Een nieuwe totalitaire verleiding

Hannah Arendt verklaarde ooit over de Holocaust dat dit nooit had mogen gebeuren omdat het een schaduw werpt over het verschijnsel mens. Nu staan we oog in oog met de uitvinding van AI, die wel ‘de laatste uitvinding van mens’ wordt genoemd omdat het zijn voorbestaan bedreigt en gevaarlijker zou zijn dan kernwapens. In Silicon Valley wordt inmiddels openlijk nagedacht  over de mogelijkheden van eugenetica en het uploaden van het menselijke brein in de cloud. Men gelooft daar zonder enige ethische reserve in een ongelimiteerde technologische vooruitgang. Sciencefiction is niet alleen een belangrijke inspiratiebron voor deze sprong in de toekomst, maar wordt ook schaamteloos in praktijk gebracht.

Ik vroeg me af in hoeverre de analyse van George van Hal en Laurens Verhagen in hun boek De Techbro’s (2026) aansluit bij de inzichten van Hannah Arendt en Jean-François Revel over totalitaire systemen. Opmerkelijk is dat de auteurs de term techbro’ niet gebruiken als een vrijblijvende spotnaam, maar als aanduiding van een ideologische stroming waarin technologisch vooruitgangsgeloof, libertair denken, trans-humanisme en de concentratie van economische, technologische en politieke macht elkaar wederzijds versterken.

In Silicon Valley ontstaat een nieuwe oligarchie die zelfs Het Witte Huis in zijn zak heeft. De nieuwe technologie wordt een soort nieuwe godheid die de mensheid zal gaan bevrijden van haar biologische beperkingen. Zo lijken we op weg naar een fascistoïde techno-heilstaat aangestuurd door een kleine groep autistische nerds van Silicon Valley die collectief behept lijken te zijn met het syndroom van Asperger. Overigens is de centrale these vn Van Hal en Verhagen niet dat een vermeende neurologische aanleg, maar een samenhangend ideologisch complex — bestaande uit transhumanisme, techno-optimisme, libertarisme, langetermijndenken en een afkeer van democratische beperkingen — de sleutel vormt om de techbro’s te begrijpen. Daarbij dient zich de bezorgdheid aan van deze kleine elite van slimme blanke AI-pioniers die meent dat zij ten onder dreigt te gaan en zich daarom snel mogelijk dient voort te planten.

Een en ander doet denken aan de opkomst van eerdere vormen van totalitarisme: het nationaal-socialisme en het stalinisme. Het boek Totalitarisme van Hannah Ahrendt verscheen in 1951. Het boek van Revel, De totalitaire verleiding, verscheen in 1976. Is er een lijn te trekken vanuit deze analyses naar een nieuwe vorm van totalitaire verleiding? Of is er bij auteurs van De Techbro’s misschien sprake van een nieuwe complottheorie? In hun boek doen ze er alles aan om zich puur aan de feiten te houden, en niet in de fuik het complotdenken te belanden. Het resultaat is dat ze veelvuldig terugvallen op uitspraken en citaten van anderen. Dat is een goede journalistieke gewoonte, maar het boek blijft daardoor wel wat steken aan het oppervlak en mist een zekere diepgang, terwijl dat juist een kenmerk is van deze tijd: AI reduceert alles tot het oppervlak en creëert vroeg of laat een oppervlakkig mensbeeld dat geen verankering meer heeft in een morele, religieuze of humanistische tradities.

Vandaar mijn vergelijking met twee eerdere analyses van het totalitarisme. Het wordt wellicht een vergelijking van appels en peren, maar het creëert mogelijk wel een wat breder en ook historisch perspectief.

Waar Revel liet zien hoe intellectuelen zich laten meeslepen door een ideologie die beweert de geschiedenis te doorgronden en daarmee de democratische onzekerheid vervangt door een absolute waarheid, signaleren Van Hal en Verhagen een vergelijkbare verleiding in het techno-utopisme van Silicon Valley. Ook daar verschijnt een elite die meent op grond van technologie, data en kunstmatige intelligentie beter te weten wat goed is voor de samenleving dan democratische instituties. 

