het leven wordt niet alleen geleefd, maar ook voortdurend opgeslagen.
Het resultaat is een merkwaardige omkering. Als kind was ik bang dat God alles zag. Tegenwoordig zorg ik er zelf voor dat alles gezien kan worden. En dat doet haast iedereen. We geven onze locatie door, bewaren onze foto’s in de cloud, laten onze zoekgeschiedenis analyseren en accepteren zonder veel nadenken voorwaarden die niemand ooit leest. De hedendaagse mens is niet langer het slachtoffer van een alziend oog. Hij is de vrijwillige leverancier geworden van het materiaal waarmee dat oog wordt gevoed.
Het wonderlijke is dat deze ontwikkeling doorgaans nauwelijks als een verlies wordt ervaren. Integendeel, veel mensen ervaren de toenemende aanwezigheid van techniek juist als een vorm van bevrijding. Het geheugen kan worden uitbesteed aan apparaten, de oriëntatie aan navigatiesystemen en het nemen van beslissingen aan algoritmen die sneller rekenen dan een mens ooit zou kunnen. De techniek neemt steeds meer kleine onzekerheden uit het dagelijks leven weg. Dat lijkt alleen maar winst. Wie wil er immers nog verdwalen als een vriendelijke stem uit een kastje precies kan vertellen waar je heen moet? Wie wil zich nog druk maken over een vergeten afspraak als de telefoon al drie dagen van tevoren waarschuwt dat je ergens verwacht wordt?
Toch schuilt juist daarin een merkwaardige omkering. De techniek die ons verlost van allerlei ongemakken, neemt ongemerkt ook steeds meer taken over die vroeger behoorden tot het domein van de menselijke verantwoordelijkheid. Wij hoeven minder te onthouden, minder te beslissen en minder te vertrouwen op ons eigen oordeel. Het systeem kijkt mee, registreert en corrigeert. Het doet dat niet uit vijandigheid, maar juist uit behulpzaamheid. De hedendaagse controle verschijnt niet meer als een bedreiging, maar als een vorm van dienstverlening. Zij komt niet met een bevel, maar met een melding op het scherm waarin vriendelijk wordt gevraagd of je akkoord gaat.
Dat is de grootste verandering na de dood van God. Controle is niet langer iets wat uitsluitend van bovenaf wordt opgelegd. Zij ontstaat uit een verzameling kleine keuzes die allemaal afzonderlijk heel redelijk lijken. Niemand verliest zijn vrijheid door één camera, één registratie of één wachtwoord-controle. Het probleem ontstaat pas wanneer al die afzonderlijke handelingen samen een omgeving vormen waarin alles zichtbaar, meetbaar en controleerbaar wordt. Een mens verandert dan langzaam van iemand die verantwoordelijkheid draagt in iemand die voortdurend kan aantonen dat hij zich correct heeft gedragen.
Ook het begrip vertrouwen verandert daardoor van betekenis. Vroeger vertrouwde je iemand omdat je hem kende, omdat je zijn karakter kende of omdat je bereid was zijn woord te geloven. Tegenwoordig krijgt vertrouwen steeds vaker de vorm van controleerbaarheid. Iemand is betrouwbaar wanneer zijn gedrag kan worden nagegaan, wanneer zijn identiteit bevestigd is en wanneer zijn verleden beschikbaar blijft in een databestand. De ideale burger is daardoor niet langer degene die uit zichzelf het goede doet, maar degene van wie het systeem kan vaststellen dat hij niets verkeerd heeft gedaan.
Daarin verschilt het digitale toezicht onze tijd wezenlijk van vroegere vormen van staatsmacht of goddelijke almacht. De oude machthebber – goddelijk of niet – moest gehoorzaamheid afdwingen. De hedendaagse techniek hoeft dat nauwelijks nog. Zij maakt gewenst gedrag eenvoudigweg aantrekkelijker dan afwijkend gedrag. Niemand verbiedt ons om een andere route te nemen, maar vrijwel iedereen volgt de verleidelijk stem van de navigatie. Niemand verplicht ons om onze gegevens af te staan, maar vrijwel iedereen accepteert de voorwaarden omdat de dienst anders niet werkt. De macht van het systeem zit niet in dwang, maar in de belofte van het gemak.
