De verleiding van het het totale niets


Op 10 september 1898 maakte de Oostenrijkse keizerin Elisabeth, beter bekend als Sissi, een wandeling langs het Meer van Genève. Ze wandelde zonder veel beveiliging, zoals ze wel vaker deed, toen ze werd aangesproken door de Italiaanse anarchist Luigi Lucheni. Hij trok een zelfgemaakt stiletto tevoorschijn en stak haar in het hart. Later verklaarde hij dat hij helemaal niets persoonlijks tegen de keizerin had gehad. Hij had eenvoudigweg een belangrijk slachtoffer gezocht. “Ik wilde iemand doden die in de kranten zou komen.” Na zijn arrestatie schreef hij dat hij zich nog nooit zo tevreden had gevoeld. Hij had de wereld laten zien dat de tijd nabij was waarin een nieuwe zon over de mensheid zou opgaan.

In die paar zinnen ligt een motief besloten dat verrassend modern aandoet. Lucheni wilde niet alleen doden. Hij wilde een gebeurtenis scheppen. Zijn daad moest betekenis krijgen doordat de hele wereld er getuige van werd. Het slachtoffer was uiteindelijk ondergeschikt aan de symbolische kracht van de aanslag. Benedict Anderson wees daar al op in zijn studie Under Three Flags, Anarchism and the Anti-Colonial Imagination (2006), waarin hij het negentiende-eeuwse anarchisme beschreef als een vroege vorm van mondiaal terrorisme. De anarchisten waren niet alleen revolutionairen; zij waren ook regisseurs van het spektakel. Hun bommen en moorden leken bedoeld om de geschiedenis een andere richting op te duwen. Maar belangrijker nog: zij werden gedreven door een verlangen naar het totale niets. Radicaler kan het niet, want tegen dat verlangen is geen kruid gewassen.

Toen ik mij jaren geleden met deze materie bezighield, leek die geschiedenis vooral een voorafschaduwing van het islamistische terrorisme. De aanslagen van Al Qaida en later ISIS werden meestal verklaard vanuit religieus fanatisme. Inmiddels is het beeld veel diffuser geworden. De religieuze dimensie is niet verdwenen, maar zij heeft gezelschap gekregen van allerlei andere vormen van extremisme. Rechts-radicale lone wolves, complotdenkers, racistische schutters, jongeren die zich online verliezen in een nihilistische verheerlijking van geweld, zij delen lang niet altijd dezelfde motieven, als zij al een motief hebben. Wat zij wel delen is een verlangen om door één allesbeslissende daad boven hun eigen onbeduidendheid uit te stijgen. De aanslag is niet alleen een middel geworden, maar ook een bestemming. En die bestemming kan ook de totale vernietiging zijn.

Daarmee is ook de betekenis van het terrorisme veranderd. Het lijkt steeds minder gericht op een concreet politiek doel en steeds meer op de ervaring van de daad zelf. Alsof de vernietiging een eigen aantrekkingskracht heeft gekregen. Alsof de ultieme vrijheid niet meer wordt gezocht in de verwezenlijking van een ideaal, maar in het ogenblik waarop alle banden met de wereld worden doorgesneden. In die zin is het hedendaagse terrorisme niet alleen een ideologisch, maar ook een existentieel fenomeen. Het komt voort uit een verlangen naar een absolute ervaring, waarin alle grenzen verdwijnen. In dat ideaal verschijnt de afgrond van ‘het nietsende niets’. Hoe valt dit te verklaren?

Een roman van Jean-Paul Sartre zegt mij mij nog altijd meer over deze nieuw vorm van terreur dan menig sociologische analyse. Aan het slot van De wegen der vrijheid beschrijft Sartre hoe zijn hoofdpersoon Matthieu begint te schieten. Niet alleen op soldaten, maar op de wereld zelf. Hij schiet op de mens, op de deugd, op de schoonheid, op de bloemen, op alles waarvan hij ooit gehouden heeft. “Vrijheid is terreur,” schrijft Sartre. Het is een onthutsende passage, omdat zij laat zien hoe de ervaring van absolute vrijheid kan omslaan in een vernietiging van alles wat betekenis heeft. De wereld wordt niet bestreden omdat zij slecht is, maar omdat zij er eenvoudigweg is.

Wat is dat voor vrijheid die uitmondt in totale vernietiging? Zij lijkt voort te komen uit een ervaring van het totale niets. Alsof achter alle bestaande betekenissen een afgrond schuilgaat die tegelijk angstaanjagend en onweerstaanbaar is. De moderne mens heeft veel traditionele vormen van transcendentie verloren. God is uit het publieke domein verdwenen, metafysische zekerheden zijn afgebrokkeld en de geschiedenis heeft haar vanzelfsprekende richting verloren. Maar daarmee is het verlangen naar transcendentie niet verdwenen. Integendeel. Juist wanneer de hemel leeg raakt, kan de afgrond een onweerstaanbare aantrekkingskracht krijgen.

De Amerikaanse terrorisme-onderzoeker Jessica Stern wees er al op dat terroristen vaak spreken over een ervaring die de gewone werkelijkheid overstijgt. Niet alleen het doel trekt hen aan, maar ook de weg ernaartoe. Het leven krijgt een ongekende intensiteit. Angst slaat om in extase. De individuele identiteit lost op in een groter geheel. Dat grotere geheel kan God zijn, maar evengoed een volk, een ras, een revolutie of zelfs een allesomvattende complottheorie. De ideologie verschilt, de onderliggende structuur vertoont telkens dezelfde trekken.