Hannah Arendt gaat nog een stap verder door te laten zien dat totalitarisme begint met de constructie van een fictieve werkelijkheid die zich afsluit voor tegenspraak en zichzelf als enige waarheid bevestigt. Juist daarin raakt haar analyse aan de digitale wereld van algoritmen, gepersonaliseerde informatie en gesloten informatiesystemen, waarin feit en fictie steeds moeilijker te onderscheiden zijn. Overigens verwijzen Van Hal en Verhagen in hun boek éénmaal naar Hannah Arendt in een kort en uit zijn verband gerukt citaat, waarin Ahrendt beweert dat de massa’s het punt hadden bereikt dat ze tegelijk alles en niets geloofden (Totalitarisme, p. 176), waarbij ze nalaten te vermelden dat dit punt mede werd bereikt door de propaganda van de totalitaire massaleiders die deze psychologische ontdekking hadden gedaan.

Ik heb geprobeerd de historische vergelijking met de totalitaire systemen van het verleden wat verder te onderbouwen. Dit was het resultaat.

*

De totalitaire verleiding heeft door de geschiedenis heen steeds nieuwe gedaanten aangenomen. Soms verschijnt zij als een politieke beweging die een nieuwe wereldorde belooft, soms als een ideologie die beweert de loop van de geschiedenis te hebben doorgrond, en soms als een technologische visie die de mensheid een toekomst voorspiegelt waarin alle onzekerheid door kennis en controle kan worden overwonnen. Juist daarin ligt de opmerkelijke overeenkomst tussen de analyses van Hannah Arendt, Jean-François Revel en George van Hal en Laurens Verhagen. Hoewel zij schrijven vanuit totaal verschillende historische omstandigheden, richten zij zich uiteindelijk op dezelfde fundamentele vraag: waarom laten mensen zich verleiden door systemen die beloven de werkelijkheid in haar geheel te kunnen beheersen?

Hannah Arendt ontwikkelde haar analyse van het totalitarisme in de schaduw van de grootste catastrofes van de twintigste eeuw: het nazisme en het stalinisme. Haar centrale inzicht was dat totalitaire systemen niet eenvoudigweg dictaturen zijn met meer geweld en meer onderdrukking dan gewone autoritaire regimes. Het wezenlijke verschil ligt dieper. Totalitarisme probeert niet alleen de politieke macht te veroveren, maar ook de werkelijkheid zelf te herscheppen. Het wil een fictieve wereld creëren die vervolgens met alle beschikbare middelen als werkelijkheid moet worden gehandhaafd. De ideologie wordt niet langer een interpretatie van de wereld, maar vervangt de wereld.

Volgens Arendt ontstaat deze ontvankelijkheid voor totalitaire systemen vooral in situaties van ontworteling. Wanneer mensen hun traditionele zekerheden verliezen, wanneer sociale verbanden verzwakken en de toekomst onvoorspelbaar wordt, ontstaat een verlangen naar een allesomvattend verklaringsmodel. De werkelijkheid is immers complex, toevallig en vaak onbevredigend. Een totalitaire ideologie biedt daarentegen een eenvoudig patroon: zij verklaart het verleden, voorspelt de toekomst en wijst aan wie verantwoordelijk is voor het kwaad. Daarmee neemt zij niet alleen onzekerheid weg, maar ook de last van het zelfstandig oordelen.

Daar raakt Arendt aan een psychologisch mechanisme dat ook kenmerkend is voor de waan. De waan is geen willekeurige fantasie, maar juist een systeem dat een extreme vorm van samenhang produceert. Alles lijkt met alles verbonden. Toeval verdwijnt en gebeurtenissen krijgen een verborgen betekenis. De kracht van een waanwereld ligt niet in haar gebrek aan logica, maar in haar gesloten logica. Zodra de eerste premisse wordt aanvaard, lijkt alles wat volgt onvermijdelijk. Arendt zag iets vergelijkbaars in totalitaire ideologieën: zij ontwikkelen een soort ideologisch superverstand waarin iedere gebeurtenis wordt ingepast in het grote systeem. De werkelijkheid hoeft dan niet langer onderzocht te worden; zij moet zich aanpassen aan de theorie.

Jean-François Revel beschreef een kwart eeuw later een ander aspect van hetzelfde mechanisme. In De totalitaire verleiding richtte hij zich niet alleen op de dictaturen zelf, maar vooral op de aantrekkingskracht die zij in het Westen bleven uitoefenen. Zijn verbazing gold de intellectuelen die, ondanks overvloedige bewijzen van onderdrukking en terreur, het communisme bleven verdedigen of relativeren. Revel zag daarin geen eenvoudige naïviteit, maar een diepere menselijke behoefte aan een systeem dat de chaos van de werkelijkheid begrijpelijk maakt.

