Toen een bom nog leuk was

Het is vreemd hoe herinneringen van kleur veranderen. Wat ooit een hectische zomer vol stress, improvisatie en ergernissen leek, verschijnt na verloop van tijd als een bijna idyllisch tafereel. Alsof het geheugen de scherpe randen weg slijpt en alleen het licht bewaart. Ik kijk naar een foto uit juli 2000. In het Simmer Café van Schouwburg De Harmonie ondervraagt Geart de Vries kolonel Sjaarda Hzn. Mijn hoofd is nog net op de achtergrond te zien. Iedere avond liep het Simmer Café vol. Er werd gegeten, gedronken en gediscussieerd. Iedereen leek elkaar te kennen.

De foto straalt een weldadige rust uit. Maar schijn bedriegt. Even later klonk een enorme knal. Buiten steeg rook op en het brandalarm begon te loeien. Binnen enkele minuten stond de brandweer voor de deur. Kolonel Sjaarda verliet het podium om zijn Friese leger te mobiliseren en het heitelân tegen een vermeende terroristische aanval te verdedigen. Het publiek wist niet dat alles zorgvuldig geënsceneerd was. De verwarring was echt.

Achteraf verbaast het me vooral dát zoiets toen nog kon. We leefden nog in een wereld waarin een fictieve aanslag vooral als absurdistisch theater kon worden opgevat. Nog geen jaar later veranderde dat voorgoed. Na 11 september 2001 werd iedere explosie, iedere achtergelaten tas en ieder militair uniform onderdeel van een nieuw collectief bewustzijn waarin angst een permanente plaats kreeg. Wat in de zomer van 2000 nog speels was, zou kort daarna ondenkbaar zijn geworden.

Het toeval wilde bovendien dat het vuurwerk voor deze voorstelling afkomstig was van S.E. Fireworks in Enschede. Diezelfde onderneming was enkele weken eerder het middelpunt was geweest van de vuurwerkramp waarbij een hele woonwijk werd weggevaagd. Het millenniumjaar leek aanvankelijk een feestelijke overgang naar een nieuwe eeuw, maar achteraf bezien was het vooral een jaar vol voorboden. Alsof de geschiedenis al onrustig begon te schuiven voordat iemand dat werkelijk doorhad.

Simmer 2000 was misschien wel de laatste grote manifestatie die volledig in het teken stond van optimisme. Friesland nodigde alle Friezen uit de wereld uit om terug te keren naar hun geboortegrond. It paad werom was het motto. Terugkeer, herkenning en verbondenheid vormden de kern van het verhaal. Er hing een bijna vanzelfsprekende overtuiging in de lucht dat identiteit iets was wat mensen bijeenbracht. Dat een gemeenschap zichzelf opnieuw kon uitvinden door zich haar eigen geschiedenis te herinneren.

Nu, ruim een kwart eeuw later, klinkt dat bijna onschuldig. Sindsdien is de wereld een heel andere richting uitgegaan. Grenzen zijn opnieuw onderwerp van strijd geworden. Nationalisme keerde terug, niet als folkloristisch spel maar als geopolitieke werkelijkheid. Oorlogen die wij na de val van de Berlijnse Muur voorgoed achter ons waanden, woeden weer aan de randen van Europa en daarbuiten. Democratieën blijken kwetsbaarder dan gedacht. De klimaatcrisis maakt duidelijk dat zelfs de natuur geen stabiel decor meer vormt. En ondertussen ontwikkelt kunstmatige intelligentie zich met een snelheid die ons begrip van werkelijkheid, arbeid, creativiteit en zelfs mens-zijn fundamenteel begint te veranderen.