Daarom is de metafoor van Big Brother uiteindelijk niet helemaal op zijn plaats. De Big Brother van George Orwell was een zichtbare vijand, een dictator die zijn burgers onderdrukte. Onze hedendaagse Big Brother is veel subtieler. Hij bestaat uit apparaten, afspraken, algoritmen en systemen waaraan wij zelf deelnemen. Big Brothe is watching you, maar wij hebben hem zelf in leven geroepen. Hij heeft geen uniform, geen laarzen en geen dreigende stem. Hij spreekt de taal van efficiëntie en veiligheid. Hij vraagt slechts of wij nog één keer onze identiteit willen bevestigen, nog één keer toestemming willen geven en nog één keer akkoord willen klikken.
Wij deze grote broer zelf binnengehaald, niet omdat wij verlangen naar onderdrukking, maar omdat wij verlangen naar comfort en zekerheid. Een mens blijkt bereid een deel van zijn vrijheid af te staan wanneer hij daarvoor overzicht en veiligheid terugkrijgt. De techniek neemt verantwoordelijkheden over die wij zelf graag kwijt willen. Daarmee ontstaat een nieuwe vorm van afhankelijkheid: niet omdat iemand ons beheerst, maar omdat wij zelf niet meer goed weten hoe wij zonder het systeem zouden moeten functioneren.
De filosoof Slavoj Žižek heeft dit verschijnsel beschreven met het begrip interpassiviteit. De hedendaagse mens lijkt voortdurend actief, maar besteedt steeds meer van zijn handelen uit. Hij communiceert onafgebroken, maar laat steeds vaker bepalen welke informatie belangrijk is. Hij maakt keuzes, maar binnen een omgeving die al grotendeels door anderen is ontworpen. De techniek helpt ons niet alleen bij wat we willen doen; zij beïnvloedt ook steeds meer wat wij als wenselijk ervaren.
Voor iemand die schrijft op internet krijgt dit alles een bijzondere betekenis. Een weblog lijkt immers het ultieme bewijs van individuele vrijheid. Iedereen kan publiceren zonder toestemming van een uitgever, zonder redactie en zonder officiële erkenning. Een schrijver heeft een eigen podium en kan zich rechtstreeks richten tot de wereld. Elke dag opnieuw. Maar die wereld is geen lege ruimte. Achter ieder scherm bevinden zich systemen die bepalen wat zichtbaar wordt, wat verdwijnt en wat aandacht krijgt.
De schrijver denkt dat hij vrij spreekt, maar hij spreekt binnen een omgeving die al gevormd is voordat hij zijn eerste zin schrijft. Zijn woorden worden opgenomen in een netwerk van verbanden die hij niet kan overzien. Ze worden gelezen, opgeslagen, doorgestuurd en soms teruggebracht op toekomstige momenten waarop hij zelf allang vergeten is dat hij ze ooit schreef. Een tekst op internet heeft daardoor iets van een zelfstandig organisme. Hij leeft verder zonder de schrijver nog nodig te hebben.
Dat roept opnieuw de oude vraag op: wie spreekt er eigenlijk in een tekst? Is het de persoon die achter zijn computer zit? Is het de schrijver die zich door de jaren heen heeft opgebouwd uit duizenden zinnen? Of is het de digitale figuur die uit al die teksten naar voren komt en inmiddels een eigen bestaan heeft gekregen? Het antwoord is misschien minder ingewikkeld dan het lijkt. Al deze personen bestaan tegelijk. Een mens is niet langer één vaste identiteit, maar een verzameling verschijningsvormen die elkaar voortdurend beïnvloeden.
Daarin ligt mogelijk toch ook nog iets van hoop besloten. Hoe groot de digitaal controlerende macht ook wordt, er blijft altijd iets over dat niet kan worden vastgelegd. Geen databank kan volledig beschrijven wie iemand is. Geen algoritme kan het geheim van een mens uitputtend berekenen. Achter iedere verzameling gegevens blijft een onbekende ruimte bestaan waarin gedachten zomaar kunnen opkomen, herinneringen veranderen en nieuwe ideeën zich ongemerkt formeren. Dat is nog de enige plek waar het oude begrip God nog betekenis kan hebben: niet als het Alziend Oog dat alles controleert, maar als het meest verborgene in een mens zelf. Daarin is iedereen anders. De vraag is alleen: voor hoelang nog?
