In 1994 publiceerde Leo Vroman Warm, rood, nat & lief, een boek dat opent met een zin die op het eerste gezicht bijna als een speelse terloopse opmerking klinkt, maar bij nader inzien een hele filosofie van het geheugen bevat: ‘Het leuke van herinneringen vind ik dat ze fout zijn, want daardoor is vaak meer te begrijpen dan de bedoeling was.’ In deze ene zin ligt een paradox besloten die verrassend dicht aansluit bij de moderne inzichten over het geheugen. Een herinnering is volgens Vroman niet waardevol omdat zij een exacte kopie van het verleden vormt, maar juist omdat zij daarvan afwijkt. De vervorming, de verschuiving en zelfs de vergissing kunnen iets zichtbaar maken wat in een zuivere opsomming van feiten verloren zou gaan. De “fout” in het geheugen is dan geen gebrek, maar een vorm van interpretatie. Zij onthult niet alleen iets over wat ooit gebeurd is, maar ook over degene die zich iets herinnert.
Die gedachte staat haaks op het alledaagse idee dat een goede herinnering vooral een betrouwbare herinnering moet zijn. Maar psychologie en neurowetenschap laten juist zien dat herinneren geen proces van terughalen is, maar van opnieuw construeren. Iedere keer dat wij ons iets herinneren, wordt het verleden opnieuw opgebouwd uit losse fragmenten, indrukken en emoties. Daarbij sluipen onvermijdelijk verschuivingen binnen. Nieuwe ervaringen kleuren oude gebeurtenissen, latere inzichten veranderen vroegere betekenissen en wat ooit onbelangrijk leek, kan achteraf zelfs het middelpunt van een herinnering worden. Het geheugen bewaart daarom niet zozeer het verleden zelf als wel onze steeds veranderende verhouding tot dat verleden.
Juist daarom kunnen vergissingen betekenisvol zijn. Wanneer een detail achteraf groter wordt dan het destijds was, wanneer verschillende gebeurtenissen in elkaar overlopen of een herinnering zich anders aandient dan de historische werkelijkheid rechtvaardigt, zegt dat niet alleen iets over de feilbaarheid van het geheugen. Het zegt vooral iets over de betekenis die een ervaring in de loop van een mensenleven heeft gekregen. Herinneringen zijn geen dode documenten, maar levende interpretaties. Zij veranderen mee met degene die zich iets herinnert.
Jan Hendrik van den Berg heeft deze gedachte op een bijzondere manier uitgewerkt in zijn boek Metabletica, of leer der veranderingen (1956). Volgens Van den Berg verschijnt het verleden pas werkelijk wanneer het verleden zich geformeerd heeft als een nieuwe gestalte. De jeugd die ons later tegemoetkomt uit de geur van een oud boek, is niet dezelfde jeugd die wij destijds hebben beleefd. Toen was zij onmiddellijk aanwezig, vanzelfsprekend en nog onbewust van haar eigen betekenis. Pas achteraf, wanneer zij verdwenen is en herinnering is geworden, krijgt zij haar volle gedaante.
De afstand in de tijd maakt de ervaring zichtbaar. Wat ooit gewoon was, wordt later bijzonder. Wat toen geen betekenis hoefde te hebben, kan achteraf een symbolische lading krijgen. Het verleden wordt daarmee niet simpelweg herhaald, maar opnieuw gelezen. De herinnering is niet het terughalen van een verloren werkelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met iets dat alleen door de tijd heen zichtbaar kon worden. Daarmee raakt Van den Berg aan het fundamentele probleem van iedere autobiografie. Wie over zijn eigen verleden schrijft, probeert immers iets te reconstrueren wat per definitie verloren is gegaan. De autobiograaf staat niet buiten zijn onderwerp, zoals een historicus die documenten onderzoekt. Hij is zelf onderdeel van het materiaal waarmee hij werkt. Zijn herinneringen zijn geen archiefstukken, maar interpretaties.