Het marxisme bood volgens Revel een dergelijk systeem. Het presenteerde zich niet als één politieke opvatting naast andere, maar als een wetenschappelijke theorie van de geschiedenis. Wie deze theorie aanvaardde, hoefde niet langer te twijfelen over de toekomst: de geschiedenis bewoog noodzakelijk richting een klasseloze samenleving. De misstanden die onderweg ontstonden, konden worden verklaard als tijdelijke afwijkingen of noodzakelijke offers. Daarmee ontstond een merkwaardige omkering: de werkelijkheid werd niet langer gebruikt om de ideologie te toetsen, maar de ideologie bepaalde hoe de werkelijkheid moest worden geïnterpreteerd.

Hier ligt een directe verbinding met Arendt. Ook bij Revel gaat het uiteindelijk om de macht van een fictie die zichzelf tegen de feiten beschermt. Een totalitaire ideologie wordt niet zwakker wanneer de werkelijkheid haar tegenspreekt; zij kan juist sterker worden, omdat iedere tegenspraak wordt gezien als bewijs dat de vijanden van het systeem nog actief zijn. De gesloten wereldbeschouwing maakt kritiek onmogelijk. Wie de waarheid al bezit, heeft geen behoefte meer aan een open gesprek.

Tegelijkertijd laat Revel zien waarom democratische samenlevingen kwetsbaar zijn. Democratieën tonen hun eigen fouten. Zij kennen ruzie, verdeeldheid, schandalen en onzekerheid. Juist omdat informatie vrij circuleert, lijken zij vaak chaotischer dan gesloten systemen. Een dictatuur kan daarentegen een beeld van orde en eensgezindheid produceren doordat afwijkende stemmen worden onderdrukt. De democratie toont haar zwakte in het openbaar; het totalitaire systeem verbergt zijn zwakte achter controle.

Tegen deze achtergrond kan het boek De Techbro’s van George van Hal en Laurens Verhagen worden gelezen als een analyse van een nieuwe fase in deze geschiedenis van het totalitarisme. Zij beschrijven geen klassiek totalitair systeem zoals dat zich aandiende in de twintigste eeuw, maar wijzen op een nieuwe machtsconcentratie waarin technologie, kapitaal en ideologie samenkomen. De grote techbedrijven beschikken over middelen die eerdere machthebbers nauwelijks konden voorstellen: wereldwijde communicatiekanalen, enorme hoeveelheden persoonlijke data en algoritmen die menselijk gedrag kunnen voorspellen en beïnvloeden. Zij geloven dat democratie een tirannie van de domme massa is: … ‘een bestuursvorm die uitblinkende individuen met uitzonderlijke talenten, zoals zijzelf, onterecht onderdrukt en mensheid afhoudt van zijn ultieme lotsbestemming tussen de sterren.’

Het opvallende is dat ook hier een vorm van geloof zich aandient in een alles-verklarend systeem. Binnen delen van Silicon Valley bestaat het idee dat technologische vooruitgang uiteindelijk de fundamentele problemen van de mensheid kan oplossen. Kunstmatige intelligentie zou de menselijke beperkingen kunnen overstijgen, algoritmen zouden betere beslissingen kunnen nemen dan politieke instituties en technologische innovatie zou maatschappelijke conflicten kunnen neutraliseren. De belofte verschuift van de klasseloze samenleving van het communisme naar een geoptimaliseerde technologische toekomst waarin mens een onvermoede synthese gaan vormen.

Daarmee verandert ook het karakter van de elite die deze toekomst belooft. De revolutionaire partij maakt plaats voor het technologiebedrijf, de partijleider voor de ondernemer, de propaganda voor het algoritme. De nieuwe machthebbers beroepen zich niet primair op een historische missie of een nationale lotsbestemming, maar op efficiëntie, innovatie en technische superioriteit. Hun legitimiteit ontlenen zij niet aan verkiezingen, maar aan de overtuiging dat zij de complexe werkelijkheid beter begrijpen dan de democratische meerderheid.

Zo ontstaat een verbinding met Arendts analyse van het totalitaire denken. Het gevaar zit niet in technologie als zodanig, maar in de overtuiging dat één systeem de werkelijkheid volledig kan doorgronden. Zodra algoritmische modellen worden gezien als objectiever dan menselijke beoordeling, ontstaat het risico dat politieke keuzes worden vervangen door technische noodzakelijkheden. De vraag wie beslist en op basis van welke waarden verdwijnt dan naar de achtergrond. Wat technisch mogelijk is, dreigt samen te vallen met wat maatschappelijk wenselijk zou zijn.

