Soms belandt er een verhaal in je mailbox dat zich niet laat wegleggen. Je leest het één keer, nog eens, en vervolgens blijft het zich ergens achter in je hoofd gedragen als dat vogeltje waarover het gaat: klein, onrustig en niet van plan te verdwijnen. Jaren geleden ontving ik zo’n mail van een vrouw die een paar weken op een Thais eiland verbleef. Terwijl ik vanuit mijn werkkamer uitkeek op een grijs Fries voorjaar dat maar niet op gang wilde komen, schreef zij over een tropische regenbui die in enkele minuten een ansichtkaart veranderde in een apocalyps. De zee sloeg om van lichtblauw naar loodgrijs, vissers lieten hun bootjes voor wat ze waren en toeristen holden alle kanten op. Alleen één piepklein vogeltje leek zich niets van de chaos aan te trekken. Integendeel, het vloog juist de storm tegemoet.
Ze had haar verbazing gedeeld met een oude Thaise visser, een tanige man met een tandeloze glimlach die volgens haar ergens een Engelse voorouder moest hebben gehad. Dat laatste kon best waar zijn; in de tropen lijkt iedereen uiteindelijk familie van iedereen. De oude man glimlachte meewarig toen zij enthousiast vertelde hoe speels het vogeltje door de regen danste. “Dat is geen dans uit plezier,” zei hij. “Dat is een levensdanser.”
Dat bleek iets heel anders te betekenen dan zij had gedacht. De vogel werd namelijk belaagd door een hardnekkige parasiet die zich precies achter in zijn nek vastbeet, op een plek waar de vogel met zijn snavel onmogelijk bij kon. Terwijl de parasiet zich volzoog met bloed, werd hij steeds zwaarder en zijn gastheer steeds zwakker. Alleen een uitzonderlijk harde regenbui kon het dier nog redden. Het geweld van de regendruppels dwong de parasiet soms zijn greep los te laten. Daarom vloog de vogel juist tijdens noodweer de lucht in. Niet uit levenslust, maar uit pure wanhoop.
Het verhaal was nog niet afgelopen. Want zodra de hemel zijn sluizen opende, kwamen ook de grote varanen uit hun schuilplaatsen tevoorschijn. Zij wisten dat er altijd wel ergens een uitgeputte levensdanser uit de lucht viel. Volgens de oude visser was zo’n vogel op zichzelf al een delicatesse, maar mét een volgezogen parasiet op zijn rug werd hij voor een varaan ongeveer wat witte truffel is voor een Franse fijnproever. De oude man schoot zelf als eerste in de lach om zijn vergelijking. Mijn correspondent deed beleefd mee, al had zij ondertussen haar Hollandse dierenliefde stevig moeten inslikken.
Diezelfde nacht droomde zij over mij. Dat overkomt een mens gelukkig niet iedere nacht, want het zou op den duur een zware belasting voor de slaap betekenen. In haar droom zweefde zij samen met een andere vrouw in een luchtballon boven zee. Ikzelf vloog daaronder, gezeten op een roodfluwelen zetel met rijk houtsnijwerk, alsof ik zo uit een negentiende-eeuws theater was weggewandeld. Waarom het een zetel was en geen gewone stoel, bleef onverklaard. Dromen hebben een scherp gevoel voor decor, maar laten de logica graag thuis.
Ik keek omhoog, zwaaide vriendelijk en riep: “Cultuurbarbaren!” De vrouw naast haar schoot in de lach, bukte zich vervolgens naar een Thais doosje dat onder in de ballonmand lag en strooide de inhoud boven mijn hoofd leeg. Honderden beschreven velletjes dwarrelden als sneeuwvlokken door de lucht. Ik probeerde ze wanhopig te grijpen zonder uit mijn zetel te vallen, wat kennelijk nog een hele toer was.Toen werd zij wakker.
Ik moest bekennen dat ik zelden zo’n fraaie droom over mijzelf had gelezen. Nog opmerkelijker was dat ik diezelfde dag op mijn blog had geschreven over een eigen droom en over de wreedheid van de natuur. Niet omdat ik die ochtend met een sombere bui was opgestaan, maar omdat de natuur, wanneer je haar lang genoeg observeert, zich opvallend weinig aantrekt van menselijke gevoeligheden. Darwin wist daar alles van. Onder elk mooi groen blaadje blijken zich uiteindelijk organismen schuil te houden die elkaar langzaam van binnenuit opeten. De natuur is prachtig, zolang je niet te dichtbij kijkt.