We beleven een tijd waarin niet alleen de geschiedenis, maar ook het persoonlijke verleden steeds belangrijker wordt. Het verleden wordt overschat. Sinds de komst van de psychologie is de mens zijn eigen identiteit gaan zoeken in zijn eigen verleden. Niet alleen het collectieve verleden als volk en natie, maar vooral ook het verleden als individu sinds de eerste kinderjaren. Op de divan van de psychiater zijn we onze herinneringen gaan opbiechten, schaamteloze herinneringen, hoe schaamtelozer hoe effectiever. ‘Het verleden is spraakzaam geworden’ zo schrijft Jan Hendrik van den Berg, ‘beter gezegd: het kletst, dit verleden, het kletst er maar wat op los. Van elk feit in het heden geeft het verleden een geschiedenis, een geschiedenis, die er nooit was, die klaarblijkelijk in alle snelheid gemaakt moest worden; het verleden knutselt geschiedenis, het dicht opzienbarende voorvallen en onuitwisbare belevingen.’
Met die gedachtengang voor ogen is een autobiografie nooit uitsluitend een verzameling feiten. Zij is een poging om betekenis te vinden in de fragmenten die van het verleden zijn overgebleven. De schrijver probeert de werkelijkheid geen geweld aan te doen, maar tegelijk zoekt hij naar een verband dat in de oorspronkelijke gebeurtenissen zelf misschien nog niet zichtbaar was. In die zin heeft een autobiografie iets van een kunstwerk: zij ordent de losse stukken van het bestaan tot een vorm waarin iets van de verborgen samenhang zichtbaar wordt. Het leven wordt pas achteraf een verhaal.
Maar de gedachte van Leo Vroman dat herinneringen juist door hun fouten iets kunnen onthullen, raakt aan de creatieve kracht van het geheugen. Een vergissing kan soms een diepere waarheid bevatten dan een correct feit. Want een herinnering is nooit alleen een registratie van wat geweest is; zij is ook een uitdrukking van wie wij geworden zijn. Wie zich iets herinnert, vertelt daarom altijd twee verhalen tegelijk. Het ene gaat over vroeger, over de gebeurtenis zelf. Het andere gaat over het heden, over de persoon die deze gebeurtenis nu opnieuw betekenis geeft. Het verleden verandert niet, maar onze verhouding ertoe verandert voortdurend. Daarom heeft het geheugen zoveel gemeen met literatuur. Een roman, een gedicht of een autobiografie maakt geen kopie van de werkelijkheid, maar geeft gebeurtenissen een vorm. Het ordent losse indrukken, brengt verbanden aan tussen afzonderlijke momenten en schept een samenhang die in de onmiddellijke ervaring zelf vaak nog niet aanwezig was. Zoals een schrijver uit woorden een verhaal maakt, zo maakt het geheugen uit tijd een verhaal.
Een mens leeft niet alleen in de tijd; hij leeft ook in de verhalen die hij over die tijd vertelt. Zonder die verhalen zouden gebeurtenissen slechts een opeenvolging van losse feiten zijn. Pas door herinnering krijgen zij een plaats in een groter verband. Het geheugen is daarmee niet alleen een bewaarplaats van het verleden, maar ook een instrument waarmee wij onszelf voortdurend opnieuw vormgeven. Dat verklaart wellicht waarom zoveel moderne literatuur in wezen geheugenkunst is geworden. Sinds de vanzelfsprekende religieuze kaders van het verleden hun overtuigingskracht grotendeels hebben verloren, is de vraag naar betekenis steeds meer bij het individu zelf komen te liggen.
Waar vroeger God of een metafysische orde garant stond voor de samenhang van het bestaan, probeert de moderne mens die samenhang terug te vinden in zijn eigen levensverhaal. De herinnering wordt daarmee een nieuwe vorm van zoeken naar transcendentie. Niet buiten het leven, maar in het leven zelf probeert de mens een betekenisvolle lijn te ontdekken. Het verleden wordt de plaats waar de identiteit haar oorsprong lijkt te vinden. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Welke gebeurtenissen hebben mij gemaakt tot wie ik nu ben?
Willem Jan Otten heeft erop gewezen dat schrijvers als Simon Vestdijk, Vladimir Nabokov en Marcel Proust bijna een religieuze verhouding tot het geheugen hadden. Bij hen was de verloren tijd niet definitief verdwenen. Door de kracht van de kunst kon zij opnieuw aanwezig worden gemaakt. Vooral bij Proust krijgt de herinnering bijna een verlossende werking: een geur, een smaak of een klein zintuiglijk detail kan plotseling een hele wereld uit het verleden doen oplichten. De schrijver wordt in die visie een hoeder van wat dreigt te verdwijnen. Door woorden te geven aan het vergankelijke, probeert hij het voorbijgaande te redden. Schrijven wordt een vorm van behoud, misschien zelfs een vorm van verzoening met de tijd. Wat verloren leek, krijgt opnieuw een bestaan in de taal.