Ook Revels waarschuwing klinkt hierin door. Iedere ideologie die beweert de waarheid al in bezit te hebben, wordt ongevoelig voor kritiek. Dat geldt niet alleen voor politieke systemen, maar ook voor technologische utopieën. De overtuiging dat innovatie vanzelf vooruitgang betekent, kan even dogmatisch worden als het geloof in een historische wetmatigheid. Wanneer mislukkingen niet leiden tot twijfel maar slechts tot de conclusie dat de technologie nog verder moet worden doorgevoerd, ontstaat dezelfde gesloten logica die Revel bij totalitaire ideologieën blootlegde.

De vergelijking tussen Arendt, Revel en Van Hal en Verhagen betekent overigens niet dat Silicon Valley gelijkgesteld kan worden aan nazi-Duitsland of de Sovjet-Unie. De historische verschillen zijn enorm. Er zijn geen concentratiekampen, geen eenpartijstaat en geen systematische terreur zoals in de klassieke totalitaire regimes. De betekenis van de vergelijking ligt elders: zij maakt zichtbaar welke patronen telkens terugkeren wanneer mensen proberen de onzekerheid van het bestaan te vervangen door een systeem van totale verklaring en beheersing. De waarde van een mensenleven lijkt te worden gedevalueerd in een categorisch sprong aar een ander niveau van doelgericht denken. Sommige uitspraken van Peter Thiel, de meest radicale, opportunistische en ook rücksichtslose techbro van Silicon Valley, doen mij onwillekeurig denken – ik geef toe: het is een schaalsprong – aan de verschrikkelijke woorden van Himmler uit 1943, waarin sprake was van een totale inversie van het ethisch besef ten dienste van een “hogere” doelstelling voor de mensheid:

“De meesten van u weten wat het betekent wanneer er honderd lijken bijeen liggen, of vijfhonderd of duizend. Dat wij dit hebben doorstaan en daarbij – afgezien van uitzonderingen van menselijke zwakheid – fatsoenlijk zijn gebleven, dát heeft ons hard gemaakt.”

De diepste overeenkomst tussen deze drie analyses van het totalitarisme is daarom niet politiek, maar moreel van aard. Totalitarisme begint niet met geweld, maar met een verlangen naar ultieme zekerheid. Het ontstaat wanneer mensen niet langer kunnen leven met de openheid en onvoorspelbaarheid van de werkelijkheid en hun toevlucht zoeken tot een systeem dat alles verklaart en een hoger doel in het vooruitzicht stelt.

Hitlers logica ging het verstand niet te buiten, maar liet het verstand in een hogere gedaante opnieuw verschijnen als ‘superverstand’. Ook in de waan is het verstand niet verloren gegaan, maar keert het terug in een verhoogde staat. Hannah Arendt gebruikt in dit verband woorden als ‘superverstand’ en ‘supersense’. De oude totalitaire regimes boden de absolute zekerheid van ras, klasse of geschiedenis. De nieuwe technologische utopieën bieden de zekerheid van data, algoritmen en kunstmatige intelligentie. In beide gevallen schuilt het gevaar in dezelfde belofte: dat de werkelijkheid uiteindelijk volledig kenbaar, voorspelbaar en beheersbaar zou kunnen worden

Juist daarom blijft de verdediging van de democratie volgens Arendt, Revel en ook Van Hal en Verhagen uiteindelijk een verdediging van de menselijke onzekerheid. Democratie is geen systeem dat de waarheid bezit, maar een manier om met het ontbreken daarvan om te gaan. Zij berust op twijfel, gesprek, correctie en het besef dat geen enkele groep of technologie het recht heeft de werkelijkheid volledig naar haar hand te zetten. De vrijheid die daaruit voortkomt is kwetsbaar, maar juist die kwetsbaarheid vormt haar grootste kracht.

Bovendien, als empathie alleen iets is voor losers, zoals Elon Musk beweert, dan raken we als mens ver van huis. Empathie, creativiteit en moreel besef maken ons menselijk, en het is zaak om die kwaliteiten voor alles overeind te houden in een tijd waarin de machine klaar staat om ons als een verouderd relict uit het verleden achter te laten op puinhopen van de geschiedenis. Wat rest is niet een goddeloos universum, maar een universum waarin het goddelijke opnieuw wordt ingezet voor eigen doeleinden onder het voorwendsel dat dit de mensheid tot aan het einde der tijden ten goede zal komen. Of zoals Peter Thiel het verwoordt: “Je zou je op bepaalde manieren kunnen afvragen in hoeverre AI van God verschilt.”