Wat mij trof was niet zozeer de droom zelf als wel het merkwaardige toeval. Jung zou het waarschijnlijk synchroniciteit hebben genoemd: een betekenisvolle samenloop zonder aantoonbaar oorzakelijk verband. Ik heb altijd een zwak gehouden voor dat soort toevalligheden. Ze vormen een prettig alternatief voor de gedachte dat alles uitsluitend door statistiek wordt bestuurd.
Toch viel mij nog iets anders op. Terwijl zij zich moeiteloos had overgegeven aan het Verre Oosten, voelde ik bij datzelfde Verre Oosten altijd een lichte huiver. Bangkok alleen al. Die naam klinkt voor mij als een slecht voorteken. Bang-kok. Alsof de kok je bij voorbaat waarschuwt dat hij iets in de maaltijd heeft verwerkt wat de levensverwachting niet ten goede komt. Ik heb haar dan ook eerlijk opgebiecht dat ik mijzelf daar voortdurend ten onder zag gaan aan bedorven garnalen, mysterieuze kruiden of een nietsvermoedend in mijn koffer gestopt pakketje dat mij zonder tussenkomst van de douane rechtstreeks naar de galg van Singapore zou voeren.
Mijn correspondent antwoordde vrijwel onmiddellijk dat zij precies zulke angsten vroeger ook had gekoesterd. Totdat zij er op een dag genoeg van kreeg en eenvoudig een ticket boekte. Sindsdien verbleef zij iedere winter enige tijd op Koh Tao, waar haar leeftijd, haar verleden en zelfs haar toekomst nauwelijks nog van belang leken. Zij at op straat tussen de eilandbewoners, dronk Chang-bier waarvan het alcoholpercentage zich volgens haar weinig aantrok van het etiket en voelde zich veiliger dan in menig Nederlands winkelcentrum. “Hier ben ik gewoon mezelf,” schreef ze. “Zonder verleden en zonder toekomst.”
Ik vond dat een jaloersmakende gedachte. In Friesland lukt het je nog niet eens zonder verleden een brood te kopen. Binnen vijf minuten heeft de bakker vastgesteld wie je ouders waren, waar je vroeger woonde en waarom je destijds eigenlijk uit Amsterdam bent verhuisd.
Diezelfde middag moest ik naar een bestuursvergadering van een stichting in het Leeuwarder stadhuis. Terwijl zij tussen palmen en koraalriffen over levensdansers nadacht, zat ik onder tl-verlichting de notulen goed te keuren. Er zijn momenten waarop de wereld zich met een bijna komische precisie in twee helften verdeelt. Aan de ene kant de tropische regen, de varanen en de droom. Aan de andere kant de agenda, de rondvraag en de vraag of punt zeven misschien toch beter vóór punt zes behandeld kon worden.
Tijdens de vergadering dacht ik opeens aan een kunstenaar die ik ooit goed gekend heb. Hij had een gezicht dat permanent leek te twijfelen aan de goede bedoelingen van de schepping. Lachen deed hij ook wel, maar uitsluitend voor gevorderden. Zijn mondhoeken bewogen dan hooguit een paar millimeter. Alleen wie hem goed kende, wist dat dit uitbundige vrolijkheid betekende. Ik zag hem ineens voor me tussen de levensdansers van Thailand. Hij zou vermoedelijk hoofdschuddend hebben vastgesteld dat de vogel zich veel te druk maakte.
Sindsdien ben ik dat Thaise verhaal nooit meer vergeten. Misschien omdat het uiteindelijk helemaal niet over een vogel gaat. Iedereen draagt wel een parasiet mee die zich precies op een onbereikbare plek heeft vastgebeten: verdriet, herinneringen, angst, verlies, schuld of eenvoudig de tijd zelf. We proberen er met woorden, met boeken, met reizen of met humor vanaf te komen. Soms helpt een onverwachte regenbui. Soms een droom. En heel soms is er iemand aan de andere kant van de wereld die je een verhaal stuurt waardoor je ineens begrijpt dat zelfs de zwaarste storm niet altijd een ramp hoeft te zijn. Voor sommige vogels is hij eenvoudig de enige kans om te blijven vliegen.
Als ik terugkijk, lijkt mijn leven op de vlucht van een vogel. Ik heb hem aandachtig gevolgd, er duizenden woorden aan besteed, en toch ben ik er nog steeds niet achter of hij verdwaald was of precies wist waar hij heen moest.