Maar juist daarin schuilt ook een gevaar. Het verleden kan niet alleen een bron van troost zijn; het kan ook een gevangenis worden. Wie voortdurend probeert terug te keren naar wat voorbij is, ontdekt uiteindelijk dat het verleden zich niet laat bezitten. De herinnering kan helend werken, maar zij kan ook een verlangen oproepen naar een wereld die niet meer bestaat. Er is daarom ook een wijsheid van het vergeten. Het vergeten is misschien nog raadselachtiger dan het herinneren zelf. Waar blijft datgene wat uit ons bewustzijn verdwijnt? Is het werkelijk verdwenen, of leeft het voort in een andere vorm, ergens buiten het bereik van onze directe aandacht?
Maar waarom zo moeilijk? Je zou ook kunnen dat vergeten eenvoudig het tegenovergestelde van herinneren is. Maar het geheugen is geen archief waarin herinneringen veilig liggen opgeslagen en waarin vergeten slechts een technisch defect zou zijn. Vergeten behoort wezenlijk tot de werking van het geheugen zelf. Zonder vergeten zou herinneren onmogelijk worden, omdat het bewustzijn verstikt zou raken onder de enorme hoeveelheid indrukken die een mensenleven bevat. Een mens kan niet leven als een volledig archief van zichzelf. Wie alles zou onthouden, zou misschien niet wijzer maar juist ongelukkiger worden. Afstand tot het verleden is noodzakelijk om in het heden te kunnen bestaan. Het vergeten maakt ruimte. Het voorkomt dat vroegere gebeurtenissen voortdurend hun beslag leggen op het nu.
In die zin is vergeten geen tekort, maar een vorm van bescherming. Zoals de herinnering betekenis geeft aan wat behouden blijft, zo zorgt het vergeten ervoor dat het leven verder kan gaan. Beide processen horen bij elkaar. Herinneren zonder vergeten zou leiden tot verstarring; vergeten zonder herinnering zou leiden tot verlies van identiteit. Deze wisselwerking tussen herinneren en vergeten herken ik ook in mijn eigen ervaringen met het schrijven over mijn psychose uit 1966, waar ik verslag van heb gedaan in mijn laatste boek: De waan van het schrijven. Toen ik probeerde terug te kijken op die periode, ontdekte ik dat ik niet beschikte over een volledig en betrouwbaar verslag van wat er toen gebeurd was. Er waren geen beelden die als een film konden worden teruggedraaid, geen compleet document dat de waarheid van die jaren kon onthullen.
Wat overbleef waren fragmenten: losse herinneringen, indrukken, emoties, flarden van gesprekken en beelden die soms helder waren en soms juist onzeker. Maar gaandeweg werd duidelijk dat de belangrijkste vraag niet was of ieder detail exact overeenkwam met wat er destijds gebeurd was. Belangrijker was de vraag welke betekenis deze herinneringen in het heden konden krijgen. Het geheugen bewaart immers niet noodzakelijkerwijs de feiten zelf, maar vooral de sporen die gebeurtenissen in ons hebben achtergelaten. Bij ingrijpende ervaringen wordt dat misschien nog duidelijker. Het verleden wordt niet als een filmrol opgeslagen die later opnieuw kan worden afgespeeld. Het bestaat eerder uit losse beelden en fragmenten die telkens opnieuw met elkaar verbonden worden.
Het geheugen lijkt daarom meer op een montagekamer dan op een archief. Het verzamelt scènes, indrukken en emoties en brengt die later opnieuw samen tot een verhaal. Soms verandert die montage zelfs zo sterk dat herinneringen ontstaan die historisch niet helemaal juist blijken te zijn. Maar ook zulke herinneringen kunnen een waarheid bevatten. Niet noodzakelijk een waarheid over de gebeurtenis zelf, maar over de betekenis die die gebeurtenis uiteindelijk heeft gekregen. Dat maakt de vergelijking met film zo treffend. Wie zich een film herinnert, bewaart meestal niet het volledige verhaal. Wat blijft hangen zijn enkele scènes, bepaalde beelden, een sfeer, een zin of een gezicht. De oorspronkelijke montage die de film tot een geheel maakte, wordt in het geheugen opnieuw samengesteld.