Juist daardoor kijk ik nu anders terug op Simmer 2000. Wat destijds een regionale manifestatie leek, verschijnt nu als een moment waarop een gemeenschap nog één keer collectief geloofde in haar eigen verhaal. Friesland heeft altijd een merkwaardige gevoeligheid gehad voor collectieve vervoering. Er hoeft maar één zin uitgesproken te worden — It giet oan, It sil heve, We geane los — en plotseling ontstaat een gemeenschappelijk ritme waarin duizenden mensen zich tegelijk lijken te herkennen. Zulke momenten zijn fascinerend omdat ze iets blootleggen wat normaal verborgen blijft. Individuen lossen voor even op in een groter geheel. Emoties versterken elkaar. De massa begint zichzelf voort te stuwen.

Dat mechanisme intrigeerde mij destijds al. De vraag was hoe je vaderlandsliefde kon tonen zonder in nationalisme te vervallen. Dat bleek een uiterst precair evenwicht. Ironie moest voorkomen dat het serieus werd, maar juist daardoor werd het soms ernstiger dan bedoeld. Alles wat gespeeld was, leek echt te worden. Alsof de voorstelling haar eigen werkelijkheid begon voort te brengen.

Nergens gebeurde dat sterker dan rond kolonel Sjaarda Hzn. Zijn Friese leger was door Auke de Vries bedacht als een absurdistisch kunstwerk, een spel met militaire symboliek en historische clichés. Toch reageerden mensen alsof het werkelijk ergens over ging. Sommigen vonden het hilarisch, anderen ronduit gevaarlijk. Het bestuur van het Frysk Festival aarzelde lang voordat het project doorgang mocht vinden. Ik moest alle overtuigingskracht inzetten om toestemming te krijgen.

Het concept was eenvoudig. Het leger hoefde nauwelijks zichtbaar aanwezig te zijn. Juist de suggestie moest het werk doen. De media speelden daarin een hoofdrol. Geruchten, interviews en zorgvuldig geregisseerde gebeurtenissen lieten het leger steeds groter lijken dan het in werkelijkheid was. Tegenwoordig zouden we dat een experiment met beeldvorming noemen. Of misschien zelfs een vroege oefening in een werkelijkheid die door media zelf wordt geproduceerd.

Daarmee was het project zijn tijd misschien vooruit. Want inmiddels leven we in een wereld waarin werkelijkheid voortdurend concurreert met haar digitale dubbelganger. Sociale media, algoritmen en generatieve AI produceren dagelijks overtuigende werkelijkheden die niet noodzakelijk waar hoeven te zijn. Foto’s zijn niet langer bewijs. Stemmen kunnen worden nagebootst. Video’s zijn manipuleerbaar. De vraag is niet meer of iets echt is, maar of mensen bereid zijn erin te geloven.

In zekere zin was kolonel Sjaarda een analoge deepfake avant la lettre. Oeds Westerhof speelde de kolonel met zichtbaar plezier. Het kostuum dat Auke de Vries ontwierp, balanceerde tussen autoriteit en parodie. Precies daardoor werkte het. Vijftien jaar later probeerde ik Auke nog enthousiast te maken voor een standbeeld van de kolonel in Leeuwarden. Dat leek mij een passend monument voor een kunstwerk dat nooit helemaal kunst was geweest en nooit helemaal werkelijkheid. Maar Auke voelde er niets voor. Misschien had hij gelijk. Sommige projecten leven juist doordat ze geen monument krijgen.

Gaandeweg begon Simmer 2000 mij steeds meer te benauwen. Er ging van alles mis. Kunstenaars zegden af. Kranten raakten in conflict met ons project. Ik kreeg ruzie met hoofdredacteuren die de ironie niet vertrouwden of juist te serieus namen. Wat begon als een speelse reflectie op Friese identiteit veranderde langzaam in een emotionele eruptie die zich nauwelijks nog liet sturen.

Tijdens het slotfeest in het FEC overviel mij een onbehaaglijk gevoel. Mensen stonden op tafels, zongen uit volle borst Friese liederen en lieten zich meeslepen door een collectieve extase. Opeens moest ik denken aan een bierhal in München waar ik ooit met grote haast was vertrokken omdat de sfeer mij beklemde. Natuurlijk was Friesland geen Beieren en Simmer 2000 geen politieke manifestatie. Maar massale emoties hebben overal dezelfde grammatica. Ze verlangen overgave. Juist daarom maken ze mij wantrouwig.