Met dat gegeven voor ogen vraag ik mij af of de filosofie en de psychiatrie alleen voldoende toegerust zijn om dit fenomeen te begrijpen. De hedendaagse mens verklaart geweld bij voorkeur vanuit psychologische stoornissen of maatschappelijke achterstelling. Dat zijn ongetwijfeld belangrijke factoren, maar zij raken niet aan de diepere laag waarop geweld soms een bijna religieuze betekenis krijgt. Daar komt de theologie onverwacht opnieuw in beeld.

Paul Tillich, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als veldpredikant de verschrikkingen van het front van nabij meemaakte, schreef dat alleen degene die werkelijk de dreiging van het ‘niet-zijn’ heeft ervaren, begrijpt wat het woord God kan betekenen. Dat is een merkwaardige uitspraak. God verschijnt hier niet als een bovennatuurlijk wezen, maar als datgene wat zich openbaart op de grens waar alle menselijke zekerheden verdwijnen. Tillich spreekt over God als de grond van het Zijn, als een afgrondelijke diepte die niet buiten de werkelijkheid ligt, maar er juist aan ten grondslag ligt.

Daarmee sluit hij aan bij Schelling, voor wie de natuur zelf een bewusteloos denken was. De werkelijkheid bezit volgens hem een verborgen dynamiek die ouder is dan het menselijke bewustzijn. Het kwaad, de vrijheid en zelfs God ontspringen aan dezelfde mysterieuze oergrond. Dat maakt de menselijke vrijheid dubbelzinnig. Zij is niet alleen de mogelijkheid om het goede te kiezen, maar ook om zich los te maken van iedere orde en zichzelf absoluut te verklaren. Misschien schuilt juist daarin de demonische verleiding waar Tillich zo vaak over schreef. Niet het kwaad als zodanig is demonisch, maar het ogenblik waarop iets eindigs zich voordoet als het absolute.

Daarin valt iets  van onze eigen tijd te herkennen Het zijn immers allang niet meer alleen religies die absolute aanspraken maken. Ook politieke ideologieën, nationalistische bewegingen, technologische utopieën en zelfs digitale netwerken kunnen eenzelfde totaliserende werking krijgen. Het demonische heeft zich als het ware geseculariseerd. Niet God keert terug, maar de hang naar het absolute.

Dat maakt ook de huidige golf van het zogeheten nihilistisch terrorisme begrijpelijker. Bij een aantal recente aanslagplegers lijkt nauwelijks nog sprake van een samenhangend politiek programma. Zij verlangen niet zozeer naar een betere wereld, maar naar een gebeurtenis die alle betekenis opslokt. De vernietiging zelf wordt het doel. De aanslag wordt een poging om een spoor achter te laten in een wereld waarin men zich onzichtbaar voelt. Zoals Lucheni in 1898 hoopte de kranten te halen, zo hoopt de hedendaagse terrorist viraal te gaan. De media zijn veranderd, maar de hunkering naar een absolute daad is dezelfde gebleven.

Het zou daarom een vergissing zijn te denken dat terrorisme uitsluitend een veiligheidsprobleem is. Het is evenzeer een symptoom van een cultuur waarin de gemeenschappelijke horizon van betekenis steeds verder afbrokkelt. De moderne mens beschikt over een ongekende technische macht, maar weet steeds minder waartoe die macht dient. Hij leeft in een wereld waarin vrijwel alles maakbaar lijkt, behalve zin. En juist waar de zin verdwijnt, kan het absolute terugkeren in de meest destructieve gedaanten.

Hoe verder een God uit het publieke bewustzijn verdwijnt, des te hardnekkiger keert het verlangen naar het absolute terug. Niet noodzakelijk in kerken of tempels, maar in mythen van geopolitieke aard, in digitale werkelijkheden, in technologische utopieën en in gewelddadige fantasieën over een beslissende breuk met de bestaande werkelijkheid. Een mens blijkt een wezen te zijn dat niet zonder enige vorm van transcendentie kan leven. Wanneer hij haar niet meer boven zich vindt, gaat hij haar in de wereld zelf zoeken. En wanneer ook de wereld haar hogere of intrinsieke betekenis verliest, rest tenslotte nog de afgrond van het totale niets.

Daarmee is de vraag naar terrorisme uiteindelijk geen vraag meer over een kleine groep ontspoorde individuen. Zij raakt aan de geestelijke conditie van de moderne beschaving als geheel. De grootste bedreiging van onze tijd is alleen niet dat de traditionele religie in een radicale gedaante terugkeert, maar vooral ook dat de hang naar het totale niets terugkeert in steeds nieuwe, seculiere gedaanten. De uitdaging waarvoor wij staan is daarom niet alleen politiek of technologisch, maar ook filosofisch en existentieel . Want een samenleving die iedere vorm van transcendentie meent te hebben overwonnen, loopt het gevaar haar in haar meest demonische gedaante terug te zien keren. Het grootste gevaar is dan de verleiding van het totale niets, waar elke vorm van radicalisering vroeg of laat in uitmondt.