Soms ontstaat daardoor zelfs een scène die nooit werkelijk heeft bestaan. Maar dat betekent niet dat die herinnering betekenisloos is. Integendeel: juist de afwijking kan iets onthullen over de plaats die de film in ons eigen leven heeft gekregen. Het geheugen verandert de werkelijkheid niet zomaar; het geeft haar een nieuwe betekenis. Daarom is niet de vraag cruciaal of een herinnering volledig overeenkomt met de feiten. De diepere vraag is: welke waarheid probeert deze herinnering zichtbaar te maken? Op dat punt raken herinnering en literatuur elkaar. Zowel de schrijver als degene die terugkijkt op zijn leven zoekt niet alleen naar wat er gebeurd is, maar vooral naar wat het betekend heeft. De waarheid van een herinnering ligt niet uitsluitend in de juistheid van een detail, maar in het verband waarin dat detail verschijnt.
Leo Vroman begreep dat als dichter misschien beter dan wie ook. Zijn herinneringen mochten fouten bevatten, omdat juist die fouten nieuwe verbanden konden openen. Het geheugen was voor hem geen passieve opslagplaats, maar een scheppend vermogen. Het maakte van gebeurtenissen ervaringen, van ervaringen verhalen, en van verhalen uiteindelijk een vorm van zelfkennis. Toch blijft er iets over van een raadsel. Want wat vergeten wordt, verdwijnt misschien niet werkelijk. Het kan voortleven in een andere gedaante: in een onverwachte associatie, een plotseling beeld, een zin die zich aandient zonder dat duidelijk is waar zij vandaan komt. Het vergeten is geen lege ruimte, maar een verborgen laag waarin het verleden op een andere manier aanwezig blijft.
Zo dient een wonderlijke paradox zich aan. Ik herinner mij het verleden niet omdat het eenvoudigweg bewaard is gebleven. Ik herinner het mij omdat het verleden telkens opnieuw geboren wordt als iets nieuws. Iedere herinnering is een creatie van het brein. Iedere autobiografie is een herschepping. Iedere poging om terug te keren naar wat voorbij is, verandert dat verleden onvermijdelijk. De herinnering is pas levend wanneer zij niet meer identiek is aan wat zij ooit was.
Dat is mogelijk ook wat Vroman met zijn ogenschijnlijk eenvoudige uitspraak over het herinneren wilde zeggen. De waarde van herinneringen ligt niet in hun overeenstemming met de feiten, maar in hun vermogen om iets zichtbaar te maken wat anders verborgen zou blijven. Het verleden spreekt niet door wat wij bewaren, maar door wat wij veranderen. Juist omdat herinneringen fout kunnen zijn, kunnen zij soms meer onthullen dan de werkelijkheid ooit rechtstreeks heeft laten zien.
Zo’n waarheid dringt zich het sterkst aan je op wanneer de vanzelfsprekendheid van het leven wordt doorbroken. Er zijn van die ogenblikken waarop een arts je aankijkt en vraagt: ‘Hoe lang denk je dat je met dit leven kunt doorgaan? Hoe lang denk je dat je lichaam dit nog volhoudt?’ Zo’n vraag gaat niet alleen over een diagnose of een prognose. Zij legt een breuklijn bloot tussen een mens die meent zijn leven te bezitten en een mens die beseft dat hij het slechts tijdelijk in bruikleen heeft.
Vanaf dat moment krijgen herinneringen een ander gewicht. Zij zijn niet langer alleen reconstructies van wat voorbij is, maar worden pogingen om betekenis te geven aan een bestaan waarvan de kwetsbaarheid zich plotseling aandient. Misschien zijn herinneringen juist daarom nooit volledig betrouwbaar: niet omdat het geheugen tekortschiet, maar omdat het leven zelf voortdurend verandert onder de druk van de tijd, de vergankelijkheid en een mogelijk naderend einde. Zelfs de wijsheid van het vergeten verandert in het aanzien van de dood.