Ik heb altijd meer gehouden van Friesland als landschap dan als collectief gevoel. Van de leegte, de horizon, de wind en het licht. Niet van de momenten waarop iedereen tegelijk hetzelfde lijkt te moeten voelen. De herinnering aan Simmer 2000 kreeg bovendien een donkere ondertoon toen Jaap Castelein zich een jaar later van het leven beroofde. Zijn huwelijk was stukgelopen. Hij had de organisatie van de Simmer gedragen met een bewonderenswaardige energie. Zijn dood wierp achteraf een schaduw over die uitbundige zomer. Alsof de geschiedenis ons eraan wilde herinneren dat achter collectieve euforie altijd individuele levens schuilgaan waarvan niemand het hele verhaal kent. Ik denk nog vaak aan hem.

Na afloop van de Simmer schreef ik voor het Fries Genootschap een lang essay dat later het eerste hoofdstuk zou worden van mijn boek De kleur van Friesland. Oeds Westerhof, destijds mijn directeur bij Keunstwurk, vroeg mij na lezing of ik mij op mijn werk eigenlijk nooit verveelde. Dat was een merkwaardige vraag. Misschien zag hij al dat mijn belangstelling minder uitging naar de organisatie van culturele evenementen dan naar de ideeën die eronder lagen. Mij fascineerde niet zozeer het festival zelf, maar wat het vertelde over identiteit, verbeelding en de manier waarop mensen gezamenlijk betekenis construeren.

Die vragen zijn alleen maar actueler geworden. Want ook de wereld van vandaag lijkt steeds meer op een gigantisch festival van verhalen waarin niemand nog precies weet waar de werkelijkheid ophoudt en de voorstelling begint. Kunstmatige intelligentie schrijft teksten, schildert schilderijen, componeert muziek en genereert gezichten van mensen die nooit hebben bestaan. Politiek wordt steeds vaker een strijd tussen concurrerende werkelijkheden. Algoritmen bepalen welke versie van de wereld wij te zien krijgen. De grens tussen feit en fictie is poreuzer geworden dan ooit.

Daarom verlang ik ook wel eens] terug naar die zomer van 2000. Niet omdat alles toen beter was. Dat is nostalgie, en nostalgie vergist zich bijna altijd. Maar omdat wij toen nog dachten dat de werkelijkheid uiteindelijk steviger was dan haar verbeelding. Inmiddels weten we beter.

Op het slotfeest zong Syb van De Kast de Friese versie van Paradise by the Dashboard Light, samen met Maaike Schuurmans. Het lied ging over verlangen, over overgave en over de twijfel die altijd net iets sterker blijft dan de belofte. Let me sleep on it… Die woorden zijn me altijd bijgebleven. Ze drukken precies uit wat ik tegenover Friesland heb gevoeld: liefde, maar nooit zonder reserve. Aan het einde klonk: It wie lang ferlyn… en it wie sa foarby… mar it wie hiel wat better as hjoed-de-dei.

Destijds hoorde ik daarin vooral melancholie. Tegenwoordig hoor ik er ook een waarschuwing in. Niet omdat vroeger werkelijk beter was, maar omdat iedere generatie achteraf pas ontdekt hoe onschuldig haar eigen heden ooit is geweest. Die bom in het Simmer Café is vrijwel iedereen vergeten. Misschien is dat maar goed ook. Inmiddels leven we in een tijd waarin de echte explosies dagelijks onze beeldschermen bereiken en oorlog niet langer een verre herinnering is. Het paradijs heeft nooit bestaan, ook niet in Fryslân. Maar soms denk ik dat wij in de zomer van 2000 nog heel even geloofden dat het binnen handbereik lag. Dat was misschien de grootste illusie van allemaal. Het was de tijd toen een bom nog leuk was.